Lucas 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Daar reeds velen ondernomen hebben, een verhaal samen te stellen van de gebeurtenissen, die onder ons zijn geschied,
1Forasmuch as many have taken in hand to set forth in order a narration of the things that have been accomplished among us;
2en zoals ze ons door de eerste ooggetuigen en bedienaars van het Woord zijn overgeleverd,
2According as they have delivered them unto us, who from the beginning were eyewitnesses and ministers of the word:
3kwam het ook mij wenselijk voor, beste Teófilus, na alles, van de aanvang af, nauwkeurig te hebben onderzocht, het ordelijk voor u te beschrijven,
3It seemed good to me also, having diligently attained to all things from the beginning, to write to thee in order, most excellent Theophilus,
4om u de waarachtigheid te doen zien van de leer, waarin ge onderwezen zijt.
4That thou mayest know the verity of those words in which thou hast been instructed.
5In de dagen van Herodes, koning van Judea, was er een priester Zakarias geheten, uit het priesterlijk geslacht van Abias; zijn vrouw behoorde tot de dochters van Aäron, en heette Elisabet.
5There was in the days of Herod, the king of Judea, a certain priest named Zachary, of the course of Abia; and his wife was of the daughters of Aaron, and her name Elizabeth.
6Beiden waren rechtschapen in de ogen van God, en leefden onberispelijk in al de geboden en voorschriften van den Heer.
6And they were both just before God, walking in all the commandments and justifications of the Lord without blame.
7Ze hadden geen kinderen; want Elisabet was onvruchtbaar, en beiden waren reeds hoogbejaard.
7And they had no son, for that Elizabeth was barren, and they both were well advanced in years.
8Eens, dat zijn afdeling de beurt had, om de dienst voor God te verrichten,
8And it came to pass, when he executed the priestly function in the order of his course before God,
9werd hij, zoals dit bij de priesters gebruikelijk was, door het lot aangewezen, om de tempel des Heren binnen te gaan en wierook te offeren.
9According to the custom of the priestly office, it was his lot to offer incense, going into the temple of the Lord.
10En al het volk stond buiten te bidden op het uur van het wierookoffer.
10And all the multitude of the people was praying without, at the hour of incense.
11Daar verscheen hem een engel des Heren, die rechts van het wierookaltaar stond.
11And there appeared to him an angel of the Lord, standing on the right side of the alter of incense.
12Zakarias ontstelde bij dit gezicht, en beefde van angst.
12And Zachary seeing him, was troubled, and fear fell upon him.
13Maar de engel sprak tot hem: Vrees niet, Zakarias, want uw gebed is verhoord; Elisabet, uw vrouw, zal u een zoon schenken, en ge zult hem Johannes noemen.
13But the angel said to him: Fear not, Zachary, for thy prayer is heard; and thy wife Elizabeth shall bear thee a son, and thou shalt call his name John:
14Ge zult juichen en jubelen, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen.
14And thou shalt have joy and gladness, and many shall rejoice in his nativity.
15Want hij zal groot zijn voor den Heer; hij zal geen wijn drinken, noch sterke drank; en reeds van de schoot zijner moeder af zal hij worden vervuld van den Heiligen Geest.
15For he shall be great before the Lord; and shall drink no wine nor strong drink: and he shall be filled with the Holy Ghost, even from his mother’s womb.
16En vele kinderen van Israël zal hij bekeren tot den Heer hun God;
16And he shall convert many of the children of Israel to the Lord their God.
17hij zal voor Hem uitgaan met de geest en de macht van Elias, om de harten der vaders tot de kinderen terug te brengen, en de weerspannigen tot de gezindheid van rechtvaardigen, en den Heer een goedgestemd volk gaan bereiden.
17And he shall go before him in the spirit and power of Elias; that he may turn the hearts of the fathers unto the children, and the incredulous to the wisdom of the just, to prepare unto the Lord a perfect people.
18Maar Zakarias zei tot den engel: Waaraan zal ik dat erkennen? Want ik ben oud, en ook mijn vrouw is reeds op jaren.
18And Zachary said to the angel: Whereby shall I know this? for I am an old man, and my wife is advanced in years.
19De engel antwoordde hem: Ik ben Gábriël; ik sta voor Gods aanschijn, en ben gezonden, om u toe te spreken, en u deze blijde boodschap te brengen.
19And the angel answering, said to him: I am Gabriel, who stand before God: and am sent to speak to thee, and to bring thee these good tidings.
20Zie, ge zult stom zijn en niet kunnen spreken, tot de dag waarop dit geschieden zal; omdat ge mijn woorden niet hebt geloofd, die te hunner tijd in vervulling zullen gaan.
20And behold, thou shalt be dumb, and shalt not be able to speak until the day wherein these things shall come to pass, because thou hast not believed my words, which shall be fulfilled in their time.
21Intussen stond het volk op Zakarias te wachten, en verwonderde zich er over, dat hij zolang in de tempel bleef.
21And the people were waiting for Zachary; and they wondered that he tarried so long in the temple.
22Maar toen hij buiten kwam, en niet tot hen kon spreken, begrepen ze, dat hij in de tempel een verschijning gezien had; wel maakte hij gebaren, maar hij bleef stom.
22And when he came out, he could not speak to them: and they understood that he had seen a vision in the temple. And he made signs to them, and remained dumb.
23Toen zijn diensttijd voorbij was, ging hij naar huis.
23And it came to pass, after the days of his office were accomplished, he departed to his own house.
24Enige tijd later kwam zijn vrouw Elisabet in gezegende omstandigheden; ze verborg zich vijf maanden lang, en sprak:
24And after those days, Elizabeth his wife conceived, and hid herself five months, saying:
25Dit heeft de Heer voor mij gedaan, toen Hij neerzag, om mijn schande bij de mensen weg te nemen.
25Thus hath the Lord dealt with me in the days wherein he hath had regard to take away my reproach among men.
26In de zesde maand werd de engel Gábriël door God naar een stad van Galilea gezonden, Názaret genaamd,
26And in the sixth month, the angel Gabriel was sent from God into a city of Galilee, called Nazareth,
27tot een maagd, die verloofd was aan een man, die Josef heette, en uit het huis van David was; de naam van de maagd was Maria.
27To a virgin espoused to a man whose name was Joseph, of the house of David; and the virgin’s name was Mary.
28De engel trad bij haar binnen, en sprak: Wees gegroet, vol van genade. De Heer is met u; gij zijt de gezegende onder de vrouwen.
28And the angel being come in, said unto her: Hail, full of grace, the Lord is with thee: blessed art thou among women.
29Ze verschrok van dit woord, en vroeg zich af, wat die groet kon beduiden.
29Who having heard, was troubled at his saying, and thought with herself what manner of salutation this should be.
30De engel zeide haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
30And the angel said to her: Fear not, Mary, for thou hast found grace with God.
31Zie, gij zult in uw schoot ontvangen, en een Zoon baren; en gij zult Hem Jesus noemen.
31Behold thou shalt conceive in thy womb, and shalt bring forth a son; and thou shalt call his name Jesus.
32Hij zal groot zijn, en Zoon van den Allerhoogste worden genoemd. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David geven; Hij zal koning zijn over het huis van Jakob in eeuwigheid,
32He shall be great, and shall be called the Son of the most High; and the Lord God shall give unto him the throne of David his father; and he shall reign in the house of Jacob for ever.
33en aan zijn koningschap zal geen einde komen.
33And of his kingdom there shall be no end.
34Maria sprak tot den engel: Hoe kan dit geschieden, daar ik geen man beken?
34And Mary said to the angel: How shall this be done, because I know not man?
35De engel antwoordde haar: De Heilige Geest zal op u neerdalen, en de kracht van den Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat uit u wordt geboren, heilig zijn, en de Zoon van God worden genoemd.
35And the angel answering, said to her: The Holy Ghost shall come upon thee, and the power of the most High shall overshadow thee. And therefore also the Holy which shall be born of thee shall be called the Son of God.
36Zie, uw bloedverwant Elisabet heeft ook een zoon ontvangen in haar ouderdom, en zij, die onvruchtbaar heette, is in haar zesde maand;
36And behold thy cousin Elizabeth, she also hath conceived a son in her old age; and this is the sixth month with her that is called barren:
37want niets is onmogelijk bij God.
37Because no word shall be impossible with God.
38Nu sprak Maria: Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging van haar heen.
38And Mary said: Behold the handmaid of the Lord; be it done to me according to thy word. And the angel departed from her.
39In die dagen ging Maria op weg, en spoedde zich het bergland in, naar een stad van Juda.
39And Mary rising up in those days, went into the hill country with haste into a city of Juda.
40Ze kwam in het huis van Zakarias, en begroette Elisabet.
40And she entered into the house of Zachary, and saluted Elizabeth.
41Toen Elisabet de groet van Maria vernam, sprong het kind op in haar schoot, en werd Elisabet van den Heiligen Geest vervuld.
41And it came to pass, that when Elizabeth heard the salutation of Mary, the infant leaped in her womb. And Elizabeth was filled with the Holy Ghost:
42Met luider stem hief ze aan: Gij zijt de gezegende onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw schoot!
42And she cried out with a loud voice, and said: Blessed art thou among women, and blessed is the fruit of thy womb.
43Wat valt mij te beurt, dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt?
43And whence is this to me, that the mother of my Lord should come to me?
44Want zie, zodra de klank van uw groet mij in de oren klonk, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.
44For behold as soon as the voice of thy salutation sounded in my ears, the infant in my womb leaped for joy.
45Zalig zij, die geloofd heeft; want wat haar namens den Heer is gezegd, zal worden vervuld.
45And blessed art thou that hast believed, because those things shall be accomplished that were spoken to thee by the Lord.
46Maria sprak: Mijn ziel prijst groot den Heer, Mijn geest jubelt van vreugde
46And Mary said: My soul doth magnify the Lord.
47In God, mijn Redder;
47And my spirit hath rejoiced in God my Saviour.
48Want Hij ziet op de geringheid neer van zijn dienstmaagd. Zie, van nu af prijzen mij zalig Alle geslachten;
48Because he hath regarded the humility of his handmaid; for behold from henceforth all generations shall call me blessed.
49Want de Machtige heeft aan mij grote dingen gedaan: Zijn Naam is heilig!
49Because he that is mighty, hath done great things to me; and holy is his name.
50Zijn barmhartigheid reikt van geslacht tot geslacht Over hen, die Hem vrezen;
50And his mercy is from generation unto generations, to them that fear him.
51Hij toont de kracht van zijn arm, En slaat de trotsen van harte uiteen.
51He hath shewed might in his arm: he hath scattered the proud in the conceit of their heart.
52De machtigen haalt Hij neer van de troon, Maar Hij verheft de geringen;
52He hath put down the mighty from their seat, and hath exalted the humble.
53Behoeftigen overlaadt Hij met gaven, En rijken zendt Hij ledig heen.
53He hath filled the hungry with good things; and the rich he hath sent empty away.
54Hij heeft Zich over Israël, zijn dienaar, ontfermd; Zijn barmhartigheid indachtig:
54He hath received Israel his servant, being mindful of his mercy:
55Zoals Hij tot onze vaderen sprak: Aan Abraham en zijn zaad voor altijd.
55As he spoke to our fathers, to Abraham and to his seed for ever.
56Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar; toen keerde ze terug naar huis.
56And Mary abode with her about three months; and she returned to her own house.
57Zo kwam voor Elisabet de tijd van haar moederschap, en ze baarde een zoon.
57Now Elizabeth’s full time of being delivered was come, and she brought forth a son.
58Haar buren en familie hoorden, dat de Heer haar grote barmhartigheid had betoond, en ze deelden in haar vreugde.
58And her neighbours and kinsfolks heard that the Lord had shewed his great mercy towards her, and they congratulated with her.
59Op de achtste dag kwam men het kind besnijden, en men wilde het Zakarias noemen, naar de naam van zijn vader.
59And it came to pass, that on the eighth day they came to circumcise the child, and they called him by his father’s name Zachary.
60Maar zijn moeder nam het woord en sprak: Neen, Johannes zal hij heten.
60And his mother answering, said: Not so; but he shall be called John.
61Ze zeiden haar: Er is niemand in uw familie, die deze naam heeft.
61And they said to her: There is none of thy kindred that is called by this name.
62Nu gaven ze zijn vader een teken, hoe hij hem wilde noemen.
62And they made signs to his father, how he would have him called.
63Hij vroeg een schrijfbordje, en schreef: Zijn naam is Johannes. Allen waren er over verwonderd.
63And demanding a writing table, he wrote, saying: John is his name. And they all wondered.
64Maar op hetzelfde ogenblik ging zijn mond en tong los; hij sprak, en zegende God.
64And immediately his mouth was opened, and his tongue loosed, and he spoke, blessing God.
65Al hun buren werden met ontzag vervuld, en in heel het bergland van Judea werden al deze dingen besproken.
65And fear came upon all their neighbours; and all these things were noised abroad over all the hill country of Judea.
66Allen, die het hoorden, dachten er over na, en zeiden: Wat zal er toch worden van dat kind? Waarachtig, de hand des Heren was met hem!
66And all they that had heard them laid them up in their heart, saying: What an one, think ye, shall this child be? For the hand of the Lord was with him.
67En zijn vader Zakarias, vervuld van den Heiligen Geest, profeteerde en sprak:
67And Zachary his father was filled with the Holy Ghost; and he prophesied, saying:
68Geloofd zij de Heer, Israëls God! Want Hij heeft zijn volk bezocht en verlost,
68Blessed be the Lord God of Israel; because he hath visited and wrought the redemption of his people:
69En ons een hoorn van redding verwekt In het huis van David, zijn dienaar.
69And hath raised up an horn of salvation to us, in the house of David his servant:
70Zoals Hij eeuwen geleden beloofd had Door de mond zijner heilige profeten:
70As he spoke by the mouth of his holy prophets, who are from the beginning:
71Om ons redding te brengen van onze vijanden, En uit de hand van al, die ons haten.
71Salvation from our enemies, and from the hand of all that hate us:
72Om Zich te ontfermen over onze vaderen, En zijn heilig Verbond te gedenken,
72To perform mercy to our fathers, and to remember his holy testament,
73De eed, die Hij zwoer, Aan Abraham, onzen vader.
73The oath, which he swore to Abraham our father, that he would grant to us,
74Om ons te vergunnen, om zonder vrees, Uit de hand onzer vijanden verlost,
74That being delivered from the hand of our enemies, we may serve him without fear,
75Hem te dienen, vroom en rechtschapen, Voor zijn aanschijn al onze dagen.
75In holiness and justice before him, all our days.
76En Gij nu, kleine knaap, Zult profeet van den Allerhoogste worden genoemd; Want ge zult uitgaan voor den Heer, Om zijn wegen te bereiden.
76And thou, child, shalt be called the prophet of the Highest: for thou shalt go before the face of the Lord to prepare his ways:
77Om zijn volk het heil te doen kennen In de vergiffenis zijner zonden,
77To give knowledge of salvation to his people, unto the remission of their sins:
78Door de tedere ontferming van onzen God, Die ons de Dageraad uit den hoge zal brengen.
78Through the bowels of the mercy of our God, in which the Orient from on high hath visited us:
79Om te verlichten, die in duisternis zijn, En in de schaduw van de dood zijn gezeten; Om onze schreden te richten Naar de weg van de vrede.
79To enlighten them that sit in darkness, and in the shadow of death: to direct our feet into the way of peace.
80En de knaap groeide op, en kreeg een krachtige geest. Hij bleef in de woestijn tot de dag, dat hij voor Israël zou optreden.
80And the child grew, and was strengthened in spirit; and was in the deserts until the day of his manifestation to Israel.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.