Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Zij is het Boek van Gods geboden, De Wet, die voor eeuwig bestaat! Die haar behouden, verkrijgen het leven, Die haar verlaten, de dood.
1[Hic liber mandatorum Dei, et lex quæ est in æternum: omnes qui tenent eam pervenient ad vitam: qui autem dereliquerunt eam, in mortem.
2Jakob, wend u tot haar, en houd haar vast, En wandel in de glans van haar licht.
2Convertere, Jacob, et apprehende eam: ambula per viam ad splendorem ejus contra lumen ejus.
3Geef aan anderen uw glorie niet weg, Uw voorrecht niet aan vreemde volken!
3Ne tradas alteri gloriam tuam, et dignitatem tuam genti alienæ.
4Israël, hoe zijn wij gelukkig: Want ons is bekend, wat Gode behaagt!
4Beati sumus, Israël, quia quæ Deo placent manifesta sunt nobis.]
5Houd moed, mijn volk; Israël, blijf het gedenken:
5[Animæquior esto, populus Dei, memorabilis Israël:
6Niet ter vernieling zijt ge aan de heidenen verkocht, Maar aan uw vijand uitgeleverd, omdat ge God hebt getart.
6venundati estis gentibus non in perditionem: sed propter quod in ira ad iracundiam provocastis Deum, traditi estis adversariis.
7Want ge hebt uw Schepper vergramd, Door aan duivels te offeren, niet aan God;
7Exacerbastis enim eum qui fecit vos, Deum æternum, immolantes dæmoniis, et non Deo.
8Ge hebt den eeuwigen God vergeten, die u spijsde, Jerusalem bedroefd, die u voedde!
8Obliti enim estis Deum qui nutrivit vos, et contristastis nutricem vestram Jerusalem.
9Zo zag zij Gods gramschap over u komen, en sprak: Hoort, gij volken rond Sion: Een grote droefheid heeft God mij bereid;
9Vidit enim iracundiam a Deo venientem vobis, et dixit: Audite, confines Sion: adduxit enim mihi Deus luctum magnum.
10Want ik heb de verbanning moeten aanschouwen Van mijn zonen en dochters, Die de Eeuwige over hen heeft gebracht!
10Vidi enim captivitatem populi mei, filiorum meorum et filiarum, quam superduxit illis Æternus.
11Met vreugde heb ik ze groot gebracht; Met wenen en klagen liet ik ze gaan!
11Nutrivi enim illos cum jucunditate; dimisi autem illos cum fletu et luctu.
12Laat niemand zich vrolijk over mij maken: Een weduwe, door zo velen verlaten, Eenzaam geworden, omdat mijn kinderen hebben gezondigd, Zijn afgeweken van Gods wet;
12Nemo gaudeat super me viduam et desolatam: a multis derelicta sum propter peccata filiorum meorum, quia declinaverunt a lege Dei.
13Omdat zij zijn rechten hebben miskend, De wegen van Gods geboden niet hebben bew andeld, De paden der tucht niet hebben betreden Volgens zijn gerechtigheid.
13Justitias autem ipsius nescierunt, nec ambulaverunt per vias mandatorum Dei, neque per semitas veritatis ejus cum justitia ingressi sunt.
14Komt, gij volken rond Sion; Denkt aan de ballingschap van mijn zonen en dochters!
14Veniant confines Sion, et memorentur captivitatem filiorum et filiarum mearum, quam superduxit illis Æternus.
15Want Hij joeg een ver-verwijderd volk op hen af, Een schaamteloos volk, met vreemde spraak: Dat geen eerbied had voor den grijsaard, Geen medelijden met het kind,
15Adduxit enim super illos gentem de longinquo, gentem improbam, et alterius linguæ,
16De lievelingen der weduwen heeft weggesleurd, De eenzame van haar dochters beroofd!
16qui non sunt reveriti senem, neque puerorum miserti sunt, et abduxerunt dilectos viduæ, et a filiis unicam desolaverunt.
17Hoe zou ik u kunnen helpen?
17Ego autem, quid possum adjuvare vos?
18Die uw onheil voltrok, redt u uit de macht van uw vijand!
18qui enim adduxit super vos mala, ipse vos eripiet de manibus inimicorum vestrorum.
19Trekt weg, kinderen; ach, trekt weg; Want ik moet eenzaam achterblijven.
19Ambulate, filii, ambulate: ego enim derelicta sum sola.
20Ik legde het kleed van vrede af, En sloeg de zak van mijn ellende om; Maar ik zal tot den Eeuwige blijven roepen, Mijn leven lang!
20Exui me stola pacis, indui autem me sacco obsecrationis, et clamabo ad Altissimum in diebus meis.
21Kinderen, houdt moed, En roept tot God! Hij zal u redden uit het geweld En uit de macht der vijanden.
21Animæquiores estote, filii; clamate ad Dominum, et eripiet vos de manu principum inimicorum.
22Ja, ik vertrouw, dat de Eeuwige u zal bevrijden, En dat ik van den Heilige vreugde zal ontvangen, Om de ontferming, waaraan ge spoedig deelachtig zult worden, Van den Eeuwige, uw Verlosser!
22Ego enim speravi in æternum salutem vestram, et venit mihi gaudium a Sancto, super misericordia quæ veniet vobis ab æterno salutari nostro.
23Met wenen en klagen liet ik u gaan, Maar God brengt u mij terug Tot eeuwige blijdschap en vreugde!
23Emisi enim vos cum luctu et ploratu: reducet autem vos mihi Dominus cum gaudio et jucunditate in sempiternum.
24Zoals Sions buren thans uw verbanning aanschouwen, Zo zullen ze spoedig uw verlossing zien, Die door God wordt bewerkt, Die uw deel zal worden Met grote luister en eeuwige glorie.
24Sicut enim viderunt vicinæ Sion captivitatem vestram a Deo, sic videbunt et in celeritate salutem vestram a Deo, quæ superveniet vobis cum honore magno et splendore æterno.
25Kinderen, verdraagt dan geduldig de gramschap, Die God over u heeft uitgestort. Zeker, de vijand heeft u vervolgd, Maar spoedig zult ge zijn ondergang zien, Uw voeten zetten op zijn nek.
25Filii, patienter sustinete iram quæ supervenit vobis: persecutus est enim te inimicus tuus: sed cito videbis perditionem ipsius, et super cervices ipsius ascendes.
26Mijn tere kinderen moesten ruwe wegen begaan, Weggesleept als een kudde, Buit gemaakt door den vijand.
26Delicati mei ambulaverunt vias asperas: ducti sunt enim ut grex direptus ab inimicis.
27Kinderen, houdt moed, En roept tot God! Want Hij, die u dit heeft berokkend, Zal u gedenken.
27Animæquiores estote, filii, et proclamate ad Dominum: erit enim memoria vestra ab eo qui duxit vos.
28Zoals ge geneigd waart, af te dwalen van God, Zo beijvert u tienmaal meer, Hem te zoeken;
28Sicut enim fuit sensus vester ut erraretis a Deo, decies tantum iterum convertentes requiretis eum:
29Want Hij, die over u de rampen deed komen, Zal u redding en eeuwige vreugde verschaffen!
29qui enim induxit vobis mala, ipse rursum adducet vobis sempiternam jucunditatem cum salute vestra.]
30Jerusalem, houd moed; Die u zijn naam gaf, zal u troosten!
30[Animæquior esto, Jerusalem: exhortatur enim te, qui te nominavit.
31Maar wee over hen, die u hebben mishandeld, En zich verheugden over uw val.
31Nocentes peribunt, qui te vexaverunt: et qui gratulati sunt in tua ruina, punientur.
32Wee over de steden, Waaraan uw kinderen dienstbaar werden; Wee over haar, Die uw zonen in ballingschap nam.
32Civitates quibus servierunt filii tui, punientur, et quæ accepit filios tuos.
33Waarachtig, zoals ze zich over uw val heeft verheugd, En over uw ondergang zich vrolijk gemaakt, Zo zal zij jammeren Over haar eigen verwoesting.
33Sicut enim gavisa est in tua ruina, et lætata est in casu tuo, sic contristabitur in sua desolatione,
34Ik zal haar de vreugde over haar grote bevolking ontnemen, En haar trots zal in droefheid vergaan;
34et amputabitur exsultatio multitudinis ejus, et gaudimonium ejus erit in luctum.
35Want de Eeuwige stort vuur op haar uit in lengte van dagen, Door duivels zal zij worden bewoond, lange tijd!
35Ignis enim superveniet ei ab Æterno in longiturnis diebus, et habitabitur a dæmoniis in multitudine temporis.
36Jerusalem, sla uw ogen op naar het oosten, En aanschouw de vreugde, die God u zendt!
36Circumspice, Jerusalem, ad orientem, et vide jucunditatem a Deo tibi venientem.
37Zie daar komen uw zonen, Die gij moest laten vertrekken; Daar komen zij van de opgang der zon Tot haar ondergang, Bijeengebracht door het woord van den Heilige, Stralend van vreugde door de glorie van God!
37Ecce enim veniunt filii tui, quos dimisisti dispersos: veniunt collecti ab oriente usque ad occidentem, in verbo Sancti, gaudentes in honorem Dei.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.