Tobit 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Tobit was uit de stam van Neftali, en uit een stad, die in Opper-Galilea ligt ten noorden van Chasor, dus ten noorden van de weg, die naar het westen voert en de stad Séfet links laat liggen.
1Tobias of the tribe and city of Nephtali, (which is in the upper parts of Galilee above Naasson, beyond the way that leadeth to the west, having on the right hand the city of Sephet,)
2Toen hij in de dagen van Salmanassar, den koning der Assyriërs, krijgsgevangen was gemaakt, week hij in de ballingschap toch niet van de weg der waarheid af;
2When he was made captive in the days of Salmanasar king of the Assyrians, even in his captivity, forsook not the way of truth,
3zelfs deelde hij al wat hij kon overleggen, dagelijks uit aan zijn medeballingen, de broeders uit zijn eigen volk.
3But every day gave all he could get to his brethren his fellow captives, that were of his kindred.
4Reeds van zijn prilste jeugd af, toen hij nog in de stam van Neftali woonde, was er in zijn optreden niets onmannelijks.
4And when he was younger than any of the tribe of Nephtali, yet did he no childish thing in his work.
5Wanneer allen naar de gouden kalveren gingen, die Jeroboam, de koning van Israël, had opgericht, sloot hij alleen zich nooit bij hen aan;
5Moreover when all went to the golden calves which Jeroboam king of Israel had made, he alone fled the company of all,
6hij ging naar Jerusalem, naar de tempel des Heren, om dáár den Heer, den God van Israël, te aanbidden, en trouw al zijn eerstelingen en tienden te offeren.
6And went to Jerusalem to the temple of the Lord, and there adored the Lord God of Israel, offering faithfully all his firstfruits, and his tithes,
7Ook droeg hij om de drie jaar alle tienden af voor de proselieten en vreemdelingen.
7So that in the third year he gave all his tithes to the proselytes, and strangers.
8Deze en dergelijke voorschriften van de Wet Gods onderhield hij reeds van zijn prilste jeugd.
8These and such like things did he observe when but a boy according to the law of God.
9Nadat hij man was geworden, nam hij een vrouw uit zijn stam, Anna geheten, en verwekte bij haar een zoon, wien hij zijn eigen naam gaf.
9But when he was a man, he took to wife Anna of his own tribe, and had a son by her, whom he called after his own name,
10Hij leerde hem van kindsbeen af God te vrezen en zich vrij te houden van alle zonde.
10And from his infancy he taught him to fear God, and to abstain from all sin.
11Toen hij nu met vrouw en kind en geheel zijn stam in ballingschap naar de stad Ninive was gekomen,
11And when by the captivity he with his wife and his son and all his tribe was come to the city of Ninive,
12en allen van de spijzen der heidenen begonnen te eten, zorgde hij er voor, zich nooit door hun spijzen te verontreinigen.
12(When all ate of the meats of the Gentiles) he kept his soul and never was defiled with their meats.
13En daar hij uit geheel zijn hart den Heer indachtig was, bezorgde God hem de gunst van Salmanassar, den koning;
13And because he was mindful of the Lord with all his heart, God gave him favour in the sight of Salmanasar the king.
14deze gaf hem verlof te gaan, waar hij wilde, en onbelemmerd alles te doen, wat hij wenste.
14And he gave him leave to go whithersoever he would, with liberty to do whatever he had a mind.
15Zo kon hij allen bezoeken, die in ballingschap leefden, en hun heilzame vermaningen geven.
15He therefore went to all that were in captivity, and gave them wholesome admonitions.
16Toen hij dus eens in Rages kwam, een stad in Medië, met tien talenten zilver bij zich, waarmee de koning hem had vereerd,
16And when he was come to Rages a city of the Medes, and had ten talents of silver of that with which he had been honoured by the king:
17trof hij daar onder de vele lieden van zijn eigen volk zijn stamgenoot Gabaël aan; aan dezen gaf hij de genoemde som gelds tegen een ontvangbewijs in bewaring.
17And when amongst a great multitude of his kindred, he saw Gabelus in want, who was one of his tribe, taking a note of his hand he gave him the aforesaid sum of money.
18Maar toen lange tijd later, na de dood van koning Salmanassar, diens zoon Sinacherib in zijn plaats regeerde, begon deze de Israëlieten zeer vijandig te behandelen;
18But after a long time, Salmanasar the king being dead, when Sennacherib his son, who reigned in his place, had a hatred for the children of Israel:
19doch Tobit bleef dagelijks al zijn verwanten bezoeken, om hen te troosten en aan iedereen, zoveel hij kon, van zijn goederen mede te delen.
19Tobias daily went among all his kindred, and comforted them, and distributed to every one as he was able, out of his goods:
20Aan de hongerigen gaf hij voedsel, de naakten verschafte hij kleding, en die gestorven waren of gedood, begroef hij met de grootste zorg.
20He fed the hungry, and gave clothes to the naked, and was careful to bury the dead, and they that were slain.
21Toen dan ook koning Sinacherib uit Judea op de vlucht was gedreven door de plaag, die God hem wegens zijn godslastering toebracht, en na zijn terugkeer in zijn woede vele van Israëls kinderen vermoordde, was het Tobit weer, die hun lijken begroef.
21And when king Sennacherib was come back, fleeing from Judea by reason of the slaughter that God had made about him for his blasphemy, and being angry slew many of the children of Israel, Tobias buried their bodies.
22Maar toen dat aan den koning werd overgebracht, gaf deze bevel, hem te vermoorden en heel zijn vermogen in beslag te nemen.
22But when it was told the king, he commanded him to be slain, and took away all his substance.
23Daarom ging Tobit met zijn zoon en zijn vrouw op de vlucht, en daar hij vele vrienden had, slaagde hij er in-ofschoon van alles beroofd-zich verborgen te houden.
23But Tobias fleeing naked away with his son and with his wife, lay concealed, for many loved him.
24Maar toen vijf en veertig dagen later de koning door zijn eigen zonen werd vermoord,
24But after forty-five days, the king was killed by his own sons.
25keerde Tobit naar zijn woning terug.
25And Tobias returned to his house, and all his substance was restored to him.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.