Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Daarom trok Johannes uit Gézer, om zijn vader Sjimon mede te delen, wat Kendebéus had uitgericht.
1Et ascendit Joannes de Gazaris, et nuntiavit Simoni patri suo quæ fecit Cendebæus in populo ipsorum.
2Toen riep Sjimon zijn twee oudste zonen Judas en Johannes, en sprak tot hen: Ik, mijn broers en het huis van mijn vader, wij hebben van onze jeugd tot heden toe voor Israël gestreden, en meermalen is het ons gelukt, Israël te bevrijden.
2Et vocavit Simon duos filios seniores, Judam et Joannem, et ait illis: Ego, et fratres mei, et domus patris mei expugnavimus hostes Israël ab adolescentia usque in hunc diem: et prosperatum est in manibus nostris liberare Israël aliquoties.
3Nu echter ben ik oud geworden, maar gij zijt door Gods genade nog in de kracht van uw jaren. Neemt dus mijn plaats in en die van mijn broer. Trekt uit ten strijde voor ons volk en moge de hulp van de Hemel u vergezellen!
3Nunc autem senui: sed estote loco meo, et fratres mei, et egressi pugnate pro gente nostra: auxilium vero de cælo vobiscum sit.
4Daarop deed Johannes uit de bevolking een keuze van twintigduizend man voetvolk en ruiterij. Dezen trokken tegen Kendebéus op, en overnachtten te Modin.
4Et elegit de regione viginti millia virorum belligeratorum, et equites: et profecti sunt ad Cendebæum, et dormierunt in Modin.
5De volgende morgen rukten zij uit, en gingen de vlakte in; en zie: daar stond tegenover hen een groot leger van voetvolk en ruiters, die alleen door een beek van hen waren gescheiden.
5Et surrexerunt mane, et abierunt in campum: et ecce exercitus copiosus in obviam illis peditum et equitum: et fluvius torrens erat inter medium ipsorum.
6Toen hij zich met zijn leger tegen hen had opgesteld, en bemerkte, dat zijn mannen er tegen opzagen, de beek over te steken, trok hij er zelf het eerst overheen. Toen de soldaten dit zagen, trokken ze achter hem aan.
6Et admovit castra contra faciem eorum ipse et populus ejus, et vidit populum trepidantem ad transfretandum torrentem: et transfretavit primus, et viderunt eum viri, et transierunt post eum.
7Aanstonds verdeelde hij zijn troepen; en daar de vijandelijke ruiterij zeer talrijk was, plaatste hij de zijne tussen het voetvolk.
7Et divisit populum et equites in medio peditum: erat autem equitatus adversariorum copiosus nimis.
8Maar zodra zij op de trompetten bliezen, werd Kendebéus met zijn leger op de vlucht geslagen. Velen hunner werden gewond en gedood; de overigen vluchtten naar de vesting.
8Et exclamaverunt sacris tubis, et in fugam conversus est Cendebæus et castra ejus: et ceciderunt ex eis multi vulnerati: residui autem in munitionem fugerunt.
9Ook Judas, de broer van Johannes, werd toen gewond. Maar Johannes zette de achtervolging voort tot aan Kedron. dat Kendebéus versterkt had.
9Tunc vulneratus est Judas frater Joannis: Joannes autem insecutus est eos, donec venit Cedronem, quam ædificavit:
10Nu vluchtten zij naar de vestingen in het gebied van Asjdod; maar hij stak de stad in brand, en er sneuvelden van hen ongeveer tweeduizend man. Daarna keerde hij behouden naar Judea terug.
10et fugerunt usque ad turres, quæ erant in agris Azoti, et succendit eas igni. Et ceciderunt ex illis duo millia virorum, et reversus est in Judæam in pace.
11Intussen was Ptoleméus, de zoon van Aboébus, tot bevelhebber over de vlakte van Jericho aangesteld. Hij bezat veel zilver en goud,
11Et Ptolemæus filius Abobi constitutus erat dux in campo Jericho, et habebat argentum et aurum multum:
12omdat hij een schoonzoon van den hogepriester was.
12erat enim gener summi sacerdotis.
13Maar hij werd eerzuchtig en hunkerde er naar, zich van het land meester te maken. Hij smeedde dus een verraderlijk plan tegen Sjimon en zijn zonen, om hen uit de weg te ruimen.
13Et exaltatum est cor ejus, et volebat obtinere regionem, et cogitabat dolum adversus Simonem et filios ejus, ut tolleret eos.
14Nu was Sjimon gewoon, de steden in het land af te reizen, om te weten, wat ze nodig hadden. Zo ging hij ook naar Jericho, vergezeld van zijn zonen Mattitja en Judas; het was de elfde maand van het jaar 177, welke maand Sjebat genoemd wordt
14Simon autem, perambulans civitates quæ erant in regione Judææ, et sollicitudinem gerens earum, descendit in Jericho ipse, et Mathathias filius ejus, et Judas, anno centesimo septuagesimo septimo, mense undecimo: hic est mensis Sabath.
15De zoon van Aboébus ontving hen als een verrader in de kleine vesting Dok, die hij gebouwd had, en waar hij een groot drinkgelag voor hen had aangericht, maar ook zijn handlangers verborgen hield.
15Et suscepit eos filius Abobi in munitiunculam, quæ vocatur Doch, cum dolo, quam ædificavit: et fecit eis convivium magnum, et abscondit illic viros.
16Toen Sjimon en zijn zonen dan ook dronken waren, kwamen Ptoleméus en zijn mannen te voorschijn, grepen hun wapens, overvielen Sjimon in de eetzaal, en vermoordden hem met zijn twee zonen en enkelen van hun gevolg.
16Et cum inebriatus esset Simon et filii ejus, surrexit Ptolemæus cum suis, et sumpserunt arma sua, et intraverunt in convivium: et occiderunt eum, et duos filios ejus, et quosdam pueros ejus:
17Zo maakte hij zich aan grote trouweloosheid schuldig, en vergold goed met kwaad.
17et fecit deceptionem magnam in Israël, et reddidit mala pro bonis.
18Ptoleméus stelde den koning hiervan schriftelijk in kennis, in de hoop, dat hij hem hulptroepen zou zenden, en hun land met de steden aan hem zou overdragen.
18Et scripsit hæc Ptolemæus, et misit regi ut mitteret ei exercitum in auxilium, et traderet ei regionem, et civitates eorum, et tributa.
19Bovendien zond hij een andere groep naar Gézer uit, om Johannes te doden. Ook liet hij de bevelhebbers schriftelijk uitnodigen, bij hem te komen, omdat hij hun zilver, goud en andere geschenken wilde geven.
19Et misit alios in Gazaram tollere Joannem: et tribunis misit epistolas, ut venirent ad se, et daret eis argentum, et aurum, et dona.
20Zelfs zond hij anderen uit, om Jerusalem en de tempelberg te veroveren.
20Et alios misit occupare Jerusalem et montem templi.
21Maar er was iemand vooruit gelopen, om Johannes in Gézer te melden, dat zijn vader en zijn broers waren vermoord, en dat hij er mannen op uit had gestuurd, om ook hem te vermoorden.
21Et præcurrens quidam, nuntiavit Joanni in Gazara quia periit pater ejus et fratres ejus, et quia misit te quoque interfici.
22Bij dit bericht ontstelde hij hevig. Hij liet echter de mannen, die hem kwamen vermoorden, dadelijk bij hun aankomst gevangen nemen en doden; want hij wist nu, dat zij hem wilden vermoorden.
22Ut audivit autem, vehementer expavit: et comprehendit viros, qui venerant perdere eum, et occidit eos: cognovit enim quia quærebant eum perdere.
23De verdere geschiedenis van Johannes, met zijn oorlogen en heldendaden, het opbouwen der muren en al wat hij deed,
23Et cetera sermonum Joannis, et bellorum ejus, et bonarum virtutum, quibus fortiter gessit, et ædificii murorum, quos exstruxit, et rerum gestarum ejus:
24ziet, dat alles is opgetekend in de kronieken van zijn hogepriesterschap, van het ogenblik af, dat hij zijn vader opvolgde als hogepriester.
24ecce hæc scripta sunt in libro dierum sacerdotii ejus, ex quo factus est princeps sacerdotum post patrem suum.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.