Jozua
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Zodra Jabin, de koning van Chasor, hiervan hoorde, zond hij boden naar Jobab, den koning van Madon, naar den koning van Sjimron, naar den koning van Aksjaf,
1ΩΣ δὲ ἤκουσεν Ἰαβὶν βασιλεὺς Ἀσώρ, ἀπέστειλε πρὸς Ἰαβὰβ βασιλέα Μαρὼν καὶ πρὸς βασιλέα Συμοὼν καὶ πρὸς βασιλέα Ἀζίφ
2en naar de koningen van het noordelijk bergland, van de Araba ten zuiden van Gennezaret, van de Sjefela en van het heuvelachtig gebied van Dor in het westen.
2καὶ πρὸς βασιλεῖς τοὺς κατὰ Σιδῶνα τὴν μεγάλην, εἰς τὴν ὀρεινὴν καὶ εἰς Ἄραβα ἀπέναντι Κενερὼθ καὶ εἰς τὸ πεδίον καὶ εἰς Φεναεδδὼρ
3Dat waren de Kanaänieten in het oosten en het westen, de Amorieten, Chittieten en Perizzieten, de Jeboesieten in het gebergte, en de Chiwwieten aan de voet van de Hermon in het land van Mispa.
3καὶ εἰς τοὺς παραλίους Χαναναίους ἀπὸ ἀνατολῶν καὶ εἰς τοὺς παραλίους Ἀμορραίους καὶ τοὺς Χετταίους καὶ Φερεζαίους καὶ Ἰεβουσαίους τοὺς ἐν τῷ ὄρει καὶ τοὺς Εὐαίους καὶ τοὺς ὑπὸ τὴν Ἀερμὼν εἰς γῆν Μασσηφά.
4Met heel hun legermacht, met drommen, talrijk als het zand aan het strand van de zee, en met een groot aantal paarden en strijdwagens rukten zij uit.
4καὶ ἐξῆλθον αὐτοὶ καὶ οἱ βασιλεῖς αὐτῶν μετ' αὐτῶν, ὥσπερ ἡ ἄμμος τῆς θαλάσσης τῷ πλήθει, καὶ ἵπποι καὶ ἅρματα πολλὰ σφόδρα.
5En toen al die koningen zich hadden verenigd, gingen ze gezamenlijk hun tenten opslaan bij de wateren van Merom, om Israël te bestrijden.
5καὶ συνῆλθον πάντες οἱ βασιλεῖς αὐτοὶ καὶ παρεγένοντο ἐπὶ τὸ αὐτὸ καὶ παρενέβαλον ἐπὶ τοῦ ὕδατος Μαρὼν πολεμῆσαι τὸν Ἰσραήλ.
6Maar Jahweh sprak tot Josuë: Wees niet bang voor hen; want morgen om deze tijd leg Ik ze allen verslagen voor Israël neer; dan moet ge de pezen van de poten hunner paarden doorsnijden, en hun strijdwagens verbranden.
6καὶ εἶπε Κύριος πρὸς Ἰησοῦν· μὴ φοβηθῇς ἀπὸ προσώπου αὐτῶν, ὅτι αὔριον ταύτην τὴν ὥραν ἐγὼ παραδίδωμι τετροπωμένους αὐτοὺς ἐναντίον τοῦ Ἰσραήλ· τοὺς ἵππους αὐτῶν νευροκοπήσεις καὶ τὰ ἅρματα αὐτῶν κατακαύσεις ἐν πυρί.
7Toen Josuë dan ook met al zijn krijgsvolk plotseling bij de wateren van Merom verscheen en op hen aanviel,
7καὶ ἦλθεν Ἰησοῦς καὶ πᾶς ὁ λαὸς ὁ πολεμιστὴς ἐπ' αὐτοὺς ἐπὶ τὸ ὕδωρ Μαρὼν ἐξάπινα καὶ ἐπέπεσαν ἐπ' αὐτοὺς ἐν τῇ ὀρεινῇ.
8leverde Jahweh ze aan Israël over. Zij versloegen ze en achtervolgden ze tot Groot-Sidon en Misrefot in het westen, en tot de vallei van Mispe in het oosten: zij versloegen ze, tot er niemand meer overbleef.
8καὶ παρέδωκεν αὐτοὺς Κύριος ὑποχειρίους Ἰσραήλ, καὶ κόπτοντες αὐτοὺς κατεδίωκον ἕως Σιδῶνος τῆς μεγάλης καὶ ἕως Μασερὼν καὶ ἕως τῶν πεδίων Μασσὼχ κατ' ἀνατολὰς καὶ κατέκοψαν αὐτοὺς ἕως τοῦ μὴ καταλειφθῆναι αὐτῶν διασεσωσμένον.
9Josuë deed met hen, zoals Jahweh hem had gezegd; hun paarden sneed hij de pezen door, en hun strijdwagens verbrandde hij.
9καὶ ἐποίησεν αὐτοῖς Ἰησοῦς ὃν τρόπον ἐνετείλατο αὐτῷ Κύριος· τοὺς ἵππους αὐτῶν ἐνευροκόπησε καὶ τὰ ἅρματα αὐτῶν ἐνέπρησε πυρί.
10Bij zijn terugkeer veroverde Josuë toen Chasor, en joeg zijn koning over de kling; Chasor stond eertijds aan het hoofd van al die koninkrijken.
10Καὶ ἀπεστράφη Ἰησοῦς ἐν τῷ καιρῷ ἐκείνῳ καὶ κατελάβετο Ἀσὼρ καὶ τὸν βασιλέα αὐτῆς· ἦν δὲ Ἀσὼρ τὸ πρότερον ἄρχουσα πασῶν τῶν βασιλειῶν τούτων.
11Zij sloegen alle levende wezens, die erin waren, met de ban, en joegen ze over de kling, zodat geen levend wezen ontkwam; Chasor zelf stak hij in brand.
11καὶ ἀπέκτειναν πᾶν ἐμπνέον ἐν αὐτῇ ἐν ξίφει καὶ ἐξωλόθρευσαν πάντας, καὶ οὐ κατελείφθη ἐν αὐτῇ ἐμπνέον· καὶ τὴν Ἀσὼρ ἐνέπρησαν ἐν πυρί.
12Verder maakte Josuë zich meester van alle steden dier koningen en van die koningen zelf; hij sloeg ze met de ban, en joeg ze over de kling, zoals Moses, de dienaar van Jahweh, bevolen had.
12καὶ πάσας τὰς πόλεις τῶν βασιλειῶν καὶ τοὺς βασιλεῖς αὐτῶν ἔλαβεν Ἰησοῦς καὶ ἀνεῖλεν αὐτοὺς ἐν στόματι ξίφους, καὶ ἐξωλόθρευσαν αὐτούς, ὃν τρόπον συνέταξε Μωυσῆς ὁ παῖς Κυρίου.
13Doch de steden, die op de heuvels lagen, staken de Israëlieten niet in brand, behalve dan Chasor, dat Josuë had laten verbranden.
13ἀλλὰ πάσας τὰς πόλεις τὰς κεχωματισμένας οὐκ ἐνέπρησεν Ἰσραήλ, πλὴν Ἀσὼρ μόνην ἐνέπρησεν Ἰσραὴλ
14Maar heel de have en het vee van die steden maakten de Israëlieten buit; alle mensen echter, tot den laatsten man toe, joegen ze over de kling, en geen levend wezen lieten ze achter.
14καὶ πάντα τὰ σκῦλα αὐτῆς ἐπρονόμευσαν ἑαυτοῖς οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ, αὐτοὺς δὲ πάντας ἐξωλόθρευσαν ἐν στόματι ξίφους, ἕως ἀπώλεσεν αὐτούς, οὐ κατέλιπον ἐξ αὐτῶν οὐδὲν ἐμπνέον.
15Wat Jahweh aan zijn dienaar Moses had bevolen, heeft Moses aan Josuë gelast, en Josuë bracht het ten uitvoer; hij deed stipt, wat Jahweh aan Moses had voorgeschreven.
15ὃν τρόπον συνέταξε Κύριος τῷ Μωυσῇ τῷ παιδὶ αὐτοῦ, καὶ Μωυσῆς ὡσαύτως ἐνετείλατο τῷ Ἰησοῖ, καὶ οὕτως ἐποίησεν Ἰησοῦς· οὐ παρέβη οὐδὲν ἀπὸ πάντων, ὧν συνέταξεν αὐτῷ Μωυσῆς.
16Zo veroverde Josuë heel dit land: het gebergte, heel de Négeb, de gehele landstreek Gósjen, de Sjefela, de Araba, en het israëlietisch bergland met zijn laagten,
16Καὶ ἔλαβεν Ἰησοῦς πᾶσαν τὴν γῆν τὴν ὀρεινὴν καὶ πᾶσαν τὴν γῆν Ναγὲβ καὶ πᾶσαν τὴν γῆν Γοσὸμ καὶ τὴν πεδινὴν καὶ τὴν πρὸς δυσμαῖς καὶ τὸ ὄρος Ἰσραὴλ καὶ τὰ ταπεινὰ τὰ πρὸς τῷ ὄρει
17van het Chalakgebergte af, dat naar Seïr oploopt, tot Báal-Gad in de Libanonvlakte aan de voet van het Hermongebergte. Al hun koningen nam hij gevangen en sloeg ze dood.
17ἀπὸ ὄρους Χελχὰ καὶ ὃ προσαναβαίνει εἰς Σηεὶρ καὶ ἕως Βααλγὰδ καὶ τὰ πεδία τοῦ Λιβάνου ὑπὸ τὸ ὄρος τὸ Ἀερμὼν καὶ πάντας τοὺς βασιλεῖς αὐτῶν ἔλαβε καὶ ἀνεῖλε καὶ ἀπέκτεινε.
18Lange tijd heeft Josuë tegen al die koningen moeten strijden.
18καὶ ἡμέρας πλείους ἐποίησεν Ἰησοῦς πρὸς τοὺς βασιλεῖς τούτους τὸν πόλεμον,
19Er was geen stad, die met de Israëlieten vrede sloot, behalve die der Chiwwieten, die in Gibon woonden; alles hebben ze gewapenderhand moeten veroveren.
19καὶ οὐκ ἦν πόλις, ἣν οὐκ ἔλαβεν Ἰσραήλ, πάντα ἐλάβοσαν ἐν πολέμῳ.
20Want Jahweh had het beschikt, dat ze hun hart zouden verstokken, en vijandelijk tegen de Israëlieten zouden optreden, opdat men hen met de banvloek zou slaan, en er geen genade voor hen zou wezen, maar opdat men hen zou kunnen verdelgen, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
20ὅτι διὰ Κυρίου ἐγένετο κατισχῦσαι αὐτῶν τὴν καρδίαν συναντᾶν εἰς πόλεμον πρὸς Ἰσραήλ, ἵνα ἐξολοθρευθῶσιν, ὅπως μὴ δοθῇ αὐτοῖς ἔλεος, ἀλλ' ἵνα ἐξολοθρευθῶσιν, ὃν τρόπον εἶπε Κύριος πρὸς Μωυσῆν.
21In die tijd ging Josuë ook nog de Anakieten uitroeien uit het bergland, uit Hebron, Debir, Anab, en uit het gehele gebergte van Juda en Israël. Met hun steden sloeg Josuë hen met de ban,
21Καὶ ἦλθεν Ἰησοῦς ἐν τῷ καιρῷ ἐκείνῳ καὶ ἐξωλόθρευσε τοὺς Ἐνακὶμ ἐκ τῆς ὀρεινῆς, ἐκ Χεβρὼν καὶ ἐκ Δαβὶρ καὶ ἐξ Ἀναβὼθ καὶ ἐκ παντὸς γένους Ἰσραὴλ καὶ ἐκ παντὸς ὄρους Ἰούδα σὺν ταῖς πόλεσιν αὐτῶν, καὶ ἐξωλόθρευσεν αὐτοὺς Ἰησοῦς.
22zodat er geen Anakieten meer in het land der Israëlieten overbleven, behalve in Gaza, Gat en Asjdod.
22οὐ κατελείφθη τῶν Ἐνακὶμ ἀπὸ τῶν υἱῶν Ἰσραήλ, ἀλλὰ πλὴν ἐν Γάζῃ καὶ ἐν Γὲθ καὶ ἐν Ἀσεδὼθ κατελείφθη.
23Josuë veroverde dus het gehele land, juist zoals Jahweh het Moses gezegd had. Hij gaf het aan Israël ten erfdeel, zoals het elk van zijn stammen toekwam. En het land rustte uit van de strijd.
23καὶ ἔλαβεν Ἰησοῦς πᾶσαν τὴν γῆν, καθότι ἐνετείλατο Κύριος τῷ Μωυσῇ καὶ ἔδωκεν αὐτοὺς Ἰησοῦς ἐν κληρονομίᾳ Ἰσραὴλ ἐν μερισμῷ κατὰ φυλὰς αὐτῶν. καὶ ἡ γῆ κατέπαυσε πολεμουμένη.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.