Baruch 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Afschrift van de brief, die Jeremias gericht heeft aan hen, die op het punt stonden, door den koning der Babyloniërs in ballingschap naar Babel te worden gebracht, om hun te verkonden, wat hem door God was gelast.
1A copy of an epistle, which Jeremy sent unto them which were to be led captives into Babylon by the king of the Babylonians, to certify them, as it was commanded him of God.
2Om de zonden, die gij tegen God hebt bedreven, wordt gij door Nabukodonosor, den koning der Babyloniërs, in ballingschap naar Babel gebracht.
2Because of the sins which ye have committed before God, ye shall be led away captives into Babylon by Nabuchodonosor king of the Babylonians.
3En wanneer ge in Babel zijt aangekomen, zult ge daar vele jaren en lange tijd verblijven, gedurende zeven geslachten; maar dan breng Ik u vandaar in vrede terug.
3So when ye be come unto Babylon, ye shall remain there many years, and for a long season, namely, seven generations: and after that I will bring you away peaceably from thence.
4Nu zult ge in Babel zilveren, gouden en houten goden aanschouwen, die op de schouders worden rondgedragen, en die de heidenen vrees aanjagen.
4Now shall ye see in Babylon gods of silver, and of gold, and of wood, borne upon shoulders, which cause the nations to fear.
5Zorgt er dan voor, dat ge die onbesnedenen niet navolgt, en dat ook gij ze niet vreest,
5Beware therefore that ye in no wise be like to strangers, neither be ye afraid of them, when ye see the multitude before them and behind them, worshipping them.
6wanneer ge ziet, hoe de drommen, die hen vooruitgaan en volgen, hen aanbidden. Neen, ge moet bij uzelve zeggen: U moet men aanbidden, o Heer!
6But say ye in your hearts, O Lord, we must worship thee.
7Want mijn engel is in uw midden, die het op u wreken zal.
7For mine angel is with you, and I myself caring for your souls.
8Want hun tong is door een werkman glad gepolijst, en al zijn ze met goud en zilver overtrokken, ze blijven een leugen, en kunnen niet spreken.
8As for their tongue, it is polished by the workman, and they themselves are gilded and laid over with silver; yet are they but false, and cannot speak.
9Als voor een pronkerig meisje neemt men goud,
9And taking gold, as it were for a virgin that loveth to go gay, they make crowns for the heads of their gods.
10om er kronen van te maken voor de hoofden van hun goden; zo de priesters tenminste hun goden niet van het goud en zilver beroven, en het voor zichzelf behouden,
10Sometimes also the priests convey from their gods gold and silver, and bestow it upon themselves.
11of er de hoeren van geven in de bordelen. Dan trekken zij die zilveren, gouden en houten goden als mensen mooie kleren aan;
11Yea, they will give thereof to the common harlots, and deck them as men with garments, being gods of silver, and gods of gold, and wood.
12maar daardoor zijn ze nog niet bestand tegen roest en mot. En al zijn ze in purper gestoken,
12Yet cannot these gods save themselves from rust and moth, though they be covered with purple raiment.
13toch moeten ze hun gezicht laten wassen van het stof van de tempel, dat er vingerdik op ligt.
13They wipe their faces because of the dust of the temple, when there is much upon them.
14Dan heeft hij nog een schepter als een plattelandsrechter, die niet eens kan doden, die zich tegen hem vergrijpt.
14And he that cannot put to death one that offendeth him holdeth a sceptre, as though he were a judge of the country.
15Ook draagt hij in zijn rechterhand een zwaard en een bijl, maar hij kan zich tegen vijand noch rovers verweren. Zo is het duidelijk, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
15He hath also in his right hand a dagger and an ax: but cannot deliver himself from war and thieves.
16Zoals een schotel iemand nergens toe dient, als hij stuk is,
16Whereby they are known not to be gods: therefore fear them not.
17zo is het ook met hun goden gesteld. Wanneer ze in hun tempels staan, raken hun ogen vol stof, opgejaagd door de voeten van hen die binnenkomen;
17For like as a vessel that a man useth is nothing worth when it is broken; even so it is with their gods: when they be set up in the temple, their eyes be full of dust through the feet of them that come in.
18en zoals men voor iemand, die majesteitsschennis bedreef en ter dood is veroordeeld, aan alle kanten de gevangenis afsluit, zo sluiten de priesters ze in hun tempels op achter deuren, sloten en balken, opdat ze niet door rovers worden gestolen.
18And as the doors are made sure on every side upon him that offendeth the king, as being committed to suffer death: even so the priests make fast their temples with doors, with locks, and bars, lest their gods be spoiled with robbers.
19Dan steken ze veel licht voor hen aan, ofschoon niemand hunner kan zien.
19They light them candles, yea, more than for themselves, whereof they cannot see one.
20Ze lijken op balken in de tempel, wier hart wordt weggevreten, zoals men dat zegt; ze merken niet eens, wanneer ze met kleren en al door wormen uit de aarde worden weggeknaagd.
20They are as one of the beams of the temple, yet they say their hearts are gnawed upon by things creeping out of the earth; and when they eat them and their clothes, they feel it not.
21Hun gezicht wordt zwart van de rook in de tempel;
21Their faces are blacked through the smoke that cometh out of the temple.
22op hun lijf en hun hoofd fladderen vleermuizen, zwaluwen en andere vogels; ook de katten springen er op.
22Upon their bodies and heads sit bats, swallows, and birds, and the cats also.
23Zo kunt ge zien, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
23By this ye may know that they are no gods: therefore fear them not.
24Wanneer men de roest niet wegpoetst van het goud, waarmee ze zijn opgesmukt, dan blinken ze niet; ze voelen het niet eens, wanneer ze worden gegoten.
24Notwithstanding the gold that is about them to make them beautiful, except they wipe off the rust, they will not shine: for neither when they were molten did they feel it.
25En ofschoon ze geen levensadem hebben, worden ze voor de duurste prijs gekocht.
25The things wherein there is no breath are bought for a most high price.
26Ze hebben geen voeten, en moeten op de schouders worden gedragen; zo laten zij de mensen hun nietigheid zien; maar ook die ze dienen, moeten zich schamen.
26They are borne upon shoulders, having no feet whereby they declare unto men that they be nothing worth.
27En wanneer er dan een op de grond valt, kan hij uit zichzelf niet meer opstaan; wanneer iemand hem overeind heeft gezet, beweegt hij zich niet; wanneer hij scheef staat, komt hij niet recht. Neen, als aan doden zet men hun offergaven voor;
27They also that serve them are ashamed: for if they fall to the ground at any time, they cannot rise up again of themselves: neither, if one set them upright, can they move of themselves: neither, if they be bowed down, can they make themselves straight: but they set gifts before them as unto dead men.
28hun priesters verkopen hun offers voor eigen gewin, of de vrouwen pekelen ze in, zonder er iets aan de armen en behoeftigen van te geven;
28As for the things that are sacrificed unto them, their priests sell and abuse; in like manner their wives lay up part thereof in salt; but unto the poor and impotent they give nothing of it.
29en vrouwen in maandstonden en bij bevalling raken ze aan. Zo weet ge, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
29Menstruous women and women in childbed eat their sacrifices: by these things ye may know that they are no gods: fear them not.
30Hoe kan men ze dan nog goden noemen? Vrouwen zetten die zilveren, gouden en houten goden spijzen voor;
30For how can they be called gods? because women set meat before the gods of silver, gold, and wood.
31de priesters lopen in hun tempels rond met gescheurde kleren geschoren hoofden en baarden, het hoofd onbedekt,
31And the priests sit in their temples, having their clothes rent, and their heads and beards shaven, and nothing upon their heads.
32en huilen en gillen voor hun goden, zoals men dat doet bij een dodenmaal;
32They roar and cry before their gods, as men do at the feast when one is dead.
33de priesters nemen hun de kleren af, en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen.
33The priests also take off their garments, and clothe their wives and children.
34Of ze van iemand kwaad of goed ondervinden, ze zijn niet in staat, het te vergelden. Ze kunnen een koning aanstellen noch afzetten;
34Whether it be evil that one doeth unto them, or good, they are not able to recompense it: they can neither set up a king, nor put him down.
35evenmin kunnen ze rijkdom schenken of geld. Wanneer iemand hun een gelofte doet, die hij niet houdt, kunnen ze niet straffen.
35In like manner, they can neither give riches nor money: though a man make a vow unto them, and keep it not, they will not require it.
36Ze redden geen mens van de dood, en bevrijden geen zwakke uit de macht van den sterke.
36They can save no man from death, neither deliver the weak from the mighty.
37Een blinde geven ze het gezicht niet terug; die in nood verkeert, helpen ze niet.
37They cannot restore a blind man to his sight, nor help any man in his distress.
38Over een weduwe weten ze zich niet te ontfermen, voor een wees niet te zorgen.
38They can shew no mercy to the widow, nor do good to the fatherless.
39Neen, ze lijken op steenklompen uit de bergen, die houten, vergulde en verzilverde maaksels; en die ze dienen, moeten zich schamen.
39Their gods of wood, and which are overlaid with gold and silver, are like the stones that be hewn out of the mountain: they that worship them shall be confounded.
40Hoe kan men dan menen en zeggen, dat ze goden zijn?
40How should a man then think and say that they are gods, when even the Chaldeans themselves dishonour them?
41De Chaldeën zelf onteren ze. Want wanneer ze een stomme zien, die niet kan spreken, dan halen ze Bel, en vragen hem, dat hij den stomme laat spreken, alsof hij iets kon verstaan.
41Who if they shall see one dumb that cannot speak, they bring him, and intreat Bel that he may speak, as though he were able to understand.
42En ofschoon ze het tegendeel weten, houden zij er toch niet mee op, omdat ze te dom zijn.
42Yet they cannot understand this themselves, and leave them: for they have no knowledge.
43De vrouwen zitten, met strikken omhangen, langs de wegen, zemelen te branden.
43The women also with cords about them, sitting in the ways, burn bran for perfume: but if any of them, drawn by some that passeth by, lie with him, she reproacheth her fellow, that she was not thought as worthy as herself, nor her cord broken.
44Zo dikwijls dan een van haar door een voorbijganger is meegenomen, en gemeenschap met hem heeft gehad, hoont ze haar buurvrouw, omdat die dezelfde eer nog niet heeft genoten, en haar strikken nog niet zijn verscheurd.
44Whatsoever is done among them is false: how may it then be thought or said that they are gods?
45Leugen is al wat er voor hen gebeurt. Hoe kan men dan menen en zeggen, dat ze goden zijn?
45They are made of carpenters and goldsmiths: they can be nothing else than the workmen will have them to be.
46Ze worden door werklui en goudsmeden gemaakt, en kunnen niets anders worden, dan de werklieden er van willen maken.
46And they themselves that made them can never continue long; how should then the things that are made of them be gods?
47Welnu, die ze maken, worden niet oud;
47For they left lies and reproaches to them that come after.
48hoe zou het dan anders gaan met hun maaksel? Zo laten ze hun nageslacht enkel ontgoocheling achter, en smaad.
48For when there cometh any war or plague upon them, the priests consult with themselves, where they may be hidden with them.
49Want als er oorlog of onheil over hen losbarst, beraadslagen de priesters onder elkander, waar zich met hen te verschuilen.
49How then cannot men perceive that they be no gods, which can neither save themselves from war, nor from plague?
50Hoe is het dan mogelijk, dat men niet inziet, dat ze geen goden kunnen zijn, daar ze zichzelf niet kunnen redden uit oorlog en onheil?
50For seeing they be but of wood, and overlaid with silver and gold, it shall be known hereafter that they are false:
51Maar tenslotte zal men erkennen, dat die houten, vergulde en verzilverde maaksels leugen zijn; alle volken en koningen zal het duidelijk worden, dat ze geen goden zijn, maar enkel maaksel van mensenhanden, en dat men bij hen geen goddelijke daden moet zoeken.
51And it shall manifestly appear to all nations and kings that they are no gods, but the works of men’s hands, and that there is no work of God in them.
52Wie wil dan nog een bewijs, dat ze geen goden zijn?
52Who then may not know that they are no gods?
53Ze stellen over een land geen koning aan, noch kunnen ze de mensen een heerser geven.
53For neither can they set up a king in the land, nor give rain unto men.
54Ze zijn niet in staat, hun recht te verschaffen, noch hen voor onrecht te hoeden.
54Neither can they judge their own cause, nor redress a wrong, being unable: for they are as crows between heaven and earth.
55Ze lijken op kraaien tussen hemel en aarde. Want als er brand uitbreekt in de tempel van die houten, vergulde en verzilverde goden, dan slaan wel de priesters op de vlucht en worden gered, maar zelf branden ze als balken middendoor.
55Whereupon when fire falleth upon the house of gods of wood, or laid over with gold or silver, their priests will flee away, and escape; but they themselves shall be burned asunder like beams.
56Ook koningen en vijanden kunnen ze geen weerstand bieden.
56Moreover they cannot withstand any king or enemies: how can it then be thought or said that they be gods?
57Hoe kan men dan aannemen of denken, dat zij goden zijn! Ook voor dieven en rovers zijn die houten, verzilverde en vergulde goden niet veilig.
57Neither are those gods of wood, and laid over with silver or gold, able to escape either from thieves or robbers.
58Die zijn hun de baas, stelen het goud en het zilver, en gaan aan de haal met de kleren, waarmee ze bekleed zijn, zonder dat ze zich kunnen verdedigen.
58Whose gold, and silver, and garments wherewith they are clothed, they that are strong take, and go away withal: neither are they able to help themselves.
59Daarom is een koning die zijn macht kan tonen, of nuttig huisraad waarvan de eigenaar zich kan bedienen, er beter aan toe dan die valse goden; of een huisdeur, die wat binnen is beveiligt, er beter aan toe dan die valse goden; of een houten zuil in het koninklijk paleis er beter aan toe dan die valse goden.
59Therefore it is better to be a king that sheweth his power, or else a profitable vessel in an house, which the owner shall have use of, than such false gods; or to be a door in an house, to keep such things therein, than such false gods. or a pillar of wood in a palace, than such false gods.
60De zon, de maan en de sterren, hoe mooi zij ook glanzen, moeten gehoorzamen en op hun post blijven staan tot nut van de mensen.
60For sun, moon, and stars, being bright and sent to do their offices, are obedient.
61Ook de bliksem is mooi, als hij flikkert; ook de wind, die over alle landen waait.
61In like manner the lightning when it breaketh forth is easy to be seen; and after the same manner the wind bloweth in every country.
62En als God de wolken gebiedt, over heel de aarde te trekken, dan volbrengen zij het bevel;
62And when God commandeth the clouds to go over the whole world, they do as they are bidden.
63ook het vuur, van boven gezonden om bergen en wouden te verteren, volbrengt het bevel. Maar die maaksels evenaren hen in schoonheid noch kracht.
63And the fire sent from above to consume hills and woods doeth as it is commanded: but these are like unto them neither in shew nor power.
64Daarom mag men denken noch zeggen, dat ze goden zijn; want ze hebben geen macht om te richten, of goed te doen aan de mensen.
64Wherefore it is neither to be supposed nor said that they are gods, seeing, they are able neither to judge causes, nor to do good unto men.
65Zo weet ge, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
65Knowing therefore that they are no gods, fear them not,
66De koningen kunnen zij vloeken noch zegenen;
66For they can neither curse nor bless kings:
67de volkeren geen tekens geven aan de hemel, niet eens stralen als de zon, of glans verspreiden als de maan.
67Neither can they shew signs in the heavens among the heathen, nor shine as the sun, nor give light as the moon.
68De dieren zijn er beter aan toe; die kunnen naar een schuilplaats vluchten, en zichzelf tenminste nog redden.
68The beasts are better than they: for they can get under a cover and help themselves.
69Zo is het onder ieder opzicht klaar, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
69It is then by no means manifest unto us that they are gods: therefore fear them not.
70Die houten, vergulde en verzilverde goden be- veiligen evenmin als een vogelverschrikker op een veld met komkommers,
70For as a scarecrow in a garden of cucumbers keepeth nothing: so are their gods of wood, and laid over with silver and gold.
71of een doornhaag om een tuin, waarop alle vogels gaan zitten. Ook gelijken hun houten, vergulde en verzilverde goden op lijken, die men in de duisternis werpt;
71And likewise their gods of wood, and laid over with silver and gold, are like to a white thorn in an orchard, that every bird sitteth upon; as also to a dead body, that is cast into the dark.
72aan het purper en lijnwaad 8, dat op hen ligt te rotten, kan men erkennen, dat ze geen goden zijn; tenslotte worden zij zelf weggevreten, en worden een schande voor het land.
72And ye shall know them to be no gods by the bright purple that rotteth upon them: and they themselves afterward shall be eaten, and shall be a reproach in the country.
73De rechtvaardige, die geen goden bezit, is er dus beter aan toe; want hij blijft van schande bevrijd!
73Better therefore is the just man that hath none idols: for he shall be far from reproach.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.