Baruch 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Afschrift van de brief, die Jeremias gericht heeft aan hen, die op het punt stonden, door den koning der Babyloniërs in ballingschap naar Babel te worden gebracht, om hun te verkonden, wat hem door God was gelast.
1For the sins that you have committed before God, you shall be carried away captives into Babylon by Nabuchodonosor the king of Babylon.
2Om de zonden, die gij tegen God hebt bedreven, wordt gij door Nabukodonosor, den koning der Babyloniërs, in ballingschap naar Babel gebracht.
2And when you are come into Babylon, you shall be there many years, and for a long time, even to seven generations: and after that I will bring you away from thence with peace.
3En wanneer ge in Babel zijt aangekomen, zult ge daar vele jaren en lange tijd verblijven, gedurende zeven geslachten; maar dan breng Ik u vandaar in vrede terug.
3But now, you shall see in Babylon gods of gold, and of silver, and of stone, and of wood borne upon shoulders, causing fear to the Gentiles.
4Nu zult ge in Babel zilveren, gouden en houten goden aanschouwen, die op de schouders worden rondgedragen, en die de heidenen vrees aanjagen.
4Beware therefore that you imitate not the doings of others, and be afraid, and the fear of them should seize upon you.
5Zorgt er dan voor, dat ge die onbesnedenen niet navolgt, en dat ook gij ze niet vreest,
5But when you see the multitude behind, and before, adoring them, say you in your hearts: Thou oughtest to be adored, O Lord.
6wanneer ge ziet, hoe de drommen, die hen vooruitgaan en volgen, hen aanbidden. Neen, ge moet bij uzelve zeggen: U moet men aanbidden, o Heer!
6For my angel is with you: And I myself will demand an account of your souls.
7Want mijn engel is in uw midden, die het op u wreken zal.
7For their tongue that is polished by the craftsman, and themselves laid over with gold and silver, are false things, and they cannot speak.
8Want hun tong is door een werkman glad gepolijst, en al zijn ze met goud en zilver overtrokken, ze blijven een leugen, en kunnen niet spreken.
8And as if it were for a maiden that loveth to go gay: so do they take gold and make them up.
9Als voor een pronkerig meisje neemt men goud,
9Their gods have golden crowns upon their heads: whereof the priests secretly convey away from them gold, and silver, and bestow it on themselves.
10om er kronen van te maken voor de hoofden van hun goden; zo de priesters tenminste hun goden niet van het goud en zilver beroven, en het voor zichzelf behouden,
10Yea and they give thereof to prostitutes, and they dress out harlots: and again when they receive it of the harlots, they adorn their gods.
11of er de hoeren van geven in de bordelen. Dan trekken zij die zilveren, gouden en houten goden als mensen mooie kleren aan;
11And these gods cannot defend themselves from the rust, and the moth.
12maar daardoor zijn ze nog niet bestand tegen roest en mot. En al zijn ze in purper gestoken,
12But when they have covered them with a purple garment, they wipe their face because of the dust of the house, which is very much among them.
13toch moeten ze hun gezicht laten wassen van het stof van de tempel, dat er vingerdik op ligt.
13This holdeth a sceptre as a man, as a judge of the country, but cannot put to death one that offendeth him.
14Dan heeft hij nog een schepter als een plattelandsrechter, die niet eens kan doden, die zich tegen hem vergrijpt.
14And this hath in his hand a sword, or an axe, but cannot save himself from war, or from robbers, whereby be it known to you, that they are not gods.
15Ook draagt hij in zijn rechterhand een zwaard en een bijl, maar hij kan zich tegen vijand noch rovers verweren. Zo is het duidelijk, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
15Therefore fear them not. For as a vessel that a man uses when it is broken becometh useless, even so are their gods:
16Zoals een schotel iemand nergens toe dient, als hij stuk is,
16When they are placed in the house, their eyes are full of dust by the feet of them that go in.
17zo is het ook met hun goden gesteld. Wanneer ze in hun tempels staan, raken hun ogen vol stof, opgejaagd door de voeten van hen die binnenkomen;
17And as the gates are made sure on every side upon one that hath offended the king, or like a dead man carried to the grave, so do the priests secure the doors with bars and locks, lest they be stripped by thieves.
18en zoals men voor iemand, die majesteitsschennis bedreef en ter dood is veroordeeld, aan alle kanten de gevangenis afsluit, zo sluiten de priesters ze in hun tempels op achter deuren, sloten en balken, opdat ze niet door rovers worden gestolen.
18They light candles to them, and in great number, of which they cannot see one: but they are like beams in the house.
19Dan steken ze veel licht voor hen aan, ofschoon niemand hunner kan zien.
19And they say that the creeping things which are of the earth, gnaw their hearts, while they eat them and their garments, and they feel it not.
20Ze lijken op balken in de tempel, wier hart wordt weggevreten, zoals men dat zegt; ze merken niet eens, wanneer ze met kleren en al door wormen uit de aarde worden weggeknaagd.
20Their faces are black with the smoke that is made in the house.
21Hun gezicht wordt zwart van de rook in de tempel;
21Owls, and swallows, and other birds fly upon their bodies, and upon their heads, and cats in like manner.
22op hun lijf en hun hoofd fladderen vleermuizen, zwaluwen en andere vogels; ook de katten springen er op.
22Whereby you may know that they are no gods. Therefore fear them not.
23Zo kunt ge zien, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
23The gold also which they have, is for shew, but except a man wipe off the rust, they will not shine: for neither when they were molten, did they feel it.
24Wanneer men de roest niet wegpoetst van het goud, waarmee ze zijn opgesmukt, dan blinken ze niet; ze voelen het niet eens, wanneer ze worden gegoten.
24Men buy them at a high price, whereas there is no breath in them.
25En ofschoon ze geen levensadem hebben, worden ze voor de duurste prijs gekocht.
25And having not the use of feet they are carried upon shoulders, declaring to men how vile they are. Be they confounded also that worship them.
26Ze hebben geen voeten, en moeten op de schouders worden gedragen; zo laten zij de mensen hun nietigheid zien; maar ook die ze dienen, moeten zich schamen.
26Therefore if they fall to the ground, they rise not up again of themselves, nor if a man set them upright, will they stand by themselves, but their gifts shall be set before them, as to the dead.
27En wanneer er dan een op de grond valt, kan hij uit zichzelf niet meer opstaan; wanneer iemand hem overeind heeft gezet, beweegt hij zich niet; wanneer hij scheef staat, komt hij niet recht. Neen, als aan doden zet men hun offergaven voor;
27The things that are sacrificed to them, their priests sell and abuse: in like manner also their wives take part of them, but give nothing of it either to the sick, or to the poor.
28hun priesters verkopen hun offers voor eigen gewin, of de vrouwen pekelen ze in, zonder er iets aan de armen en behoeftigen van te geven;
28The childbearing and menstruous women touch their sacrifices: knowing therefore by these things that they are not gods, fear them not.
29en vrouwen in maandstonden en bij bevalling raken ze aan. Zo weet ge, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
29For how can they be called gods? because women set offerings before the gods of silver, and of gold, and of wood:
30Hoe kan men ze dan nog goden noemen? Vrouwen zetten die zilveren, gouden en houten goden spijzen voor;
30And priests sit in their temples, having their garments rent, and their heads and beards shaven, and nothing upon their heads.
31de priesters lopen in hun tempels rond met gescheurde kleren geschoren hoofden en baarden, het hoofd onbedekt,
31And they roar and cry before their gods, as men do at the feast when one is dead.
32en huilen en gillen voor hun goden, zoals men dat doet bij een dodenmaal;
32The priests take away their garments, and clothe their wives and their children.
33de priesters nemen hun de kleren af, en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen.
33And whether it be evil that one doth unto them, or good, they are not able to recompense it: neither can they set up a king nor put him down:
34Of ze van iemand kwaad of goed ondervinden, ze zijn niet in staat, het te vergelden. Ze kunnen een koning aanstellen noch afzetten;
34In like manner they can neither give riches, nor requite evil. If a man make a vow to them, and perform it not, they cannot require it.
35evenmin kunnen ze rijkdom schenken of geld. Wanneer iemand hun een gelofte doet, die hij niet houdt, kunnen ze niet straffen.
35They cannot deliver a man from death nor save the weak from the mighty.
36Ze redden geen mens van de dood, en bevrijden geen zwakke uit de macht van den sterke.
36They cannot restore the blind man to his sight: nor deliver a man from distress.
37Een blinde geven ze het gezicht niet terug; die in nood verkeert, helpen ze niet.
37They shall not pity the widow, nor do good to the fatherless.
38Over een weduwe weten ze zich niet te ontfermen, voor een wees niet te zorgen.
38Their gods, of wood, and of stone, and of gold, and of silver, are like the stones that are hewn out of the mountains: and they that worship them shall be confounded.
39Neen, ze lijken op steenklompen uit de bergen, die houten, vergulde en verzilverde maaksels; en die ze dienen, moeten zich schamen.
39How then is it to be supposed, or to be said, that they are gods?
40Hoe kan men dan menen en zeggen, dat ze goden zijn?
40Even the Chaldeans themselves dishonour them: who when they hear of one dumb that cannot speak, they present him to Bel, entreating him, that he may speak,
41De Chaldeën zelf onteren ze. Want wanneer ze een stomme zien, die niet kan spreken, dan halen ze Bel, en vragen hem, dat hij den stomme laat spreken, alsof hij iets kon verstaan.
41As though they could be sensible that have no motion themselves: and they, when they shall perceive this, will leave them: for their gods themselves have no sense.
42En ofschoon ze het tegendeel weten, houden zij er toch niet mee op, omdat ze te dom zijn.
42The women also with cords about them, sit in the ways, burning olive stones.
43De vrouwen zitten, met strikken omhangen, langs de wegen, zemelen te branden.
43And when any one of them, drawn away by some passenger, lieth with him, she upbraideth her neighbour, that she was not thought as worthy as herself, nor her cord broken.
44Zo dikwijls dan een van haar door een voorbijganger is meegenomen, en gemeenschap met hem heeft gehad, hoont ze haar buurvrouw, omdat die dezelfde eer nog niet heeft genoten, en haar strikken nog niet zijn verscheurd.
44But all things that are done about them, are false: how is it then to be thought, or to be said, that they are gods?
45Leugen is al wat er voor hen gebeurt. Hoe kan men dan menen en zeggen, dat ze goden zijn?
45And they are made by workmen, and by goldsmiths. They shall be nothing else but what the priests will have them to be.
46Ze worden door werklui en goudsmeden gemaakt, en kunnen niets anders worden, dan de werklieden er van willen maken.
46For the artificers themselves that make them, are of no long continuance. Can those things then that are made by them be gods?
47Welnu, die ze maken, worden niet oud;
47But they have left false things and reproach to them that come after.
48hoe zou het dan anders gaan met hun maaksel? Zo laten ze hun nageslacht enkel ontgoocheling achter, en smaad.
48For when war cometh upon them, or evils, the priests consult with themselves where they may hide themselves with them.
49Want als er oorlog of onheil over hen losbarst, beraadslagen de priesters onder elkander, waar zich met hen te verschuilen.
49How then can they be thought to be gods, that can neither deliver themselves from war, nor save themselves from evils?
50Hoe is het dan mogelijk, dat men niet inziet, dat ze geen goden kunnen zijn, daar ze zichzelf niet kunnen redden uit oorlog en onheil?
50For seeing they are but of wood, and laid over with gold, and with silver, it shall be known hereafter that they are false things, by all nations and kings: and it shall be manifest that they are no gods, but the work of men’s hands, and that there is no work of God in them.
51Maar tenslotte zal men erkennen, dat die houten, vergulde en verzilverde maaksels leugen zijn; alle volken en koningen zal het duidelijk worden, dat ze geen goden zijn, maar enkel maaksel van mensenhanden, en dat men bij hen geen goddelijke daden moet zoeken.
51Whence therefore is it known that they are not gods, but the work of men’s hands, and no work of God is in them?
52Wie wil dan nog een bewijs, dat ze geen goden zijn?
52They cannot set up a king over the land, nor give rain to men.
53Ze stellen over een land geen koning aan, noch kunnen ze de mensen een heerser geven.
53They determine no causes, nor deliver countries from oppression; because they can do nothing, and are as daws between heaven and earth.
54Ze zijn niet in staat, hun recht te verschaffen, noch hen voor onrecht te hoeden.
54For when fire shall fall upon the house of these gods of wood, and of silver, and of gold, their priests indeed will flee away, and be saved: but they themselves shall be burnt in the midst like beams.
55Ze lijken op kraaien tussen hemel en aarde. Want als er brand uitbreekt in de tempel van die houten, vergulde en verzilverde goden, dan slaan wel de priesters op de vlucht en worden gered, maar zelf branden ze als balken middendoor.
55And they cannot withstand a king and war. How then can it be supposed, or admitted that they are gods?
56Ook koningen en vijanden kunnen ze geen weerstand bieden.
56Neither are these gods of wood, and of stone, and laid over with gold, and with silver, able to deliver themselves from thieves or robbers: they that are stronger than them,
57Hoe kan men dan aannemen of denken, dat zij goden zijn! Ook voor dieven en rovers zijn die houten, verzilverde en vergulde goden niet veilig.
57Shall take from them the gold, and silver, and the raiment wherewith they are clothed, and shall go their way, neither shall they help themselves.
58Die zijn hun de baas, stelen het goud en het zilver, en gaan aan de haal met de kleren, waarmee ze bekleed zijn, zonder dat ze zich kunnen verdedigen.
58Therefore it is better to be a king that sheweth his power: or else a profitable vessel in the house, with which the owner thereof will be well satisfied: or a door in the house, to keep things safe that are therein, than such false gods.
59Daarom is een koning die zijn macht kan tonen, of nuttig huisraad waarvan de eigenaar zich kan bedienen, er beter aan toe dan die valse goden; of een huisdeur, die wat binnen is beveiligt, er beter aan toe dan die valse goden; of een houten zuil in het koninklijk paleis er beter aan toe dan die valse goden.
59The sun, and the moon, and the stars being bright, and sent forth for profitable uses, are obedient.
60De zon, de maan en de sterren, hoe mooi zij ook glanzen, moeten gehoorzamen en op hun post blijven staan tot nut van de mensen.
60In like manner the lightning, when it breaketh forth, is easy to be seen: and after the same manner the wind bloweth in every country.
61Ook de bliksem is mooi, als hij flikkert; ook de wind, die over alle landen waait.
61And the clouds when God commandeth them to go over the whole world, do that which is commanded them.
62En als God de wolken gebiedt, over heel de aarde te trekken, dan volbrengen zij het bevel;
62The fire also being sent from above to consume mountains and woods, doth as it is commanded. But these neither in shew, nor in power are like to any one of them.
63ook het vuur, van boven gezonden om bergen en wouden te verteren, volbrengt het bevel. Maar die maaksels evenaren hen in schoonheid noch kracht.
63Wherefore it is neither to be thought, nor to be said, that they are gods: since they are neither able to judge causes, nor to do any good to men.
64Daarom mag men denken noch zeggen, dat ze goden zijn; want ze hebben geen macht om te richten, of goed te doen aan de mensen.
64Knowing therefore that they are not gods, fear them not.
65Zo weet ge, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
65For neither can they curse kings, nor bless them.
66De koningen kunnen zij vloeken noch zegenen;
66Neither do they shew signs in the heaven to the nations, nor shine as the sun, nor give light as the moon.
67de volkeren geen tekens geven aan de hemel, niet eens stralen als de zon, of glans verspreiden als de maan.
67Beasts are better than they, which can fly under a covert, and help themselves.
68De dieren zijn er beter aan toe; die kunnen naar een schuilplaats vluchten, en zichzelf tenminste nog redden.
68Therefore there is no manner of appearance that they are gods: so fear them not.
69Zo is het onder ieder opzicht klaar, dat ze geen goden zijn; vreest ze dus niet!
69For as a scarecrow in a garden of cucumbers keepeth nothing, so are their gods of wood, and of silver, and laid over with gold.
70Die houten, vergulde en verzilverde goden be- veiligen evenmin als een vogelverschrikker op een veld met komkommers,
70They are no better than a white thorn in a garden, upon which every bird sitteth. In like manner also their gods of wood, and laid over with gold, and with silver, are like to a dead body cast forth in the dark.
71of een doornhaag om een tuin, waarop alle vogels gaan zitten. Ook gelijken hun houten, vergulde en verzilverde goden op lijken, die men in de duisternis werpt;
71By the purple also and the scarlet which are motheaten upon them, you shall know that they are not gods. And they themselves at last are consumed, and shall be a reproach in the country.
72aan het purper en lijnwaad 8, dat op hen ligt te rotten, kan men erkennen, dat ze geen goden zijn; tenslotte worden zij zelf weggevreten, en worden een schande voor het land.
72Better therefore is the just man that hath no idols: for he shall be far from reproach.
73De rechtvaardige, die geen goden bezit, is er dus beter aan toe; want hij blijft van schande bevrijd!
no verse 73 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.