Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Afschrift van de brief, die Jeremias gericht heeft aan hen, die op het punt stonden, door den koning der Babyloniërs in ballingschap naar Babel te worden gebracht, om hun te verkonden, wat hem door God was gelast.
1Propter peccata quæ peccastis ante Deum, abducemini in Babyloniam captivi a Nabuchodonosor rege Babylonis.
2Om de zonden, die gij tegen God hebt bedreven, wordt gij door Nabukodonosor, den koning der Babyloniërs, in ballingschap naar Babel gebracht.
2Ingressi itaque in Babylonem, eritis ibi annis plurimis, et temporibus longis, usque ad generationes septem: post hoc autem educam vos inde cum pace.
3En wanneer ge in Babel zijt aangekomen, zult ge daar vele jaren en lange tijd verblijven, gedurende zeven geslachten; maar dan breng Ik u vandaar in vrede terug.
3Nunc autem videbitis in Babylonia deos aureos et argenteos, et lapideos et ligneos, in humeris portari, ostentantes metum gentibus.
4Nu zult ge in Babel zilveren, gouden en houten goden aanschouwen, die op de schouders worden rondgedragen, en die de heidenen vrees aanjagen.
4Videte ergo ne et vos similes efficiamini factis alienis, et metuatis, et metus vos capiat in ipsis.
5Zorgt er dan voor, dat ge die onbesnedenen niet navolgt, en dat ook gij ze niet vreest,
5Visa itaque turba de retro et ab ante, adorantes dicite in cordibus vestris: Te oportet adorari, Domine.
6wanneer ge ziet, hoe de drommen, die hen vooruitgaan en volgen, hen aanbidden. Neen, ge moet bij uzelve zeggen: U moet men aanbidden, o Heer!
6Angelus enim meus vobiscum est: ipse autem exquiram animas vestras.
7Want mijn engel is in uw midden, die het op u wreken zal.
7Nam lingua ipsorum polita a fabro; ipsa etiam inaurata et inargentata: falsa sunt, et non possunt loqui.
8Want hun tong is door een werkman glad gepolijst, en al zijn ze met goud en zilver overtrokken, ze blijven een leugen, en kunnen niet spreken.
8Et sicut virgini amanti ornamenta, ita accepto auro fabricati sunt.
9Als voor een pronkerig meisje neemt men goud,
9Coronas certe aureas habent super capita sua dii illorum: unde subtrahunt sacerdotes ab eis aurum et argentum, et erogant illud in semetipsos.
10om er kronen van te maken voor de hoofden van hun goden; zo de priesters tenminste hun goden niet van het goud en zilver beroven, en het voor zichzelf behouden,
10Dant autem et ex ipso prostitutis, et meretrices ornant: et iterum cum receperint illud a meretricibus, ornant deos suos.
11of er de hoeren van geven in de bordelen. Dan trekken zij die zilveren, gouden en houten goden als mensen mooie kleren aan;
11Hi autem non liberantur ab ærugine et tinea.
12maar daardoor zijn ze nog niet bestand tegen roest en mot. En al zijn ze in purper gestoken,
12Opertis autem illis veste purpurea, extergunt faciem ipsorum propter pulverem domus qui est plurimus inter eos.
13toch moeten ze hun gezicht laten wassen van het stof van de tempel, dat er vingerdik op ligt.
13Sceptrum autem habet ut homo, sicut judex regionis, qui in se peccantem non interficit.
14Dan heeft hij nog een schepter als een plattelandsrechter, die niet eens kan doden, die zich tegen hem vergrijpt.
14Habet etiam in manu gladium et securim, se autem de bello et a latronibus non liberat. Unde vobis notum sit quia non sunt dii:
15Ook draagt hij in zijn rechterhand een zwaard en een bijl, maar hij kan zich tegen vijand noch rovers verweren. Zo is het duidelijk, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
15non ergo timueritis eos. Sicut enim vas hominis confractum inutile efficitur, tales sunt et dii illorum.
16Zoals een schotel iemand nergens toe dient, als hij stuk is,
16Constitutis illis in domo, oculi eorum pleni sunt pulvere a pedibus introëuntium.
17zo is het ook met hun goden gesteld. Wanneer ze in hun tempels staan, raken hun ogen vol stof, opgejaagd door de voeten van hen die binnenkomen;
17Et sicut alicui qui regem offendit circumseptæ sunt januæ, aut sicut ad sepulchrum adductum mortuum: ita tutantur sacerdotes ostia clausuris et seris, ne a latronibus expolientur.
18en zoals men voor iemand, die majesteitsschennis bedreef en ter dood is veroordeeld, aan alle kanten de gevangenis afsluit, zo sluiten de priesters ze in hun tempels op achter deuren, sloten en balken, opdat ze niet door rovers worden gestolen.
18Lucernas accendunt illis, et quidem multas, ex quibus nullam videre possunt: sunt autem sicut trabes in domo.
19Dan steken ze veel licht voor hen aan, ofschoon niemand hunner kan zien.
19Corda vero eorum dicunt elingere serpentes qui de terra sunt, dum comedunt eos, et vestimentum ipsorum, et non sentiunt.
20Ze lijken op balken in de tempel, wier hart wordt weggevreten, zoals men dat zegt; ze merken niet eens, wanneer ze met kleren en al door wormen uit de aarde worden weggeknaagd.
20Nigræ fiunt facies eorum a fumo qui in domo fit.
21Hun gezicht wordt zwart van de rook in de tempel;
21Supra corpus eorum et supra caput eorum volant noctuæ, et hirundines, et aves etiam, similiter et cattæ.
22op hun lijf en hun hoofd fladderen vleermuizen, zwaluwen en andere vogels; ook de katten springen er op.
22Unde sciatis quia non sunt dii: ne ergo timueritis eos.
23Zo kunt ge zien, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
23Aurum etiam quod habent ad speciem est: nisi aliquis exterserit æruginem, non fulgebunt: neque enim dum conflarentur, sentiebant.
24Wanneer men de roest niet wegpoetst van het goud, waarmee ze zijn opgesmukt, dan blinken ze niet; ze voelen het niet eens, wanneer ze worden gegoten.
24Ex omni pretio empta sunt, in quibus spiritus non inest ipsis.
25En ofschoon ze geen levensadem hebben, worden ze voor de duurste prijs gekocht.
25Sine pedibus, in humeris portantur, ostentantes ignobilitatem suam hominibus: confundantur etiam qui colunt ea.
26Ze hebben geen voeten, en moeten op de schouders worden gedragen; zo laten zij de mensen hun nietigheid zien; maar ook die ze dienen, moeten zich schamen.
26Propterea si ceciderint in terram, a semetipsis non consurgunt: neque si quis eum statuerit rectum, per semetipsum stabit: sed sicut mortuis munera eorum illis apponentur.
27En wanneer er dan een op de grond valt, kan hij uit zichzelf niet meer opstaan; wanneer iemand hem overeind heeft gezet, beweegt hij zich niet; wanneer hij scheef staat, komt hij niet recht. Neen, als aan doden zet men hun offergaven voor;
27Hostias illorum vendunt sacerdotes ipsorum, et abutuntur: similiter et mulieres eorum decerpentes, neque infirmo, neque mendicanti, aliquid impertiunt.
28hun priesters verkopen hun offers voor eigen gewin, of de vrouwen pekelen ze in, zonder er iets aan de armen en behoeftigen van te geven;
28De sacrificiis eorum fœtæ et menstruatæ contingunt. Sciens itaque ex his quia non sunt dii, ne timeatis eos.
29en vrouwen in maandstonden en bij bevalling raken ze aan. Zo weet ge, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
29Unde enim vocantur dii? quia mulieres apponunt diis argenteis, et aureis, et ligneis:
30Hoe kan men ze dan nog goden noemen? Vrouwen zetten die zilveren, gouden en houten goden spijzen voor;
30et in domibus eorum sacerdotes sedent habentes tunicas scissas, et capita et barbam rasam, quorum capita nuda sunt.
31de priesters lopen in hun tempels rond met gescheurde kleren geschoren hoofden en baarden, het hoofd onbedekt,
31Rugiunt autem clamantes contra deos suos sicut in cœna mortui.
32en huilen en gillen voor hun goden, zoals men dat doet bij een dodenmaal;
32Vestimenta eorum auferunt sacerdotes, et vestiunt uxores suas et filios suos.
33de priesters nemen hun de kleren af, en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen.
33Neque si quid mali patiuntur ab aliquo, neque si quid boni, poterunt retribuere: neque regem constituere possunt, neque auferre.
34Of ze van iemand kwaad of goed ondervinden, ze zijn niet in staat, het te vergelden. Ze kunnen een koning aanstellen noch afzetten;
34Similiter neque dare divitias possunt, neque malum retribuere. Si quis illis votum voverit et non reddiderit, neque hoc requirunt.
35evenmin kunnen ze rijkdom schenken of geld. Wanneer iemand hun een gelofte doet, die hij niet houdt, kunnen ze niet straffen.
35Hominem a morte non liberant, neque infirmum a potentiori eripiunt.
36Ze redden geen mens van de dood, en bevrijden geen zwakke uit de macht van den sterke.
36Hominem cæcum ad visum non restituunt; de necessitate hominem non liberabunt.
37Een blinde geven ze het gezicht niet terug; die in nood verkeert, helpen ze niet.
37Viduæ non miserebuntur, neque orphanis benefacient.
38Over een weduwe weten ze zich niet te ontfermen, voor een wees niet te zorgen.
38Lapidibus de monte similes sunt dii illorum, lignei, et lapidei, et aurei, et argentei: qui autem colunt ea, confundentur.
39Neen, ze lijken op steenklompen uit de bergen, die houten, vergulde en verzilverde maaksels; en die ze dienen, moeten zich schamen.
39Quomodo ergo æstimandum est aut dicendum illos esse deos?
40Hoe kan men dan menen en zeggen, dat ze goden zijn?
40Adhuc enim ipsis Chaldæis non honorantibus ea: qui cum audierint mutum non posse loqui, offerunt illud ad Bel, postulantes ab eo loqui:
41De Chaldeën zelf onteren ze. Want wanneer ze een stomme zien, die niet kan spreken, dan halen ze Bel, en vragen hem, dat hij den stomme laat spreken, alsof hij iets kon verstaan.
41quasi possint sentire qui non habent motum ! Et ipsi, cum intellexerint, relinquent ea: sensum enim non habent ipsi dii illorum.
42En ofschoon ze het tegendeel weten, houden zij er toch niet mee op, omdat ze te dom zijn.
42Mulieres autem circumdatæ funibus in viis sedent, succendentes ossa olivarum:
43De vrouwen zitten, met strikken omhangen, langs de wegen, zemelen te branden.
43cum autem aliqua ex ipsis, attracta ab aliquo transeunte, dormierit cum eo, proximæ suæ exprobrat quod ea non sit digna habita, sicut ipsa, neque funis ejus diruptus sit.
44Zo dikwijls dan een van haar door een voorbijganger is meegenomen, en gemeenschap met hem heeft gehad, hoont ze haar buurvrouw, omdat die dezelfde eer nog niet heeft genoten, en haar strikken nog niet zijn verscheurd.
44Omnia autem quæ illi fiunt, falsa sunt: quomodo æstimandum aut dicendum est illos esse deos?
45Leugen is al wat er voor hen gebeurt. Hoe kan men dan menen en zeggen, dat ze goden zijn?
45A fabris autem et ab aurificibus facta sunt: nihil aliud erunt, nisi id quod volunt esse sacerdotes.
46Ze worden door werklui en goudsmeden gemaakt, en kunnen niets anders worden, dan de werklieden er van willen maken.
46Artifices etiam ipsi, qui ea faciunt, non sunt multi temporis: numquid ergo possunt ea, quæ fabricata sunt ab ipsis, esse dii?
47Welnu, die ze maken, worden niet oud;
47Reliquerunt autem falsa et opprobrium postea futuris.
48hoe zou het dan anders gaan met hun maaksel? Zo laten ze hun nageslacht enkel ontgoocheling achter, en smaad.
48Nam cum supervenerit illis prælium et mala, cogitant sacerdotes apud se ubi se abscondant cum illis.
49Want als er oorlog of onheil over hen losbarst, beraadslagen de priesters onder elkander, waar zich met hen te verschuilen.
49Quomodo ergo sentiri debeant quoniam dii sunt, qui nec de bello se liberant, neque de malis se eripiunt?
50Hoe is het dan mogelijk, dat men niet inziet, dat ze geen goden kunnen zijn, daar ze zichzelf niet kunnen redden uit oorlog en onheil?
50Nam cum sint lignea, inaurata et inargentata, scietur postea quia falsa sunt ab universis gentibus et regibus: quæ manifesta sunt quia non sunt dii, sed opera manuum hominum, et nullum Dei opus cum illis.
51Maar tenslotte zal men erkennen, dat die houten, vergulde en verzilverde maaksels leugen zijn; alle volken en koningen zal het duidelijk worden, dat ze geen goden zijn, maar enkel maaksel van mensenhanden, en dat men bij hen geen goddelijke daden moet zoeken.
51Unde ergo notum est quia non sunt dii, sed opera manuum hominum, et nullum Dei opus in ipsis est.
52Wie wil dan nog een bewijs, dat ze geen goden zijn?
52Regem regioni non suscitant, neque pluviam hominibus dabunt.
53Ze stellen over een land geen koning aan, noch kunnen ze de mensen een heerser geven.
53Judicium quoque non discernent, neque regiones liberabunt ab injuria, quia nihil possunt, sicut corniculæ inter medium cæli et terræ.
54Ze zijn niet in staat, hun recht te verschaffen, noch hen voor onrecht te hoeden.
54Etenim cum inciderit ignis in domum deorum ligneorum, argenteorum et aureorum, sacerdotes quidem ipsorum fugient, et liberabuntur: ipsi vero sicut trabes in medio comburentur.
55Ze lijken op kraaien tussen hemel en aarde. Want als er brand uitbreekt in de tempel van die houten, vergulde en verzilverde goden, dan slaan wel de priesters op de vlucht en worden gered, maar zelf branden ze als balken middendoor.
55Regi autem et bello non resistent. Quomodo ergo æstimandum est aut recipiendum quia dii sunt?
56Ook koningen en vijanden kunnen ze geen weerstand bieden.
56Non a furibus, neque a latronibus se liberabunt dii lignei, et lapidei, et inaurati, et inargentati: quibus hi qui fortiores sunt,
57Hoe kan men dan aannemen of denken, dat zij goden zijn! Ook voor dieven en rovers zijn die houten, verzilverde en vergulde goden niet veilig.
57aurum et argentum, et vestimentum quo operti sunt, auferent illis, et abibunt, nec sibi auxilium ferent.
58Die zijn hun de baas, stelen het goud en het zilver, en gaan aan de haal met de kleren, waarmee ze bekleed zijn, zonder dat ze zich kunnen verdedigen.
58Itaque melius est esse regem ostentantem virtutem suam, aut vas in domo utile, in quo gloriabitur qui possidet illud, vel ostium in domo, quod custodit quæ in ipsa sunt, quam falsi dii.
59Daarom is een koning die zijn macht kan tonen, of nuttig huisraad waarvan de eigenaar zich kan bedienen, er beter aan toe dan die valse goden; of een huisdeur, die wat binnen is beveiligt, er beter aan toe dan die valse goden; of een houten zuil in het koninklijk paleis er beter aan toe dan die valse goden.
59Sol quidem et luna ac sidera, cum sint splendida et emissa ad utilitates, obaudiunt:
60De zon, de maan en de sterren, hoe mooi zij ook glanzen, moeten gehoorzamen en op hun post blijven staan tot nut van de mensen.
60similiter et fulgur cum apparuerit, perspicuum est: idipsum autem et spiritus in omni regione spirat:
61Ook de bliksem is mooi, als hij flikkert; ook de wind, die over alle landen waait.
61et nubes, quibus cum imperatum fuerit a Deo perambulare universum orbem, perficiunt quod imperatum est eis:
62En als God de wolken gebiedt, over heel de aarde te trekken, dan volbrengen zij het bevel;
62ignis etiam missus desuper, ut consumat montes et silvas, facit quod præceptum est ei: hæc autem neque speciebus, neque virtutibus, uni eorum similia sunt.
63ook het vuur, van boven gezonden om bergen en wouden te verteren, volbrengt het bevel. Maar die maaksels evenaren hen in schoonheid noch kracht.
63Unde neque existimandum est, neque dicendum illos esse deos, quando non possunt neque judicium judicare, neque quidquam facere hominibus.
64Daarom mag men denken noch zeggen, dat ze goden zijn; want ze hebben geen macht om te richten, of goed te doen aan de mensen.
64Scientes itaque quia non sunt dii, ne ergo timueritis eos.
65Zo weet ge, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
65Neque enim regibus maledicent, neque benedicent.
66De koningen kunnen zij vloeken noch zegenen;
66Signa etiam in cælo gentibus non ostendunt: neque ut sol lucebunt, neque illuminabunt ut luna.
67de volkeren geen tekens geven aan de hemel, niet eens stralen als de zon, of glans verspreiden als de maan.
67Bestiæ meliores sunt illis, quæ possunt fugere sub tectum ac prodesse sibi.
68De dieren zijn er beter aan toe; die kunnen naar een schuilplaats vluchten, en zichzelf tenminste nog redden.
68Nullo itaque modo nobis est manifestum quia sunt dii: propter quod ne timeatis eos.
69Zo is het onder ieder opzicht klaar, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
69Nam sicut in cucumerario formido nihil custodit, ita sunt dii illorum lignei, et argentei, et inaurati.
70Die houten, vergulde en verzilverde goden be- veiligen evenmin als een vogelverschrikker op een veld met komkommers,
70Eodem modo et in horto spina alba, supra quam omnis avis sedet, similiter et mortuo projecto in tenebris, similes sunt dii illorum lignei, et inaurati, et inargentati.
71of een doornhaag om een tuin, waarop alle vogels gaan zitten. Ook gelijken hun houten, vergulde en verzilverde goden op lijken, die men in de duisternis werpt;
71A purpura quoque et murice, quæ supra illos tineant, scietis itaque quia non sunt dii: ipsi etiam postremo comeduntur, et erunt opprobrium in regione.
72aan het purper en lijnwaad 8, dat op hen ligt te rotten, kan men erkennen, dat ze geen goden zijn; tenslotte worden zij zelf weggevreten, en worden een schande voor het land.
72Melior est homo justus qui non habet simulacra, nam erit longe ab opprobriis.
73De rechtvaardige, die geen goden bezit, is er dus beter aan toe; want hij blijft van schande bevrijd!
no verse 73 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.