Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Daarom trok Johannes uit Gézer, om zijn vader Sjimon mede te delen, wat Kendebéus had uitgericht.
1Then John came up from Gazara, and told Simon his father what Cendebeus had done against their people.
2Toen riep Sjimon zijn twee oudste zonen Judas en Johannes, en sprak tot hen: Ik, mijn broers en het huis van mijn vader, wij hebben van onze jeugd tot heden toe voor Israël gestreden, en meermalen is het ons gelukt, Israël te bevrijden.
2And Simon called his two eldest sons, Judas and John, and said to them: I and my brethren, and my father’s house, have fought against the enemies of Israel from our youth even to this day: and things have prospered so well in our hands that we have delivered Israel oftentimes.
3Nu echter ben ik oud geworden, maar gij zijt door Gods genade nog in de kracht van uw jaren. Neemt dus mijn plaats in en die van mijn broer. Trekt uit ten strijde voor ons volk en moge de hulp van de Hemel u vergezellen!
3And now I am old, but be you instead of me, and my brethren, and go out, and fight for our nation: and the help from heaven be with you.
4Daarop deed Johannes uit de bevolking een keuze van twintigduizend man voetvolk en ruiterij. Dezen trokken tegen Kendebéus op, en overnachtten te Modin.
4Then he chose out of the country twenty thousand fighting men, and horsemen, and they went forth against Cendebeus: and they rested in Modin.
5De volgende morgen rukten zij uit, en gingen de vlakte in; en zie: daar stond tegenover hen een groot leger van voetvolk en ruiters, die alleen door een beek van hen waren gescheiden.
5And they arose in the morning, and went into the plain: and behold a very great army of footmen and horsemen came against them, and there was a running river between them.
6Toen hij zich met zijn leger tegen hen had opgesteld, en bemerkte, dat zijn mannen er tegen opzagen, de beek over te steken, trok hij er zelf het eerst overheen. Toen de soldaten dit zagen, trokken ze achter hem aan.
6And he and his people pitched their camp over against them, and he saw that the people were afraid to go over the river, so he went over first: then the men seeing him, passed over after him.
7Aanstonds verdeelde hij zijn troepen; en daar de vijandelijke ruiterij zeer talrijk was, plaatste hij de zijne tussen het voetvolk.
7And he divided the people, and set the horsemen in the midst of the footmen: but the horsemen of the enemies were very numerous.
8Maar zodra zij op de trompetten bliezen, werd Kendebéus met zijn leger op de vlucht geslagen. Velen hunner werden gewond en gedood; de overigen vluchtten naar de vesting.
8And they sounded the holy trumpets: and Cendebeus and his army were put to flight: and there fell many of them wounded, and the rest fled into the strong hold.
9Ook Judas, de broer van Johannes, werd toen gewond. Maar Johannes zette de achtervolging voort tot aan Kedron. dat Kendebéus versterkt had.
9At that time Judas John’s brother was wounded: but John pursued after them, till he came to Cedron, which he had built:
10Nu vluchtten zij naar de vestingen in het gebied van Asjdod; maar hij stak de stad in brand, en er sneuvelden van hen ongeveer tweeduizend man. Daarna keerde hij behouden naar Judea terug.
10And they fled even to the towers that were in the fields of Azotus, and he burnt them with fire. And there fell of them two thousand men, and he returned into Judea in peace.
11Intussen was Ptoleméus, de zoon van Aboébus, tot bevelhebber over de vlakte van Jericho aangesteld. Hij bezat veel zilver en goud,
11Now Ptolemee the son of Abobus was appointed captain in the plain of Jericho, and he had abundance of silver and gold,
12omdat hij een schoonzoon van den hogepriester was.
12For he was son in law of the high priest.
13Maar hij werd eerzuchtig en hunkerde er naar, zich van het land meester te maken. Hij smeedde dus een verraderlijk plan tegen Sjimon en zijn zonen, om hen uit de weg te ruimen.
13And his heart was lifted up, and he designed to make himself master of the country, and he purposed treachery against Simon, and his sons, to destroy them.
14Nu was Sjimon gewoon, de steden in het land af te reizen, om te weten, wat ze nodig hadden. Zo ging hij ook naar Jericho, vergezeld van zijn zonen Mattitja en Judas; het was de elfde maand van het jaar 177, welke maand Sjebat genoemd wordt
14Now Simon, as he was going through the cities that were in the country of Judea, and taking care for the good ordering of them, went down to Jericho, he and Mathathias and Judas his sons, in the year one hundred and seventy-seven, the eleventh month: the same is the month Sabath.
15De zoon van Aboébus ontving hen als een verrader in de kleine vesting Dok, die hij gebouwd had, en waar hij een groot drinkgelag voor hen had aangericht, maar ook zijn handlangers verborgen hield.
15And the son of Abobus received them deceitfully into a little fortress, that is called Doch which he had built: and he made them a great feast, and hid men there.
16Toen Sjimon en zijn zonen dan ook dronken waren, kwamen Ptoleméus en zijn mannen te voorschijn, grepen hun wapens, overvielen Sjimon in de eetzaal, en vermoordden hem met zijn twee zonen en enkelen van hun gevolg.
16And when Simon and his sons had drunk plentifully, Ptolemee and his men rose up and took their weapons, and entered into the banqueting place, and slew him, and his two sons, and some of his servants.
17Zo maakte hij zich aan grote trouweloosheid schuldig, en vergold goed met kwaad.
17And he committed a great treachery in Israel, and rendered evil for good.
18Ptoleméus stelde den koning hiervan schriftelijk in kennis, in de hoop, dat hij hem hulptroepen zou zenden, en hun land met de steden aan hem zou overdragen.
18And Ptolemee wrote these things and sent to the king that he should send him an army to aid him, and he would deliver him the country, and their cities, and tributes.
19Bovendien zond hij een andere groep naar Gézer uit, om Johannes te doden. Ook liet hij de bevelhebbers schriftelijk uitnodigen, bij hem te komen, omdat hij hun zilver, goud en andere geschenken wilde geven.
19And he sent others to Gazara to kill John: and to the tribunes he sent letters to come to him, and that he would give them silver, and gold, and gifts.
20Zelfs zond hij anderen uit, om Jerusalem en de tempelberg te veroveren.
20And he sent others to take Jerusalem, and the mountain of the temple.
21Maar er was iemand vooruit gelopen, om Johannes in Gézer te melden, dat zijn vader en zijn broers waren vermoord, en dat hij er mannen op uit had gestuurd, om ook hem te vermoorden.
21Now one running before, told John in Gazara, that his father and his brethren were slain, and that he hath sent men to kill thee also.
22Bij dit bericht ontstelde hij hevig. Hij liet echter de mannen, die hem kwamen vermoorden, dadelijk bij hun aankomst gevangen nemen en doden; want hij wist nu, dat zij hem wilden vermoorden.
22But when he heard it he was exceedingly afraid: and he apprehended the men that came to kill him, and he put them to death: for he knew that they sought to make him away.
23De verdere geschiedenis van Johannes, met zijn oorlogen en heldendaden, het opbouwen der muren en al wat hij deed,
23And as concerning the rest of the acts of John, and his wars, and the worthy deeds, which he bravely achieved, and the building of the walls, which he made, and the things that he did:
24ziet, dat alles is opgetekend in de kronieken van zijn hogepriesterschap, van het ogenblik af, dat hij zijn vader opvolgde als hogepriester.
24Behold these are written in the book of the days of his priesthood, from the time he was made high priest after his father.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.