Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Nadat Alexander van Macedonië, de zoon van Filippus, die uit het land Kittim was komen opzetten, Darius, den koning van Perzen en Meden, geheel had verslagen, volgde hij hem op als wereldheerser, na eerst alleen over Griekenland te hebben geregeerd.
1Now it came to pass, after that Alexander the son of Philip the Macedonian, who first reigned in Greece, coming out of the land of Cethim, had overthrown Darius king of the Persians and Medes:
2Talrijk waren zijn krijgstochten: hij veroverde vestingen en vermoordde koningen;
2He fought many battles, and took the strong holds of all, and slew the kings of the earth:
3tot aan de grenzen der aarde drong hij door, en brandschatte vele volkeren. De aarde durfde zich voor hem niet verroeren, en hij begon er hoogmoedig en verwaand van te worden.
3And he went through even to the ends of the earth, and took the spoils of many nations: and the earth was quiet before him.
4Hij bracht een ontzaggelijk leger op de been, maakte zich meester van landen, volken en vorsten, en liet hen schatting opbrengen.
4And he gathered a power, and a very strong army: and his heart was exalted and lifted up.
5Toen werd hij ziek. En daar hij begreep, dat hij sterven ging,
5And he subdued countries of nations, and princes: and they became tributaries to him.
6ontbood hij zijn eerste vertrouwelingen, die van jongsaf met hem waren opgevoed, en verdeelde nog bij zijn leven zijn rijk onder hen.
6And after these things, he fell down upon his bed, and knew that he should die.
7Alexander had twaalf jaar geregeerd, toen de dood hem verraste.
7And he called his servants the nobles that were brought up with him from his youth: and he divided his kingdom among them, while he was yet alive.
8Zijn vertrouwelingen, die het gebied bestuurden, dat ieder van hen was toegewezen,
8And Alexander reigned twelve years, and he died.
9lieten zich allen na zijn dood tot koning kronen. Later deden hun zonen jarenlang hetzelfde, en brachten veel ellende over het land.
9And his servants made themselves kings every one in his place:
10Uit hen nu ontsproot een goddeloos wicht, Antiochus Epifanes, een zoon van koning Antiochus. Hij was in Rome gijzelaar geweest, en kwam aan de regering in het jaar 137 van de griekse heerschappij.
10And they all put crowns upon themselves after his death, and their sons after them many years, and evils were multiplied in the earth.
11In die tijd nu trokken er enige afvallige Israëlieten op uit, om veel anderen voor het volgende plan te winnen: Laat ons vriendschap gaan sluiten met de heidenen uit onze omgeving; want sinds wij de omgang met hen hebben verbroken, worden we telkens door rampen getroffen.
11And there came out of them a wicked root, Antiochus the Illustrious, the son of king Antiochus, who had been a hostage at Rome: and he reigned in the hundred and thirty-seventh year of the kingdom of the Greeks.
12Dit voorstel vond bijval;
12In those days there went out of Israel wicked men, and they persuaded many, saying: Let us go, and make a covenant with the heathens that are round about us: for since we departed from them, many evils have befallen us.
13en enige mannen uit het volk verklaarden zich aanstonds bereid, om naar den koning te gaan. Nadat deze hun volmacht verleend had, om de gebruiken der heidenen in te voeren,
13And the word seemed good in their eyes.
14bouwden zij in Jerusalem een athletenschool, zoals de heidenen hadden,
14And some of the people determined to do this, and went to the king: and he gave them license to do after the ordinances of the heathens.
15lieten bij zich de besnijdenis wegwerken en verzaakten aldus aan het heilig verbond. Ze heulden met de heidenen en verkochten zich aan de zonde.
15And they built a place of exercise in Jerusalem, according to the laws of the nations:
16Zodra Antiochus de overtuiging had, dat zijn heerschappij genoeg was bevestigd, vatte hij het plan op, zijn macht ook over Egypte uit te strekken en zodoende over twee landen te regeren.
16And they made themselves prepuces, and departed from the holy covenant, and joined themselves to the heathens, and were sold to do evil.
17Hij trok dus tegen Egypte op met een ontzaggelijk leger, met strijdwagens, olifanten en ruiters, en tevens met een grote vloot,
17And the kingdom was established before Antiochus, and he had a mind to reign over the land of Egypt, that he might reign over two kingdoms.
18en viel Ptoleméus, den egyptischen koning, aan Ptoleméus sloeg voor hem op de vlucht en wist te ontkomen. Maar velen werden er gewond en gedood;
18And he entered into Egypt with a great multitude, with chariots and elephants, and horsemen, and a great number of ships:
19de vestingen in Egypte werden veroverd en het Egypteland leeggeplunderd.
19And he made war against Ptolemee king of Egypt, but Ptolemee was afraid at his presence, and fled, and many were wounded unto death.
20Nadat Antiochus Egypte verslagen had, keerde hij in het jaar 143 terug, en trok met een geweldig leger op tegen Israël en Jerusalem.
20And he took the strong cities in the land of Egypt: and he took the spoils of the land of Egypt.
21Brutaalweg drong hij het heiligdom binnen, nam er het gouden reukofferaltaar weg, de kandelaar met alles wat daarbij behoorde,
21And after Antiochus had ravaged Egypt in the hundred and forty-third year, he returned and went up against Israel.
22de tafel der toonbroden, offerschalen en schotels, de gouden wierookvaten, het voorhangsel, en rukte alle gouden kransen en andere versieringen aan de tempelgevel af.
22And he went up to Jerusalem with a great multitude.
23Hij stal het zilver en goud, de kostbare benodigdheden met al wat hij aan verborgen schatten kon vinden,
23And he proudly entered into the sanctuary, and took away the golden altar, and the candlestick of light, and all the vessels thereof, and the table of proposition, and the pouring vessels, and the vials, and the little mortars of gold, and the veil, and the crowns, and the golden ornament that was before the temple: and he broke them all in pieces.
24en trok met heel die buit terug naar zijn land. Ook richtte hij een bloedbad aan, en braakte godslasteringen uit.
24And he took the silver and gold, and the precious vessels: and he took the hidden treasures which he found: and when he had taken all away he departed into his own country.
25Toen barstte er in heel Israëls gebied een luide weeklacht los,
25And he made a great slaughter of men, and spoke very proudly.
26En vorsten en oudsten begonnen te jammeren; Meisjes en jongelingen kwijnden weg, De schoonheid der vrouwen verwelkte.
26And there was great mourning in Israel, and in every place where they were.
27Iedere bruidegom was in rouw, De bruid zat in haar kamer te klagen;
27And the princes, and the ancients mourned, and the virgins and the young men were made feeble, and the beauty of the women was changed.
28Het land was geschokt om zijn bewoners, Heel het huis van Jakob met schande bedekt.
28Every bridegroom took up lamentation: and the bride that set in the marriage bed, mourned:
29Twee jaar later zond de koning den bevelhebber der Musiërs naar de steden van Juda. Toen deze met een groot leger voor Jerusalem verscheen,
29And the land was moved for the inhabitants thereof, and all the house of Jacob was covered with confusion.
30bood hij hun zulke sluwe vredesvoorstellen aan, dat zij vertrouwen in hem stelden. Maar geheel onverwacht bestormde hij de stad, bracht haar een geweldige nederlaag toe, en vermoordde een groot aantal Israëlieten.
30And after two full years the king sent the chief collector of his tributes to the cities of Juda, and he came to Jerusalem with a great multitude.
31Hij plunderde de stad, stak haar in brand, en liet huizen en ringmuren omverhalen.
31And he spoke to them peaceable words in deceit: and they believed him.
32Vrouwen en kinderen werden gevangen genomen, en er werd beslag gelegd op het vee.
32And he fell upon the city suddenly, and struck it with a great slaughter, and destroyed much people in Israel.
33Daarna herbouwden ze de Davidstad met hoge sterke muren en zware torens zodat zij een burcht voor hen werd.
33And he took the spoils of the city, and burnt it with fire, and threw down the houses thereof, and the walls thereof round about:
34Zij legden er een bezetting van goddeloze soldaten en afvalligen, die er zich in versterkten.
34And they took the women captive, and the children, and the cattle they possessed.
35Ook voorzagen zij haar van wapens en levensmiddelen, terwijl de buit, die zij uit Jerusalem hadden weggesleept, hier eveneens werd ondergebracht. Zo werd de burcht een grote valstrik.
35And they built the city of David with a great and strong wall, and with strong towers, and made it a fortress for them:
36Voor het heiligdom werd ze een hinderlaag, Voor Israël een steeds dreigende satan.
36And they placed there a sinful nation, wicked men, and they fortified themselves therein: and they stored up armour, and victuals, and gathered together the spoils of Jerusalem;
37Rondom het heiligdom vergoten zij onschuldig bloed, En ontwijdden de heilige plaats.
37And laid them up there: and they became a great snare.
38Jerusalems burgers sloegen voor hen op de vlucht, En zij werd een woonplaats voor vreemden; Voor het eigen kroost een onbekende, Door haar eigen kinderen verlaten.
38And this was a place to lie in wait against the sanctuary, and an evil devil in Israel.
39Haar heiligdom was leeg als een steppe, Haar feesten verkeerden in rouw; Haar sabbatdagen in spot, Haar waardigheid in verachting.
39And they shed innocent blood round about the sanctuary, and defiled the holy place.
40Naar de maat van haar vroegere luister Werd zij met schande vervuld; En haar glorie van vroeger Werd in kommer veranderd.
40And the inhabitants of Jerusalem fled away by reason of them, and the city was made the habitation to strangers, and she became a stranger to her own seed, and her children forsook her.
41Daarna vaardigde koning Antiochus voor heel zijn rijk het bevel uit, dat allen één volk moesten worden,
41Her sanctuary was desolate like a wilderness, her festival days were turned into mourning, her sabbaths into reproach, her honours were brought to nothing.
42en dat iedereen zijn eigen gebruiken moest opgeven. Alle volken legden zich neer bij dit koninklijk bevel,
42Her dishonour was increased according to her glory, and her excellency was turned into mourning.
43en zelfs onder de Israëlieten waren er velen, die de godsdienst van den koning omhelsden, aan de afgoden offerden en de sabbat schonden.
43And king Antiochus wrote to all his kingdom, that all the people should be one: and every one should leave his own law.
44Ook naar Jerusalem en de steden van Juda zond de koning beambten met brieven, waarin werd bevolen, dat zij zich moesten aanpassen aan de uitheemse levenswijze.
44And all nations consented according to the word of king Antiochus.
45Men moest een eind maken aan de slacht-, brand- en plengoffers in de tempel, de sabbat en andere feesten ontheiligen,
45And many of Israel consented to his service, and they sacrificed to idols, and profaned the sabbath.
46en de tempel met de heilige personen ontwijden.
46And the king sent letters by the hands of messengers to Jerusalem, and to all the cities of Juda: that they should follow the law of the nations of the earth,
47Men moest altaren, heilige plaatsen en afgodstempels oprichten, en er het vlees van varkens en andere onreine dieren offeren.
47And should forbid holocausts and sacrifices, and atonements to be made in the temple of God.
48Men moest zijn zonen onbesneden laten, en hun zielen met allerlei bederf en onreinheid bezoedelen,
48And should prohibit the sabbath, and the festival days, to be celebrated.
49zodat zij de wet zouden vergeten en al haar bevelen laten varen.
49And he commanded the holy places to be profaned, and the holy people of Israel.
50En wie niet zou gehoorzamen aan het bevel van den koning, zou worden gedood.
50And he commanded altars to be built, and temples, and idols, and swine’s flesh to be immolated, and unclean beasts.
51Zo luidden de bevelschriften, die hij in heel zijn rijk liet verbreiden. Tegelijkertijd stelde hij toeziende beambten aan over de gehele bevolking met de opdracht, dat alle steden van Juda één voor één moesten offeren.
51And that they should leave their children uncircumcised, and let their souls be defiled with all uncleannesses, and abominations, to the end that they should forget the law, and should change all the justifications of God.
52Nu sloot zich een groot gedeelte der bevolking bij hen aan, namelijk allen, die afvallig werden van de wet.
52And that whosoever would not do according to the word of king Antiochus should be put to death.
53Overal in het land gaf men zich over aan het kwaad, zodat de goede Israëlieten gedwongen werden, zich op alle mogelijke schuilplaatsen verborgen te houden.
53According to all these words he wrote to his whole kingdom, and he appointed rulers over the people that should force them to do these things.
54Op de vijftiende Kislew van het jaar 145 plaatsten ze de gruwel der ontheiliging op het offeraltaar, terwijl men overal in de steden van Juda altaren oprichtte,
54And they commanded the cities of Juda to sacrifice.
55en reukoffers ging brengen voor de huisdeuren en op de straten.
55Then many of the people were gathered to them that had forsaken the law of the Lord: and they committed evils in the land:
56Alle wetboeken, die men kon opsporen, werden in stukken gescheurd en verbrand;
56And they drove away the people of Israel into lurking holes, and into the secret places of fugitives.
57en iedereen, bij wien een boek van het verbond werd ontdekt, of die aan de wet vasthield, werd volgens koninklijk besluit ter dood gebracht.
57On the fifteenth day of the month Casleu, in the hundred and forty-fifth year, king Antiochus set up the abominable idol of desolation upon the altar of God, and they built altars throughout all the cities of Juda round about:
58Met dergelijke geweldmaatregelen gingen zij maandenlang tegen iederen Israëliet te keer, die zij in een of andere stad konden betrappen.
58And they burnt incense, and sacrificed at the doors of the houses, and in the streets.
59De vijf en twintigste van de maand offerden zij op het altaar, dat op het brandofferaltaar was geplaatst.
59And they cut in pieces, and burnt with fire the books of the law of God:
60Volgens voorschrift vermoordden zij de vrouwen, die haar kinderen hadden laten besnijden,
60And every one with whom the books of the testament of the Lord were found, and whosoever observed the law of the Lord, they put to death, according to the edict of the king.
61hingen haar de kinderen aan de hals, en plunderden haar huizen; en men doodde hen, die de besnijdenis hadden voltrokken.
61Thus by their power did they deal with the people of Israel, that were found in the cities month after month.
62Toch waren er veel Israëten, die standvastig waren en vastbesloten bleven, geen onreine spijzen te eten.
62And on the five and twentieth day of the month they sacrificed upon the altar of the idol that was over against the altar of God.
63Zij wilden liever sterven, dan zich aan spijzen verontreinigen en het heilig verbond verbreken. Zij stierven dan ook.
63Now the women that circumcised their children, were slain according to the commandment of king Antiochus.
64En ontzettend zwaar bleef Gods toorn op Israël drukken.
64And they hanged the children about their necks in all their houses: and those that had circumcised them, they put to death.
no verse 65 in this text
65And many of the people of Israel determined with themselves, that they would not eat unclean things: and they chose rather to die than to be defiled with unclean meats.
no verse 66 in this text
66And they would not break the holy law of God, and they were put to death:
no verse 67 in this text
67And there was very great wrath upon the people.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.