Baruch 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Zij is het Boek van Gods geboden, De Wet, die voor eeuwig bestaat! Die haar behouden, verkrijgen het leven, Die haar verlaten, de dood.
1ΑΥΤΗ ἡ βίβλος τῶν προσταγμάτων τοῦ Θεοῦ καὶ ὁ νόμος ὁ ὑπάρχων εἰς τὸν αἰῶνα· πάντες οἱ κρατοῦντες αὐτὴν εἰς ζωήν, οἱ δὲ καταλείποντες αὐτὴν ἀποθανοῦνται.
2Jakob, wend u tot haar, en houd haar vast, En wandel in de glans van haar licht.
2Ἐπιστρέφου, Ἰακώβ, καὶ ἐπιλαβοῦ αὐτῆς, διόδευσον πρὸς τὴν λάμψιν κατέναντι τοῦ φωτὸς αὐτῆς.
3Geef aan anderen uw glorie niet weg, Uw voorrecht niet aan vreemde volken!
3μὴ δῷς ἑτέρῳ τὴν δόξαν σου καὶ τὰ συμφέροντά σοι ἔθνει ἀλλοτρίῳ.
4Israël, hoe zijn wij gelukkig: Want ons is bekend, wat Gode behaagt!
4μακάριοί ἐσμεν Ἰσραήλ, ὅτι τὰ ἀρεστὰ τῷ Θεῷ ἡμῖν γνωστά ἐστι.
5Houd moed, mijn volk; Israël, blijf het gedenken:
5Θαρσεῖτε λαός μου, μνημόσυνον Ἰσραήλ.
6Niet ter vernieling zijt ge aan de heidenen verkocht, Maar aan uw vijand uitgeleverd, omdat ge God hebt getart.
6ἐπράθητε τοῖς ἔθνεσιν οὐκ εἰς ἀπώλειαν, διὰ δὲ τὸ παροργίσαι ὑμᾶς τὸν Θεὸν παρεδόθητε τοῖς ὑπεναντίοις·
7Want ge hebt uw Schepper vergramd, Door aan duivels te offeren, niet aan God;
7παρωξύνατε γὰρ τὸν ποιήσαντα ὑμᾶς θύσαντες δαιμονίοις καὶ οὐ Θεῷ.
8Ge hebt den eeuwigen God vergeten, die u spijsde, Jerusalem bedroefd, die u voedde!
8ἐπελάθεσθε τὸν τροφεύσαντα ὑμᾶς Θεὸν αἰώνιον, ἐλυπήσατε δὲ καὶ τὴν ἐκθρέψασαν ὑμᾶς Ἱερουσαλήμ·
9Zo zag zij Gods gramschap over u komen, en sprak: Hoort, gij volken rond Sion: Een grote droefheid heeft God mij bereid;
9εἶδε γὰρ τὴν ἐπελθοῦσαν ὑμῖν ὀργὴν παρὰ τοῦ Θεοῦ καὶ εἶπεν· ἀκούσατε, οἱ πάροικοι Σιών, ἐπήγαγέ μοι ὁ Θεὸς πένθος μέγα·
10Want ik heb de verbanning moeten aanschouwen Van mijn zonen en dochters, Die de Eeuwige over hen heeft gebracht!
10εἶδον γὰρ τὴν αἰχμαλωσίαν τῶν υἱῶν μου καὶ τῶν θυγατέρων μου, ἣν ἐπήγαγεν αὐτοῖς ὁ αἰώνιος.
11Met vreugde heb ik ze groot gebracht; Met wenen en klagen liet ik ze gaan!
11ἔθρεψα γὰρ αὐτοὺς μετ᾿ εὐφροσύνης, ἐξαπέστειλα δὲ μετὰ κλαυθμοῦ καὶ πένθους.
12Laat niemand zich vrolijk over mij maken: Een weduwe, door zo velen verlaten, Eenzaam geworden, omdat mijn kinderen hebben gezondigd, Zijn afgeweken van Gods wet;
12μηδεὶς ἐπιχαιρέτω μοι τῇ χήρᾳ καὶ καταλειφθείσῃ ὑπὸ πολλῶν· ἠρημώθην διὰ τὰς ἁμαρτίας τῶν τέκνων μου, διότι ἐξέκλιναν ἐκ νόμου Θεοῦ,
13Omdat zij zijn rechten hebben miskend, De wegen van Gods geboden niet hebben bew andeld, De paden der tucht niet hebben betreden Volgens zijn gerechtigheid.
13δικαιώματα δὲ αὐτοῦ οὐκ ἔγνωσαν οὐδὲ ἐπορεύθησαν ὁδοῖς ἐντολῶν Θεοῦ, οὐδὲ τρίβους παιδείας ἐν δικαιοσύνη αὐτοῦ ἐπέβησαν.
14Komt, gij volken rond Sion; Denkt aan de ballingschap van mijn zonen en dochters!
14ἐλθέτωσαν αἱ πάροικοι Σιών, καὶ μνήσθητε τὴν αἰχμαλωσίαν τῶν υἱῶν μου καὶ θυγατέρων, ἣν ἐπήγαγεν αὐτοῖς ὁ αἰώνιος·
15Want Hij joeg een ver-verwijderd volk op hen af, Een schaamteloos volk, met vreemde spraak: Dat geen eerbied had voor den grijsaard, Geen medelijden met het kind,
15ἐπήγαγε γὰρ ἐπ᾿ αὐτοὺς ἔθνος μακρόθεν, ἔθνος ἀναιδὲς καὶ ἀλλόγλωσσον, οἳ οὐκ ᾐσχύνθησαν πρεσβύτην οὐδὲ παιδίον ἠλέησαν
16De lievelingen der weduwen heeft weggesleurd, De eenzame van haar dochters beroofd!
16καὶ ἀπήγαγον τοὺς ἀγαπητοὺς τῆς χήρας καὶ ἀπὸ τῶν θυγατέρων τὴν μόνην ἠρήμωσαν.
17Hoe zou ik u kunnen helpen?
17ἐγὼ δὲ τί δυνατὴ βοηθῆσαι ὑμῖν;
18Die uw onheil voltrok, redt u uit de macht van uw vijand!
18ὁ γὰρ ἐπαγαγὼν τὰ κακὰ ὑμῖν ἐξελεῖται ὑμᾶς ἐκ χειρὸς ἐχθρῶν ὑμῶν.
19Trekt weg, kinderen; ach, trekt weg; Want ik moet eenzaam achterblijven.
19βαδίζετε, τέκνα, βαδίζετε, ἐγὼ γὰρ κατελήφθην ἔρημος·
20Ik legde het kleed van vrede af, En sloeg de zak van mijn ellende om; Maar ik zal tot den Eeuwige blijven roepen, Mijn leven lang!
20ἐξεδυσάμην τὴν στολὴν τῆς εἰρήνης, ἐνεδυσάμην δὲ σάκκον τῆς δεήσεώς μου, κεκράξομαι πρὸς τὸν αἰώνιον ἐν ταῖς ἡμέραις μου.
21Kinderen, houdt moed, En roept tot God! Hij zal u redden uit het geweld En uit de macht der vijanden.
21Θαρρεῖτε, τέκνα, βοήσατε πρὸς τὸ Θεόν, καὶ ἐξελεῖται ὑμᾶς ἐκ δυναστείας, ἐκ χειρὸς ἐχθρῶν.
22Ja, ik vertrouw, dat de Eeuwige u zal bevrijden, En dat ik van den Heilige vreugde zal ontvangen, Om de ontferming, waaraan ge spoedig deelachtig zult worden, Van den Eeuwige, uw Verlosser!
22ἐγὼ γὰρ ἤλπισα ἐπὶ τῷ αἰωνίῳ τὴν σωτηρίαν ὑμῶν, καὶ ἦλθέ μοι χαρὰ παρὰ τοῦ ἁγίου ἐπὶ τῇ ἐλεημοσύνῃ, ἣ ἥξει ὑμῖν ἐν τάχει παρὰ τοῦ αἰωνίου σωτῆρος ὑμῶν.
23Met wenen en klagen liet ik u gaan, Maar God brengt u mij terug Tot eeuwige blijdschap en vreugde!
23ἐξέπεμψα γὰρ ὑμᾶς μετὰ κλαυθμοῦ καὶ πένθους, ἀποδώσει δέ μοι ὁ Θεὸς ὑμᾶς μετὰ χαρμοσύνης καὶ εὐφροσύνης εἰς τὸν αἰῶνα.
24Zoals Sions buren thans uw verbanning aanschouwen, Zo zullen ze spoedig uw verlossing zien, Die door God wordt bewerkt, Die uw deel zal worden Met grote luister en eeuwige glorie.
24ὥσπερ γὰρ νῦν ἑωράκασιν αἱ πάροικοι Σιὼν τὴν ὑμετέραν αἰχμαλωσίαν, οὕτως ὄψονται ἐν τάχει τὴν παρὰ τοῦ Θεοῦ ὑμῶν σωτηρίαν, ἣ ἐπελεύσεται ὑμῖν μετὰ δόξης μεγάλης καὶ λαμπρότητος τοῦ αἰωνίου.
25Kinderen, verdraagt dan geduldig de gramschap, Die God over u heeft uitgestort. Zeker, de vijand heeft u vervolgd, Maar spoedig zult ge zijn ondergang zien, Uw voeten zetten op zijn nek.
25τέκνα, μακροθυμήσατε τὴν παρὰ τοῦ Θεοῦ ἐπελθοῦσαν ὑμῖν ὀργήν· κατεδίωξέ σε ὁ ἐχθρός σου, καὶ ὄψει αὐτοῦ τὴν ἀπώλειαν ἐν τάχει καὶ ἐπὶ τραχήλους αὐτῶν ἐπιβήσῃ.
26Mijn tere kinderen moesten ruwe wegen begaan, Weggesleept als een kudde, Buit gemaakt door den vijand.
26οἱ τρυφεροί μου ἐπορεύθησαν ὁδοὺς τραχείας, ἤρθησαν ὡς ποίμνιον ἡρπασμένον ὑπὸ ἐχθρῶν.
27Kinderen, houdt moed, En roept tot God! Want Hij, die u dit heeft berokkend, Zal u gedenken.
27Θαρσήσατε τέκνα καὶ βοήσατε πρὸς τὸν Θεόν, ἔσται γὰρ ὑμῶν ὑπὸ τοῦ ἐπάγοντος μνεία.
28Zoals ge geneigd waart, af te dwalen van God, Zo beijvert u tienmaal meer, Hem te zoeken;
28ὥσπερ γὰρ ἐγένετο ἡ διάνοια ὑμῶν εἰς τὸ πλανηθῆναι ἀπὸ τοῦ Θεοῦ, δεκαπλασιάσατε ἐπιστραφέντες ζητῆσαι αὐτόν.
29Want Hij, die over u de rampen deed komen, Zal u redding en eeuwige vreugde verschaffen!
29ὁ γὰρ ἐπαγαγὼν ὑμῖν τὰ κακὰ ἐπάξει ὑμῖν τὴν αἰώνιον εὐφροσύνην μετὰ τῆς σωτηρίας ὑμῶν.
30Jerusalem, houd moed; Die u zijn naam gaf, zal u troosten!
30Θάρσει Ἱερουσαλήμ, παρακαλέσει σε ὁ ὀνομάσας σε.
31Maar wee over hen, die u hebben mishandeld, En zich verheugden over uw val.
31δείλαιοι οἱ σὲ κακώσαντες καὶ ἐπιχαρέντες τῇ σῇ πτώσει,
32Wee over de steden, Waaraan uw kinderen dienstbaar werden; Wee over haar, Die uw zonen in ballingschap nam.
32δείλαιαι αἱ πόλεις, αἷς ἐδούλευσαν τὰ τέκνα σου, δειλαία ἡ δεξαμένη τοὺς υἱούς σου.
33Waarachtig, zoals ze zich over uw val heeft verheugd, En over uw ondergang zich vrolijk gemaakt, Zo zal zij jammeren Over haar eigen verwoesting.
33ὥσπερ γὰρ ἐχάρη ἐπὶ τῇ σῇ πτώσει καὶ εὐφράνθη ἐπὶ τῷ πτώματί σου, οὕτως λυπηθήσεται ἐπὶ τῇ ἑαυτῆς ἐρημίᾳ.
34Ik zal haar de vreugde over haar grote bevolking ontnemen, En haar trots zal in droefheid vergaan;
34καὶ περιελῶ αὐτῆς τὸ ἀγαλλίαμα τῆς πολυοχλίας καὶ τὸ ἀγαυρίαμα αὐτῆς ἔσται εἰς πένθος.
35Want de Eeuwige stort vuur op haar uit in lengte van dagen, Door duivels zal zij worden bewoond, lange tijd!
35πῦρ γὰρ ἐπελεύσεται αὐτῇ παρὰ τοῦ αἰωνίου εἰς ἡμέρας μακράς, καὶ κατοικηθήσεται ὑπὸ δαιμονίων τὸν πλείονα χρόνον.
36Jerusalem, sla uw ogen op naar het oosten, En aanschouw de vreugde, die God u zendt!
36Περίβλεψον πρὸς ἀνατολάς, Ἱερουσαλήμ, καὶ ἴδε τὴν εὐφροσύνην τὴν παρὰ τοῦ Θεοῦ σοι ἐρχομένην.
37Zie daar komen uw zonen, Die gij moest laten vertrekken; Daar komen zij van de opgang der zon Tot haar ondergang, Bijeengebracht door het woord van den Heilige, Stralend van vreugde door de glorie van God!
37ἰδοὺ ἔρχονται οἱ υἱοί σου, οὓς ἐξαπέστειλας, ἔρχονται συνηγμένοι ἀπὸ ἀνατολῶν ἕως δυσμῶν τῷ ρήματι τοῦ ἁγίου χαίροντες τῇ τοῦ Θεοῦ δόξῃ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.