Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Toen de heidenen uit de omtrek hadden vernomen, dat het brandofferaltaar weer was opgebouwd en het heiligdom weer in zijn vroegere staat was hersteld, werden ze woedend;
1Now it came to pass, when the nations round about heard that the altar and the sanctuary were built up as before, that they were exceeding angry.
2ze besloten, het geslacht van Jakob, dat in hun midden leefde, uit te roeien, en begonnen reeds het volk te moorden en te vernielen.
2And they thought to destroy the generation of Jacob that were among them, and they began to kill some of the people, and to persecute them.
3Daarom trok Judas op tegen de zonen van Esau in Judea, die zich in Akrabatténe hadden gevestigd, en die het Israël in de omtrek lastig maakten. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, maakte ze weerloos en plunderde ze uit.
3Then Judas fought against the children of Esau in Idumea, and them that were in Acrabathane: because they beset the Israelites around about, and he made a great slaughter of them.
4Daarbij herinnerde hij zich de laagheid van de bewoners van Bajan, die het volk valstrikken en hinderlagen hadden gelegd en langs de wegen op hen hadden geloerd.
4And he remembered the malice of the children of Bean: who were a snare and a stumblingblock to the people, by lying in wait for them in the way.
5Hij sloot ze op in hun torens, belegerde hen, trof ze met de banvloek, en stak de torens met allen, die erin waren, in brand.
5And they were shut up by him in towers, and he set upon them, and devoted them to utter destruction, and burnt their towers with fire, and all that were in them.
6Vandaar trok hij verder naar de zonen van Ammon, waar hij op een sterke weermacht stiet met veel soldaten, die onder bevel van Timóteus stonden.
6Then he passed over to the children of Ammon, where he found a mighty power, and much people, and Timotheus was their captain:
7In een reeks gevechten, die hij hun leverde, werden zij door hem in het nauw gedreven, en geheel verslagen.
7And he fought many battles with them, and they were discomfited in their sight, and he smote them:
8En nadat hij ook Jazer had bedwongen met de onderhorige plaatsen, keerde hij naar Judea terug.
8And he took the city of Gazer and her towns, and returned into Judea.
9Ook de heidenen van Gilad hadden tegen de Israëlieten, die hun gebied bewoonden, samengespannen, om hen uit te roeien. Dezen waren naar de vesting Dátema gevlucht,
9And the Gentiles that were in Galaad, assembled themselves together against the Israelites that were in their quarters to destroy them: and they fled into the fortress of Datheman.
10en zonden nu brieven aan Judas en zijn broers met de volgende inhoud: De heidenen uit onze omgeving hebben tegen ons samengespannen, om ons uit te roeien.
10And they sent letters to Judas and his brethren, saying, The heathens that are round about are gathered together against us, to destroy us:
11Ze staan klaar, om een aanval te doen en de vesting te veroveren, waarin wij gevlucht zijn, en Timóteus heeft de leiding over hun troepen.
11And they are preparing to come, and to take the fortress into which we are fled: and Timotheus is the captain of their host.
12Kom ons dus uit hun handen redden! Reeds velen van ons zijn gesneuveld.
12Now therefore come, and deliver us out of their hands, for many of us are slain.
13Al onze broeders, die de streek Toebi bewoonden, hebben ze vermoord, en hun vrouwen, kinderen en bezittingen meegenomen; ze hebben ongeveer duizend man omgebracht.
13And all our brethren that were in the places of Tubin, are killed: and they have carried away their wives, and their children, captives, and taken their spoils, and they have slain there almost a thousand men.
14Nog was men bezig de brieven te lezen, toen er ook uit Galilea boden in gescheurde kleren aankwamen, die hetzelfde berichtten:
14And while they were yet reading these letters, behold there came other messengers out Galilee with their garments rent, who related according to these words:
15Ptolemáis, Tyrus en Sidon, ja het gehele heidense Galilea heeft samengespannen, om ons uit de weg te ruimen.
15Saying, that they of Ptolemais, and of Tyre, and of Sidon, were assembled against them, and all Galilee is filled with strangers, in order to consume us.
16Toen Judas en het volk deze berichten vernamen, belegden zij een grote vergadering, om te beraadslagen, wat zij konden doen voor hun broeders, die in nood verkeerden en door de heidenen werden bestookt.
16Now when Judas and all the people heard these words, a great assembly met together to consider what they should do for their brethren that were in trouble, and were assaulted by them.
17En Judas zeide tot zijn broer Sjimon: Kies mannen uit, en trek naar Galilea op, om uw broeders aldaar te bevrijden; ikzelf zal met mijn broer Jonatan naar Gilad gaan.
17And Judas said to Simon his brother: Choose thee men, and go, and deliver they brethren in Galilee: and I, and my brother Jonathan will go into the country of Galaad.
18Josef, den zoon van Zekarja, en Azarja liet hij als aanvoerders met de rest van het leger in Judea als dekking achter;
18And he left Joseph the son of Zacharias, and Azarias captains of the people with the remnant of the army in Judea to keep it:
19hij gaf hun echter bevel: Neemt de leiding over deze mannen; maar begint geen gevecht met de heidenen, voordat wij terug zijn.
19And he commanded them, saying: Take ye the charge of this people: but make no war against the heathens, till we return.
20Sjimon kreeg drieduizend man, om tegen Galilea op te trekken, en Judas achtduizend man voor zijn tocht tegen Gilad.
20Now three thousand men were alloted to Simon, to go into Galilee: and eight thousand to Judas to go into the land of Galaad.
21Nu rukte Sjimon naar Galilea op, en leverde een reeks veldslagen tegen de heidenen. Ze werden door hem verslagen, en hij zette ze na tot aan de poort van Ptolemáis.
21And Simon went into Galilee, and fought many battles with the heathens: and the heathens were discomfited before his face, and he pursued them even to the gate of Ptolemais.
22Van de heidenen sneuvelden er ongeveer drieduizend man, wier krijgsuitrusting hij in beslag nam.
22And there fell of the heathens almost three thousand men, and he took the spoils of them,
23Daarna nam hij de Joden uit Galilea en Arbátta met vrouwen, kinderen en al hun bezittingen mee, en bracht hen onder groot gejubel naar Judea.
23And he took with him those that were in Galilee and in Arbatis with their wives, and children, and all that they had, and he brought them into Judea with great joy.
24Intussen was Judas de Makkabeër met zijn broer Jonatan de Jordaan overgestoken, en drie dagmarsen ver de woestijn ingetrokken.
24And Judas Machabeus, and Jonathan his brother passed over the Jordan, and went three days’ journey through the desert.
25Daar stieten ze op de Nabateërs die hen echter vriendelijk bejegenden, en hun uitvoerig vertelden, wat hun broeders in Gilad was overkomen:
25And the Nabutheans met them, and received them in a peaceable manner, and told them all that happened to their brethren in the land of Galaad,
26dat er namelijk velen van hen waren opgesloten in Bossora, Bossor, Alama, Kasfon, Maked en Karnáin, allemaal versterkte en grote steden;
26And that many of them were shut up in Barasa, and in Bosor, and in Alima, and in Casphor, and in Mageth, and in Carnaim: all these strong and great cities.
27dat er ook in de overige steden van Gilad zaten ingesloten, en dat men bepaald had, de vestingen de volgende dag te belegeren en in te nemen, en alle Joden op één en dezelfde dag te vermoorden.
27Yea, and that they were kept shut up in the rest of the cities of Galaad, and that they had appointed to bring their army on the morrow near to these cities, and to take them and to destroy them all in one day.
28Toen maakte Judas dadelijk met zijn leger rechtsomkeer, in de richting van de woestijn, waar Bossora lag. Hij veroverde de stad, joeg alle mannen over de kling, nam hun gehele buit in beslag, en stak de stad in brand.
28Then Judas and his army suddenly turned their march into the desert, to Bosor, and took the city: and he slew every male by the edge of the sword, and took all their spoils, and burnt it with fire.
29Nog in dezelfde nacht brak hij op, en trok naar de vesting Dátema.
29And they removed from thence by night, and went till they came to the fortress.
30Toen het morgen geworden was, en ze rond konden kijken, zie: daar was een ontelbare drom van soldaten, die ladders en oorlogswerktuigen aansleepten, om de vesting te belegeren en in hun macht te krijgen.
30And it came to pass that early in the morning, when they lifted up their eyes, behold there were people without number, carrying ladders and engines to take the fortress, and assault them.
31Judas begreep, dat de strijd was begonnen. En terwijl uit de stad het rumoer van trompetten en krijgsgeschreeuw de lucht vervulde,
31And Judas saw that the fight was begun, and the cry of the battle went up to heaven like a trumpet, and a great cry out of the city:
32riep hij zijn soldaten toe: Het zijn uw broeders, voor wie gij vandaag hebt te strijden!
32And he said to his host: Fight ye today for your brethren.
33Toen viel hij hen in drie afdelingen van achteren aan, terwijl zij op de trompetten bliezen en hun gebeden lieten weergalmen.
33And he came with three companies behind them, and they sounded their trumpets, and cried out in prayer.
34Maar zodra het leger van Timóteus bemerkte, dat het de Makkabeër was, sloeg het voor hem op de vlucht. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, en die dag vielen er van hen ongeveer achtduizend man.
34And the host of Timotheus understood that it was Machabeus, and they fled away before his face: and they made a great slaughter of them: and there fell of them in that day almost eight thousand men.
35Daarna boog hij af naar Alama, viel het aan, en veroverde het; hij doodde er alle mannen, nam de buit in beslag en stak de stad in brand.
35And Judas turned aside to Maspha, and assaulted, and took it, and he slew every male thereof, and took the spoils thereof, and burnt it with fire.
36Vandaar trok hij verder, en veroverde Kasfon, Maked, Bossor en de overige steden van Gilad.
36From thence he marched, and took Casbon, and Mageth, and Bosor, and the rest of the cities of Galaad.
37Enige tijd later bracht Timóteus een nieuw leger op de been, en stelde het op voor Rafon aan de overzijde van de beek.
37But after this Timotheus gathered another army, and camped over against Raphon beyond the torrent.
38Judas had spionnen naar de legerplaats gezonden, en dezen deelden hem mee: Het is een ontzaglijk leger; alle heidenen hier uit de omtrek hebben zich bij hem aangesloten,
38And Judas sent men to view the army: and they brought him word, saying: All the nations, that are round about us, are assembled unto him an army exceeding great:
39en zelfs Arabieren hebben zij als hulptroepen in dienst genomen. Hun kamp hebben ze opgeslagen aan de overkant van de beek, en ze staan klaar, om tegen u op te trekken. Judas ging dus op hen af.
39And they have hired the Arabians to help them, and they have pitched their tents beyond the torrent, ready to come to fight against thee. And Judas went to meet them.
40Toen Judas met zijn leger de beek naderde, sprak Timóteus tot zijn legeraanvoerders: Wanneer hij het eerst naar ons oversteekt, kunnen we hem geen weerstand bieden; want dan is hij ons de baas.
40And Timotheus said to the captains of his army: When Judas and his army come near the torrent of water, if he pass over unto us first, we shall not be able to withstand him: for he will certainly prevail over us.
41Maar is hij bang, en blijft hij aan de overkant van de stroom, dan moeten wij naar hem oversteken, en zullen wij hem verslaan.
41But if he be afraid to pass over, and camp on the other side of the river, we will pass over to them and shall prevail against him.
42Toen Judas dus dicht bij de beek was gekomen, liet hij de leiders van het volk bij de rivier postvatten, en gaf hun bevel: Niemand mag hier blijven, maar allen moeten de strijd in.
42Now when Judas came near the torrent of water, he set the scribes of the people by the torrent, and commanded them, saying: Suffer no man to stay behind: but let all come to the battle.
43Zelf stak hij het eerst naar hen over, en al zijn soldaten kwamen achter hem aan. Heel het heidenleger bezweek voor hen; ze wierpen hun wapens weg en vluchtten naar de tempel van Karnáin.
43And he passed over to them first, and all the people after him, and all the heathens were discomfited before them, and they threw away their weapons, and fled to the temple that was in Carnaim.
44Maar de Joden veroverden de stad en staken de tempel, met allen die er in waren, in brand. Zo werd Karnáin diep vernederd, en kon zich niet langer tegen Judas verzetten.
44And he took that city, and the temple he burnt with fire, with all things that were therein: and Carnaim was subdued, and could not stand against the face of Judas.
45Daarop bracht Judas alle Israëlieten uit Gilad bijeen, groot en klein, met vrouwen, kinderen, have en goed, om met die geweldige massa naar het land van Juda te gaan.
45And Judas gathered together all the Israelites that were in the land of Galaad, from the least even to the greatest, and their wives, and children, and an army exceeding great, to come into the land of Juda.
46Zo bereikten ze Efron. Dit was een grote en zeer sterke stad, aan een pas gelegen, waar men niet uitwijken kon naar links of naar rechts, doch waar men midden door moest trekken.
46And they came as far as Ephron: now this was a great city situate in the way, strongly fortified, and there was no means to turn from it on the right hand or on the left, but the way was through the midst of it.
47Maar de inwoners der stad sloten de poorten voor hen dicht, en hoopten er stenen tegen op.
47And they that were in the city, shut themselves in, and stopped up the gates with stones: and Judas sent to them with peaceable words,
48Judas liet hun vriendelijk vragen: Geef ons verlof, door uw gebied te trekken, om in ons land te komen. Niemand zal u kwaad doen; wij willen er alleen maar doorheen. Maar zij weigerden, de poorten voor hen te openen.
48Saying: Let us pass through your land, to go into our country: and no man shall hurt you: we will only pass through on foot. But they would not open to them.
49Toen liet Judas in zijn leger het bevel uitvaardigen, dat iedereen moest halt houden op de plaats, waar hij was.
49Then Judas commanded proclamation to be made in the camp, that they should make an assault every man in the place where he was.
50En zodra zijn manschappen halt hadden gehouden, deed hij een aanval op de stad, de hele dag en de hele nacht lang, totdat de stad zich aan hem overgaf.
50And the men of the army drew near, and he assaulted that city all the day, and all the night, and the city was delivered into his hands:
51De mannen joeg hij over de kling, en maakte de stad met de grond gelijk; hij legde beslag op de buit, en rukte over de lijken heen door de stad.
51And they slew every male with the edge of the sword, and he razed the city, and took the spoils thereof, and passed through all the city over them that were slain.
52Daarna trokken ze over de Jordaan en bereikten de grote vlakte tegenover Bet-Sjan.
52Then they passed over the Jordan to the great plain that is over against Bethsan.
53Intussen bleef Judas er voor zorgen, dat zij die achteraan kwamen, bij konden blijven, en de gehele tocht sprak hij het volk moed in, totdat hij in het land van Juda kwam.
53And Judas gathered together the hindmost, and he exhorted the people all the way through, till they came into the land of Juda.
54Verrukt en opgetogen bestegen zij nu de Sionsberg, en droegen brandoffers op, omdat er niemand van hen onderweg was gevallen, maar allen behouden waren teruggekeerd.
54And they went up to mount Sion with joy and gladness, and offered holocausts, because not one of them was slain, till they had returned in peace.
55Terwijl Judas met Jonatan in Gilad vertoefde, en zijn broer Sjimon in Galilea voor Ptolemáis lag,
55Now in the days that Judas and Jonathan were in the land of Galaad, and Simon his brother in Galilee before Ptolemais,
56hoorden de legerbevelhebbers Josef, de zoon van Zekarja, en Azarja van hun heldendaden en gevechten gewagen.
56Joseph the son of Zacharias, and Azarias captain of the soldiers, heard of the good success, and the battles that were fought.
57En ze zeiden: Ook wij willen ons een naam veroveren, door ten strijde te trekken tegen de heidenen in onze omgeving.
57And he said: Let us also get us a name, and let us go fight against the Gentiles that are round about us.
58En zij gaven hun mannen bevel tot de opmars, en rukten tegen Jámnia uit.
58And he gave charge to them that were in his army, and they went towards Jamnia.
59Maar Górgias deed met zijn mannen een uitval uit de stad, en bond de strijd met hen aan.
59And Gorgias and his men went out of the city, to give them battle.
60Josef en Azarja werden verslagen en achterna gezet tot aan de grenzen van Judea; die dag vielen er van de Israëlieten ongeveer tweeduizend man.
60And Joseph and Azarias were put to flight, and were pursued unto the borders of Judea: and there fell, on that day, of the people of Israel about two thousand men, and there was a great overthrow of the people:
61Deze pijnlijke slag trof het volk, omdat zij niet naar Judas en zijn broers hadden geluisterd, maar van heldendaden hadden gedroomd;
61Because they did not hearken to Judas, and his brethren, thinking that they should do manfully.
62bovendien behoorden zij niet tot het geslacht van die mannen, door wie Israël de vrijheid moest krijgen.
62But they were not of the seed of those men by whom salvation was brought to Israel.
63Niettemin bleven Judas, de held, en zijn broers in het hoogste aanzien staan bij heel Israël en zelfs bij al de heidenen; en waar maar hun naam werd bekend,
63And the men of Juda were magnified exceedingly in the sight of all Israel, and of all the nations where their name was heard.
64ging men naar hen toe en wenste hun geluk.
64And people assembled to them with joyful acclamations.
65Daarna rukte Judas uit met zijn broers, om tegen de zonen van Esau te strijden in het land, dat naar het zuiden ligt. Hij veroverde Hebron en de onderhorige plaatsen, slechtte de vestingwerken, en stak op alle punten de torens in brand.
65Then Judas and his brethren went forth and attacked the children of Esau, in the land toward the south, and he took Chebron, and her towns: and he burnt the walls thereof and the towers all round it.
66Vandaar rukte hij verder op voor een tocht tegen het land der Filistijnen, en trok door Maresja.
66And he removed his camp to go into the land of the aliens, and he went through Samaria.
67Op die dag vielen er verschillende priesters op het slagveld, omdat ook zij heldendaden wilden verrichten, en zich onbekookt in de strijd hadden gewaagd.
67In that day some priests fell in battle, while desiring to do manfully they went out unadvisedly to fight.
68Daarna boog Judas af naar Asjdod in het land der Filistijnen, vernielde er de altaren, verbrandde hun afgodsbeelden, nam uit de steden de buit met zich mee, en keerde naar het land van Juda terug.
68And Judas turned to Azotus into the land of the strangers, and he threw down their altars, and he burnt the statues of their gods with fire: and he took the spoils of the cities, and returned into the land of Juda.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.