Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Dit is de inhoud van het boek, dat Baruk, de zoon van Neri-ja, zoon van Machseja, zoon van Sedekias, zoon van Chasadja, zoon van Chilki-ja, in Babel schreef,
1ΚΑΙ οὗτοι οἱ λόγοι τοῦ βιβλίου, οὓς ἔγραψε Βαροὺχ υἱὸς Νηρίου, υἱοῦ Μαασαίου, υἱοῦ Σεδεκίου, υἱοῦ Ἀσαδίου, υἱοῦ Χελκίου, ἐν Βαβυλῶνι,
2in het vijfde jaar, op de zevende dag van dezelfde maand, waarop de Chaldeën Jerusalem hadden ingenomen en in brand gestoken.
2ἐν τῷ ἔτει τῷ πέμπτῳ, ἐν ἑβδόμῃ τοῦ μηνός, ἐν τῷ καιρῷ, ᾧ ἔλαβον οἱ Χαλδαῖοι τὴν Ἱερουσαλὴμ καὶ ἐνέπρησαν αὐτὴν ἐν πυρί.
3Toen Baruk de inhoud van dit boek had voorgelezen ten aanhoren van Jekonias, den zoon van Jojakim en koning van Juda, en van al het volk, dat voor de lezing was samengekomen:
3καὶ ἀνέγνω Βαροὺχ τοὺς λόγους τοῦ βιβλίου τούτου ἐν ὠσὶν Ἰεχονίου, υἱοῦ Ἰωακεὶμ βασιλέως Ἰούδα καὶ ἐν ὠσὶ παντὸς τοῦ λαοῦ τῶν ἐρχομένων πρὸς τὴν βίβλον
4ten aanhoren van de edelen en prinsen, van de oudsten en heel het volk, klein en groot: ten aanhoren van allen, die in Babel bij de rivier Soed waren gevestigd,
4καὶ ἐν ὠσὶ τῶν δυνατῶν καὶ υἱῶν τῶν βασιλέων καὶ ἐν ὠσὶ τῶν πρεσβυτέρων καὶ ἐν ὠσὶ παντὸς τοῦ λαοῦ, ἀπὸ μικροῦ ἕως μεγάλου, πάντων τῶν κατοικούντων ἐν Βαβυλῶνι ἐπὶ ποταμοῦ Σούδ.
5weenden zij, en vastten en baden tot den Heer.
5καὶ ἔκλαιον καὶ ἐνήστευον καὶ ηὔχοντο ἐναντίον Κυρίου
6Zij zamelden geld in, zoveel ieder kon missen,
6καὶ συνήγαγον ἀργύριον, καθὰ ἑκάστου ἠδύνατο ἡ χείρ,
7en zonden het naar Jerusalem aan den priester Jojakim, den zoon van Chilki-ja, zoon van Salom, en aan de andere priesters en heel de bevolking, die zich met hem in Jerusalem bevonden.
7καὶ ἀπέστειλαν εἰς Ἱερουσαλὴμ πρὸς Ἰωακεὶμ υἱὸν Χελκίου, υἱοῦ Σαλώμ, τὸν ἱερέα, καὶ πρὸς τοὺς ἱερεῖς καὶ πρὸς πάντα τὸν λαόν, τοὺς εὑρεθέντας μετ᾿ αὐτοῦ ἐν Ἱερουσαλὴμ
8Zij gaven het Baruk mee, die reeds op de tiende van Siwan de vaten van het huis des Heren, die uit de tempel waren geroofd, in ontvangst had genomen, om ze naar het land van Juda terug te brengen. Het waren de zilveren vaten, die Sedekias, de zoon van Josias en koning van Juda, had laten vervaardigen,
8ἐν τῷ λαβεῖν αὐτὸν τὰ σκεύη οἴκου Κυρίου, τὰ ἐξενεχθέντα ἐκ τοῦ ναοῦ, ἀποστρέψαι εἰς γῆν Ἰούδα, τῇ δεκάτῃ τοῦ Σειουάν, σκεύη ἀργυρᾶ, ἃ ἐποίησε Σεδεκίας υἱὸς Ἰωσία βασιλεὺς Ἰούδα
9nadat Nabukodonosor, de koning van Babel, Jekonias met de aanvoerders, bankwerkers, edelen en het gewone volk uit Jerusalem had weggevoerd, en naar Babel had overgebracht.
9μετὰ τὸ ἀποικίσαι Ναβουχοδονόσορ βασιλέα Βαβυλῶνος τὸν Ἰεχονίαν καὶ τοὺς ἄρχοντας καὶ τοὺς δεσμώτας καὶ τοὺς δυνατοὺς καὶ τὸν λαὸν τῆς γῆς ἀπὸ Ἱερουσαλὴμ καὶ ἤγαγεν αὐτὸν εἰς Βαβυλῶνα·
10Zij schreven: “Hierbij zenden wij u geld; koopt voor dit geld brandoffers, zoenoffers en wierook, en richt een spijsoffer aan, om het op te dragen op het altaar van den Heer, onzen God.
10καὶ εἶπαν· ἰδοὺ ἀπεστείλαμεν πρὸς ὑμᾶς ἀργύριον, καὶ ἀγοράσατε τοῦ ἀργυρίου ὁλοκαυτώματα καὶ περὶ ἁμαρτίας καὶ λίβανον καὶ ποιήσατε μάννα καὶ ἀνοίσατε ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον Κυρίου τοῦ Θεοῦ ἡμῶν
11Bidt ook voor het welzijn van Nabukodonosor, den koning van Babel, en van zijn zoon Baltassar, opdat hun dagen even lang mogen duren als die van de hemel boven de aarde;
11καὶ προσεύξασθε περὶ τῆς ζωῆς Ναβουχοδονόσορ βασιλέως Βαβυλῶνος καὶ εἰς ζωὴν Βαλτάσαρ υἱοῦ αὐτοῦ, ἵνα ὦσιν αἱ ἡμέραι αὐτῶν ὡς αἱ ἡμέραι τοῦ οὐρανοῦ ἐπὶ τῆς γῆς.
12en opdat de Heer ons kracht moge schenken en onze ogen verlichten, om in de schaduw van Nabukodonosor, den koning van Babel, en zijn zoon Baltassar te blijven leven, hun lange tijd dienstbaar te zijn, en genade in hun ogen te vinden.
12καὶ δώσει Κύριος ἰσχὺν ἡμῖν καὶ φωτίσει τοὺς ὀφθαλμοὺς ἡμῶν, καὶ ζησόμεθα ὑπὸ τὴν σκιὰν Ναβουχοδονόσορ βασιλέως Βαβυλῶνος καὶ ὑπὸ τὴν σκιὰν Βαλτάσαρ υἱοῦ αὐτοῦ καὶ δουλεύσομεν αὐτοῖς ἡμέρας πολλὰς καὶ εὑρήσομεν χάριν ἐναντίον αὐτῶν.
13Bidt ook voor ons tot den Heer, onzen God; want wij hebben gezondigd tegen den Heer, onzen God, en de grimmige toorn des Heren is tot heden toe niet van ons afgewend.
13καὶ προσεύξασθε περὶ ἡμῶν πρὸς Κύριον τὸν Θεὸν ἡμῶν, ὅτι ἡμάρτομεν τῷ Κυρίῳ Θεῷ ἡμῶν, καὶ οὐκ ἀπέστρεψεν ὁ θυμὸς Κυρίου καὶ ἡ ὀργὴ αὐτοῦ ἀφ᾿ ἡμῶν ἕως τῆς ἡμέρας ταύτης.
14Bovendien moet gij dit boek, dat wij u ter lezing toezenden, op feestdagen en hoogtijden in het huis des Heren hardop voorlezen.”
14καὶ ἀναγνώσεσθε τὸ βιβλίον τοῦτο, ὃ ἀπεστείλαμεν πρὸς ὑμᾶς, ἐξαγορεῦσαι ἐν οἴκῳ Κυρίου ἐν ἡμέρᾳ ἑορτῆς καὶ ἐν ἡμέραις καιροῦ,
15De Heer, onze God, is rechtvaardig; maar wij moeten heden blozen van schaamte: wij, de mannen van Juda en de bewoners van Jerusalem,
15καὶ ἐρεῖτε· Τῷ Κυρίῳ Θεῷ ἡμῶν ἡ δικαιοσύνη, ἡμῖν δὲ αἰσχύνη τῶν προσώπων ὡς ἡ ἡμέρα αὕτη, ἀνθρώπῳ Ἰούδα καὶ τοῖς κατοικοῦσιν Ἱερουσαλὴμ
16met onze koningen en aanvoerders, met onze priesters en profeten, evenals onze vaderen.
16καὶ τοῖς βασιλεῦσιν ἡμῶν καὶ τοῖς ἄρχουσιν ἡμῶν καὶ τοῖς ἱερεῦσιν ἡμῶν καὶ τοῖς προφήταις ἡμῶν καὶ τοῖς πατράσιν ἡμῶν,
17Want wij hebben gezondigd tegen den Heer:
17ὧν ἡμάρτομεν ἔναντι Κυρίου
18wij bleven tegen Hem in verzet, en luisterden niet naar de stem van den Heer, onzen God, om naar de wetten des Heren te leven, die Hij ons had ge- geven.
18καὶ ἠπειθήσαμεν αὐτῷ καὶ οὐκ ἠκούσαμεν τῆς φωνῆς Κυρίου Θεοῦ ἡμῶν πορεύεσθαι τοῖς προστάγμασι Κυρίου, οἷς ἔδωκε κατὰ πρόσωπον ἡμῶν.
19Van de dag, dat de Heer onze vaders uit Egypteland heeft geleid, tot op de dag van vandaag, pleegden wij verzet tegen den Heer, onzen God, en waren wij lichtzinnig genoeg, om naar zijn stem niet te horen.
19ἀπὸ τῆς ἡμέρας, ἧς ἐξήγαγε Κύριος τοὺς πατέρας ἡμῶν ἐκ γῆς Αἰγύπτου, καὶ ἕως τῆς ἡμέρας ταύτης ἤμεθα ἀπειθοῦντες πρὸς Κύριον Θεὸν ἡμῶν καὶ ἐσχεδιάζομεν πρὸς τὸ μὴ ἀκούειν τῆς φωνῆς αὐτοῦ.
20Zo moest ons de ramp en vloek wel treffen, die de Heer door Moses, zijn dienaar, had laten verkonden op de dag, dat Hij onze vaders uit Egypteland leidde, om ons een land te geven, dat druipt van melk en honing, zoals het heden nog doet.
20καὶ ἐκολλήθη εἰς ἡμᾶς τὰ κακὰ καὶ ἡ ἀρά, ἣν συνέταξε Κύριος τῷ Μωυσῇ παιδὶ αὐτοῦ ἐν ἡμέρᾳ, ᾗ ἐξήγαγε τοὺς πατέρας ἡμῶν ἐκ γῆς Αἰγύπτου δοῦναι ἡμῖν γῆν ρέουσαν γάλα καὶ μέλι ὡς ἡ ἡμέρα αὕτη.
21Neen, wij luisterden niet naar de stem van den Heer, onzen God, ondanks alle vermaningen der profeten, die Hij ons heeft gezonden.
21καὶ οὐκ ἠκούσαμεν τῆς φωνῆς Κυρίου τοῦ Θεοῦ ἡμῶν κατὰ πάντας τοὺς λόγους τῶν προφητῶν, ὧν ἀπέστειλε πρὸς ἡμᾶς,
22Wij bleven allen de lusten volgen van ons verdorven hart, om vreemde goden te dienen, en kwaad te doen in de ogen des Heren.
22καὶ ᾠχόμεθα ἕκαστος ἐν διανοίᾳ καρδίας αὐτοῦ τῆς πονηρᾶς ἐργάζεσθαι θεοῖς ἑτέροις, ποιῆσαι τὰ κακὰ κατ᾿ ὀφθαλμοὺς Κυρίου Θεοῦ ἡμῶν.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.