1 Makkabeeen 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Judas had van de roem der Romeinen gehoord: dat ze buitengewoon machtig waren; dat ze allen, die toenadering zochten, welwillend bejegenden, en met eenieder, die zich bij hen wilde aansluiten, een bondgenootschap sloten; kortom, dat ze machtig waren en sterk.
1Now Judas heard of the fame of the Romans, that they are powerful and strong, and willingly agree to all things that are requested of them: and that whosoever have come to them, they have made amity with them, and that they are mighty in power.
2Zo vertelde men hem van hun oorlogen en heldendaden tegen de Galliërs; hoe zij hen hadden overwonnen en schatplichtig gemaakt.
2And they heard of their battles, and their noble acts, which they had done in Galatia, how they conquered them, and brought them under tribute:
3Wat zij in Spanje hadden gedaan; hoe zij zich daar van de gouden zilvermijnen hadden meester gemaakt,
3And how great things they had done in the land of Spain, and that they had brought under their power the mines of silver and of gold that are there, and had gotten possession of all the place by their counsel and patience:
4en ondanks de zeer grote afstand het hele land door hun overleg en volharding hadden bemachtigd. Zij hadden zelfs de koningen, die van de uiteinden der aarde tegen hen waren opgetrokken, verslagen, en hun zware nederlagen toegebracht, terwijl de overigen hun jaarlijks schatting moesten betalen.
4And had conquered places that were very far off from them, and kings that came against them from the ends of the earth, and had overthrown them with great slaughter: and the rest pay them tribute every year.
5Zij hadden Filippus en Pérseus, koning der Kittiërs, met andere opstandelingen in een oorlog verslagen, en aan hun macht onderworpen.
5And that they had defeated in battle Philip, and Perses the king of the Ceteans, and the rest that had borne arms against them, and had conquered them:
6Zij hadden ook Antiochus den Grote, koning van Azië, verslagen, ofschoon hij met honderd twintig olifanten, ruiters, strijdwagens en een reusachtig leger tegen hen ten strijde was getrokken,
6And how Antiochus the great king of Asia, who went to fight against them, having a hundred and twenty elephants, with horsemen, and chariots, and a very great army, was routed by them:
7en hem levend gevangen genomen; zij hadden hemzelf en zijn troonopvolgers verplicht, een hoge schatting aan hen te betalen en gijzelaars uit te leveren; zij hadden hem zijn mooiste stukken grondgebied afgenomen,
7And how they took him alive, and appointed to him, that both he and they that should reign after him, should pay a great tribute, and that he should give hostages, and that which was agreed upon,
8zoals Pisidië, Miluas en Lúdië, en het aan koning Eúmenes geschonken.
8And the country of the Indians, and of the Medes, and of the Lydians, some of their best provinces: and those which they had taken from them they gave to king Eumenes.
9Zij hadden, zodra zij van het plan der Grieken hadden gehoord, die besloten hadden, hen te komen vernielen,
9And that they who were in Greece had a mind to go and to destroy them: and they had knowledge thereof,
10een veldheer op hen afgezonden, de strijd tegen hen aangebonden en velen van hen in de pan gehakt; zij hadden hun vrouwen en kinderen gevangen weggevoerd, hen uitgeplunderd, hun land in bezit genomen, hun vestingen verwoest, en hen aan zich onderworpen tot op de dag van vandaag.
10And they sent a general against them, and fought with them, and many of them were slain, and they carried away their wives and their children captives, and spoiled them, and took possession of their land, and threw down their walls, and brought them to be their servants unto this day.
11Zij hadden andere koninkrijken en eilanden vernield, die zich nog ergens tegen hen verzetten, en ze onder hun heerschappij gebracht. Maar met hun vrienden en bondgenoten hadden ze vriendschapsbetrekkingen aangeknoopt.
11And the other kingdoms, and islands, that at any time had resisted them, they had destroyed and brought under their power.
12En zo heersten zij over koninkrijken, dicht bij en veraf, en wie hun naam maar hoorde, beefde voor hen.
12But with their friends, and such as relied upon them, they kept amity, and had conquered kingdoms that were near, and that were far off: for all that heard their name, were afraid of them.
13Iedereen, dien zij koning wilden maken, werd koning; maar iedereen, dien zij niet wilden, zetten ze af; zo groot was hun macht!
13That whom they had a mind to help to a kingdom, those reigned: and whom they would, they deposed from a kingdom: and they were greatly exalted.
14En toch was er niemand onder hen, die zich de kroon op het hoofd zette, of zich in purper stak, om er mee te pronken.
14And none of all these wore a crown, or was clothed in purple, to be magnified thereby.
15Integendeel, zij hadden een volksraad ingesteld van driehonderd twintig raadsleden, die zich dagelijks uitsluitend bezighielden met het welzijn van het volk, dat zij goed wilden besturen.
15And that they made themselves a senate house, and consulted daily three hundred and twenty men, that sat in council always for the people, that they might do the things that were right.
16Elk jaar vertrouwden dezen de regering van het gehele rijk aan één man toe, en hem gehoorzaamden zij allen zonder nijd of afgunst.
16And that they committed their government to one man every year, to rule over all their country, and they all obey one, and there is no envy, nor jealousy amongst them.
17Daarom koos Judas nu Eupólemus uit, den zoon van Johannes en kleinzoon van Akkus, met Jáson, den zoon van Elazar, en zond hen naar Rome, om vriend- en bondgenootschap met hen te sluiten,
17So Judas chose Eupolemus the son of John, the son of Jacob, and Jason the son of Eleazar, and he sent them to Rome to make a league of amity and confederacy with them.
18en om daardoor bevrijd te worden van de griekse overheersing, die zoals zij wel zouden bemerken, zwaar op Israël drukte.
18And that they might take off from them the yoke of the Grecians, for they saw that they oppressed the kingdom of Israel with servitude.
19Ze trokken dus naar Rome, en traden na een zeer lange reis de senaat binnen; en daar spraken zij:
19And they went to Rome, a very long journey, and they entered into the senate house, and said:
20Judas de Makkabeër, zijn broeders en het volk der Joden zenden ons tot u, om bondgenootschap en vrede met u te sluiten, en onder uw bondgenoten en vrienden te worden opgenomen.
20Judas Machabeus, and his brethren, and the people of the Jews have sent us to you, to make alliance and peace with you, and that we may be registered your confederates and friends.
21Dit voorstel keurden zij goed.
21And the proposal was pleasing in their sight.
22De tekst van de oorkonde, die zij op koperen platen lieten graveren, en naar Jerusalem zonden als een gedenkstuk van de vrede en het bondgenootschap, luidt als volgt:
22And this is the copy of the writing that they wrote back again, graven in tables of brass, and sent to Jerusalem, that it might be with them there for a memorial of the peace and alliance.
23Moge het de Romeinen en het volk der Joden altijd goed gaan te land en ter zee, en zwaard en vijand ver van hen blijven!
23GOOD SUCCESS BE TO THE ROMANS, and to the people of the Jews, by sea and by land for ever: and far be the sword and enemy from them.
24Wanneer Rome of een van zijn bondgenoten in het gehele rijksgebied het eerst door een oorlog wordt bedreigd,
24But if there come first any war upon the Romans, or any of their confederates, in all their dominions:
25dan zal het volk der Joden, naarmate de omstandigheden het van hen vorderen, vastbesloten aan de strijd deelnemen.
25The nation of the Jews shall help them according as the time shall direct, with all their heart:
26Zij behoeven echter de strijders niet te helpen door het leveren van graan, wapens, geld of schepen tenzij Rome het goedvindt. Aan deze bepalingen zullen zij zich houden, zonder er iets voor te krijgen.
26Neither shall they give them, whilst they are fighting, or furnish them with wheat, or arms, or money, or ships, as it hath seemed good to the Romans: and they shall obey their orders, without taking any thing of them.
27Maar wanneer het volk der Joden het eerst in een oorlog wordt gewikkeld, dan zullen de Romeinen hun op dezelfde wijze bereidwillig te hulp komen, naarmate de omstandigheden het van hen vorderen.
27In like manner also if war shall come first upon the nation of the Jews, the Romans shall help them with all their heart, according as the time shall permit them.
28Maar ook zij behoeven hun bondgenoten geen graan, wapens, geld of schepen te leveren, tenzij Rome het goedvindt. Zij zullen zich eerlijk aan deze bepalingen houden.
28And there shall not be given to them that come to their aid, either wheat, or arms, or money, or ships, as it hath seemed good to the Romans: and they shall observe their orders without deceit.
29Op grond van deze bepalingen sluiten de Romeinen met het volk der Joden een verdrag.
29According to these articles did the Romans covenant with the people of the Jews.
30Zou echter een der partijen later iets willen aanvullen of schrappen, dan kunnen zij dat met onderling goedvinden doen; iedere toevoeging of weglating zal dan van kracht zijn.
30And if after this one party or the other shall have a mind to add to these articles, or take away anything, they may do it at their pleasure: and whatsoever they shall add, or take away, shall be ratified.
31En wat de schade betreft, die koning Demétrius hun toebrengt, daarover hebben wij hem het volgende geschreven: Waarom legt gij onze vrienden en bondgenoten, de Joden, zulk een zwaar juk op?
31Moreover concerning the evils that Demetrius the king hath done against them, we have written to him, saying: Why hast thou made thy yoke heavy upon our friends, and allies, the Jews?
32Wanneer zij in het vervolg nog klachten tegen u inbrengen, zullen wij hun recht verschaffen, en u te land en ter zee bestrijden.
32If therefore they come again to us complaining of thee, we will do them justice, and will make war against thee by sea and land.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.