Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Toen riep Tobit zijn zoon bij zich en sprak tot hem: Wat kunnen wij geven aan dezen heiligen man, die u begeleid heeft?
1Then Tobias called to him his son, and said to him: What can we give to this holy man, that is come with thee?
2Tobias gaf zijn vader ten antwoord: Vader, ja, wat zullen wij hem voor loon geven; of wat kan er opwegen tegen zijn weldaden?
2Tobias answering, said to his father: Father, what wages shall we give him? or what can be worthy of his benefits?
3Hij heeft mij behouden heen en terug gebracht en bij Gabaël het geld gehaald; hij heeft mij een vrouw bezorgd, den bozen geest van haar verdreven en aan haar ouders vreugde verschaft; hij heeft mij gered uit de greep van de vis, en uzelf het licht van de hemel weer doen aanschouwen. Ja, wij zijn met allerlei weldaden door hem overladen. Wat kunnen wij hem geven, dat daartegen opweegt?
3He conducted me and brought me safe again, he received the money of Gabelus, he caused me to have my wife, and he chased from her the evil spirit, he gave joy to her parents, myself he delivered from being devoured by the fish, thee also he hath made to see the light of heaven, and we are filled with all good things through him. What can we give him sufficient for these things?
4Maar ik bid u, vader; vraag hem, of hij misschien de helft wil aanvaarden van alles, wat wij hebben meegebracht.
4But I beseech thee, my father, to desire him, that he would vouchsafe to accept one half of all things that have been brought.
5De vader en de zoon riepen hem dus terzijde en vroegen hem, of hij de helft van alles, wat zij hadden meegebracht, zou willen aanvaarden.
5So the father and the son, calling him, took him aside: and began to desire him that he would vouchsafe to accept of half of all things that they had brought.
6En terwijl hij nog met hen alleen was, sprak hij tot hen: Richt uw dank tot God in de hemel, en looft Hem tegenover al wat leeft; want Hij heeft u zijn barmhartigheid bewezen.
6Then he said to them secretly: Bless ye the God of heaven, give glory to him in the sight of all that live, because he hath shewn his mercy to you.
7Zeker, het is goed, het geheim van een koning verborgen te houden; maar de werken Gods openbaar maken en prijzen, is eervol.
7For it is good to hide the secret of a king: but honourable to reveal and confess the works of God.
8Bidden en vasten is een voortreffelijk werk, en aalmoezen geven is meer waard, dan schatten gouds te verzamelen.
8Prayer is good with fasting and alms more than to lay up treasures of gold:
9Want de aalmoes redt van de dood; zij is het, die reinigt van de zonden, en barmhartigheid en eeuwig leven doet vinden.
9For alms delivereth from death, and the same is that which purgeth away sins, and maketh to find mercy and life everlasting.
10Maar wie zonden bedrijven en onrecht, zijn hun eigen vijand.
10But they that commit sin and iniquity, are enemies to their own soul.
11Ik ga u dus de waarheid bekend maken, en wat nog omsluierd is, zal ik u niet langer verbergen.
11I discover then the truth unto you, and I will not hide the secret from you.
12Toen gij onder tranen uw gebeden verrichtte, toen gij de doden begroeft en uw eten er voor liet staan, toen gij overdag de doden in uw huis gingt verbergen, om ze 's nachts te begraven, toen droeg ik uw gebeden op aan den Heer.
12When thou didst pray with tears, and didst bury the dead, and didst leave thy dinner, and hide the dead by day in thy house, and bury them by night, I offered thy prayer to the Lord.
13Maar omdat gij welgevallig waart aan God, daarom moest gij door lijden worden beproefd.
13And because thou wast acceptable to God, it was necessary that temptation should prove thee.
14Doch nu heeft de Heer mij gezonden, om u te genezen, en Sara, de vrouw van uw zoon, van den bozen geest te bevrijden.
14And now the Lord hath sent me to heal thee, and to deliver Sara thy son’s wife from the devil.
15Want ik ben de engel Rafaël, één van de zeven, die voor s Heren aanschijn staan.
15For I am the angel Raphael, one of the seven, who stand before the Lord.
16Toen zij dat hoorden, verschrokken zij hevig, en wierpen zich sidderend neer, met het gelaat op de grond.
16And when they had heard these things, they were troubled, and being seized with fear they fell upon the ground on their face.
17Maar de engel sprak tot hen: Vrede zij u; vreest niet.
17And the angel said to them: Peace be to you, fear not.
18Want het was door Gods wil, dat ik bij u vertoefde; zegent Hem en zingt Hem lof.
18For when I was with you, I was there by the will of God: bless ye him, and sing praises to him.
19Het had wel de schijn, dat ik met u at en dronk; maar ik geniet onzichtbare spijs en drank, die geen mens kan aanschouwen.
19I seemed indeed to eat and to drink with you: but I use an invisible meat and drink, which cannot be seen by men.
20Nu is het tijd, dat ik terugkeer naar Hem, die mij heeft gezonden; looft gij echter den Heer en verkondigt al zijn wonderdaden.
20It is time therefore that I return to him that sent me: but bless ye God, and publish all his wonderful works.
21Toen hij dat gezegd had, werd hij aan hun ogen onttrokken, zodat zij hem niet meer konden zien.
21And when he had said these things, he was taken from their sight, and they could see him no more.
22Nog drie uur lang bleven zij diep gebogen liggen en loofden God; toen stonden zij op, en verkondigden al zijn wonderdaden.
22Then they lying prostrate for three hours upon their face, blessed God: and rising up, they told all his wonderful works.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.