Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Intussen trok Tobias verder, gevolgd door zijn hond; de eerste rust hield hij aan de rivier de Tigris.
1And Tobias went forward, and the dog followed him, and he lodged the first night by the river of Tigris.
2Toen hij daar zijn voeten ging wassen, schoot er plotseling een grote vis naar voren, die hem in zijn voet wilde happen.
2And he went out to wash his feet, and behold a monstrous fish came up to devour him.
3Geheel van streek schreeuwde Tobias het uit: Heer, hij valt mij aan.
3And Tobias being afraid of him, cried out with a loud voice, saying: Sir, he cometh upon me.
4Maar de engel sprak: Grijp hem bij de kieuwen, en trek hem naar u toe. Hij deed het en trok hem op het droge, waar hij lag te spartelen aan zijn voeten.
4And the angel said to him: Take him by the gill, and draw him to thee. And when he had done so, he drew him out upon the land, and he began to pant before his feet.
5Toen sprak de engel: Haal de ingewanden uit die vis en leg het hart, de gal en de lever ter zijde; want die kunnen goede diensten bewijzen als geneesmiddel.
5Then the angel said to him: Take out the entrails of the fish, and lay up his heart, and his gall, and his liver for thee: for these are necessary for useful medicines.
6Toen hij dit had gedaan, bakten zij de vis en aten er van. Op weg naar Ekbátana, de stad der Meden,
6And when he had done so, he roasted the flesh thereof, and they took it with them in the way: the rest they salted as much as might serve them, till they came to Rages the city of the Medes.
7stelde Tobias den engel de vraag: Azarias, mijn broeder, zeg mij toch eens, wat er voor geneeskracht ligt in de dingen, die gij mij van de vis laat bewaren?
7Then Tobias asked the angel, and said to him: I beseech thee, brother Azarias, tell me what remedies are these things good for, which thou hast bid me keep of the fish?
8De engel antwoordde: Als gij een stukje van hart en lever op kolen legt, verdrijft de rook daarvan bij mannen of bij vrouwen alle mogelijke boze geesten, zodat ze nooit meer bij hen terugkomen.
8And the angel, answering, said to him: If thou put a little piece of its heart upon coals, the smoke thereof driveth away all kind of devils, either from man or from woman, so that they come no more to them.
9En de gal dient om er de ogen mee te bestrijken, die witte vlekken vertonen, en ze daarmee te genezen.
9And the gall is good for anointing the eyes, in which there is a white speck, and they shall be cured.
10Toen zij eindelijk Ekbtana naderden, sprak Tobias tot den engel: Waar wilt gij, dat wij onze intrek nemen?
10And Tobias said to him: Where wilt thou that we lodge?
11Hij antwoordde: Hier woont een zekere Raguël, die tot uw stam behoort en zelfs een bloedverwant van u is. Hij heeft een dochter, die Sara heet; er is geen zoon en ook geen andere dochter dan deze.
11And the angel answering, said: Here is one whose name is Raguel, a near kinsman of thy tribe, and he hath a daughter named Sara, but he hath no son nor any other daughter beside her.
12Gij hebt dus recht op geheel zijn bezit; maar dan moet ge met haar trouwen.
12All his substance is due to thee, and thou must take her to wife.
13Vraag haar dus aan haar vader; hij geeft u haar zeker tot vrouw.
13Ask her therefore of her father, and he will give her thee to wife.
14Maar Tobias bracht er tegen in: Ik heb horen zeggen, dat zij al aan zeven mannen is uitgehuwd, en dat die allen gestorven zijn; ik heb zelfs gehoord, dat een boze geest ze heeft gedood.
14Then Tobias answered, and said: I hear that she hath been given to seven husbands, and they all died: moreover I have heard, that a devil killed them.
15Daarom ben ik bang, dat ook mij zo iets overkomt; want ik ben het enige kind van mijn ouders, en zou dan de schuld zijn, dat die oude mensen van verdriet naar het dodenrijk gaan.
15Now I am afraid, lest the same thing should happen to me also: and whereas I am the only child of my parents, I should bring down their old age with sorrow to hell.
16Toen sprak de engel Rafaël tot hem: Luister eens naar me; ik zal u uitleggen, over wie de duivel macht kan hebben.
16Then the angel Raphael said to him: Hear me, and I will shew thee who they are, over whom the devil can prevail.
17De boze geest heeft macht over hen, die zó het huwelijksleven beginnen, dat zij God buiten hun hart en hun geest verbannen, en enkel zinnelust zoeken als een paard of een muilezel, zonder verstand,
17For they who in such manner receive matrimony, as to shut out God from themselves, and from their mind, and to give themselves to their lust, as the horse and mule, which have not understanding, over them the devil hath power.
18maar als gij met haar trouwt en haar kamer betreedt, moet gij u drie dagen lang haar ontzeggen en slechts met haar bidden.
18But thou when thou shalt take her, go into the chamber, and for three days keep thyself continent from her, and give thyself to nothing else but to prayers with her.
19In de eerste nacht zal de boze geest op de vlucht gaan, als de lever van de vis wordt verbrand.
19And on that night lay the liver of the fish on the fire, and the devil shall be driven away.
20In de tweede nacht zult gij worden toegelaten tot de gemeenschap der heilige aartsvaders.
20But the second night thou shalt be admitted into the society of the holy Patriarchs.
21En in de derde nacht zult gij de zegen ontvangen, dat gij flinke kinderen ter wereld brengt.
21And the third night thou shalt obtain a blessing that sound children may be born of you.
22Eerst als de derde nacht voorbij is, moogt ge het meisje bezitten in de vreze des Heren, meer gedreven door verlangen naar kroost, dan door genot van de zinnen; dan zult gij in het geslacht van Abraham gezegend worden in uw kinderen.
22And when the third night is past, thou shalt take the virgin with the fear of the Lord, moved rather for love of children than for lust, that in the seed of Abraham thou mayst obtain a blessing in children.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.