Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Intussen doorkruiste koning Antiochus de hoger gelegen gebieden. Daar hoorde hij, dat er in Elumáis van Perzië een stad moest liggen, die beroemd was om haar rijkdom, haar zilver en goud.
1Et rex Antiochus perambulabat superiores regiones, et audivit esse civitatem Elymaidem in Perside nobilissimam, et copiosam in argento et auro,
2Ook haar tempel moest buitengewoon rijk zijn, en in het bezit van gouden wapenrustingen, pantsers en zwaarden, die de macedonische koning Alexander, de zoon van Filippus en eerste koning der Grieken, daar had achtergelaten.
2templumque in ea locuples valde, et illic velamina aurea, et loricæ, et scuta, quæ reliquit Alexander Philippi rex Macedo, qui regnavit primus in Græcia.
3Hij trok er derhalve op af, en trachtte de stad in te nemen en leeg te plunderen. Maar het gelukte hem niet, omdat zijn plan aan de inwoners verraden werd.
3Et venit, et quærebat capere civitatem, et deprædari eam: et non potuit, quoniam innotuit sermo his qui erant in civitate:
4Integendeel, zij rukten tegen hem op; hij moest de vlucht nemen, en trok hevig teleurgesteld vandaar naar Babylonië terug.
4et insurrexerunt in prælium, et fugit inde, et abiit cum tristitia magna, et reversus est in Babyloniam.
5Bovendien kwam men hem in Perzië berichten, dat de legers, die tegen het land Juda waren opgetrokken, de nederlaag hadden geleden;
5Et venit qui nuntiaret ei in Perside, quia fugata sunt castra quæ erant in terra Juda:
6dat ook Lúsias aan het hoofd van een machtig leger was opgerukt, maar eveneens door de Joden verslagen was; dat de Joden hun bewapening hadden versterkt door de grote buit, die zij op het verslagen leger hadden behaald;
6et quia abiit Lysias cum virtute forti in primis, et fugatus est a facie Judæorum, et invaluerunt armis, et viribus, et spoliis multis, quæ ceperunt de castris, quæ exciderunt:
7dat zij de gruwel hadden neergehaald, die hij op het brandofferaltaar te Jerusalem had opgericht, en evenals vroeger het heiligdom aan alle kanten met hoge muren hadden omringd; en dat zij hetzelfde met zijn stad Bet-Soer hadden gedaan.
7et quia diruerunt abominationem, quam ædificaverat super altare quod erat in Jerusalem: et sanctificationem, sicut prius, circumdederunt muris excelsis, sed et Bethsuram civitatem suam.
8Bij het horen van deze berichten stond de koning verbijsterd en hevig geschokt. Hij moest zich te bed leggen en werd ziek van ergernis, omdat het hem niet was gegaan, zoals hij verwacht had.
8Et factum est ut audivit rex sermones istos, expavit, et commotus est valde: et decidit in lectum, et incidit in languorem præ tristitia, quia non factum est ei sicut cogitabat.
9Zo lag hij daar vele dagen lang, telkens opnieuw door grote ergernis verbitterd. Toen hij dacht, dat hij sterven ging,
9Et erat illic per dies multos, quia renovata est in eo tristitia magna, et arbitratus est se mori.
10ontbood hij al zijn vertrouwelingen, en sprak tot hen: De slaap is van mijn ogen geweken, en van kommer is mij de moed ontzonken.
10Et vocavit omnes amicos suos, et dixit illis: Recessit somnus ab oculis meis, et concidi, et corrui corde præ sollicitudine:
11Ik denk bij mijzelf: In wat een ellende ben ik geraakt, en hoe groot is de rampspoed, waarin ik mij nu bevind: ik die heel mijn regering in aanzien stond en bemind was.
11et dixi in corde meo: In quantam tribulationem deveni, et in quos fluctus tristitiæ, in qua nunc sum: qui jucundus eram, et dilectus in potestate mea !
12Nu eerst herinner ik mij al het leed, dat ik Jerusalem heb berokkend: hoe ik daar al de gouden en zilveren vaten heb weggeroofd, en soldaten heb afgezonden, om de bewoners van Juda eenvoudig te vermoorden.
12Nunc vero reminiscor malorum quæ feci in Jerusalem, unde et abstuli omnia spolia aurea et argentea quæ erant in ea, et misi auferre habitantes Judæam sine causa.
13Nu zie ik in, dat dit de reden is, waarom deze rampen mij treffen, en waarom ik van grote ellende in een vreemd land zal moeten sterven.
13Cognovi ergo quia propterea invenerunt me mala ista: et ecce pereo tristitia magna in terra aliena.
14Daarna ontbood hij Filippus, een van zijn vertrouwelingen, en stelde hem aan over heel zijn rij;
14Et vocavit Philippum, unum de amicis suis, et præposuit eum super universum regnum suum:
15hij reikte hem de diadeem, zijn mantel en de zegelring over, daar hij zijn zoon Antiochus moest opvoeden en nog op het koningschap moest voorbereiden.
15et dedit ei diadema, et stolam suam, et annulum, ut adduceret Antiochum filium suum, et nutriret eum, et regnaret.
16Zo stierf koning Antiochus daar in het jaar 6:149.
16Et mortuus est illic Antiochus rex anno centesimo quadragesimo nono.
17Maar toen Lúsias hoorde, dat de koning gestorven was, riep hij diens zoon Antiochus, dien hij in zijn jeugd had opgevoed, tot koning uit, en gaf hem de bijnaam Eúpator.
17Et cognovit Lysias quoniam mortuus est rex, et constituit regnare Antiochum filium ejus, quem nutrivit adolescentem: et vocavit nomen ejus Eupator.
18Ondertussen bleef de burchtbezetting rondom het heiligdom Israël lastig vallen; ze waren er op uit, hun op alle mogelijke manieren schade toe te brengen en de heidenen te beschermen.
18Et hi qui erant in arce, concluserant Israël in circuitu sanctorum: et quærebant eis mala semper, et firmamentum gentium.
19Daarom besloot Judas, hen uit de weg te ruimen, en riep hij het gehele volk op, om hen te gaan belegeren.
19Et cogitavit Judas disperdere eos: et convocavit universum populum, ut obsiderent eos.
20Ze sloten zich dus aaneen, en begonnen met de belegering in het jaar 150, waarbij gebruik werd gemaakt van schiettorens en belegeringswerktuigen.
20Et convenerunt simul, et obsederunt eos anno centesimo quinquagesimo, et fecerunt ballistas et machinas.
21Toch wisten enkelen door de omsingeling heen te breken. Bij hen sloten zich ook enige afvallige Israëlieten aan,
21Et exierunt quidam ex eis qui obsidebantur: et adjunxerunt se illis aliqui impii ex Israël,
22en samen reisden ze naar den koning, en zeiden: Hoe lang nog talmt gij, om recht te doen, en laat gij onze broeders ongewroken?
22et abierunt ad regem, et dixerunt: Quousque non facis judicium, et vindicas fratres nostros?
23Wij hebben uw vader graag gediend; we hielden ons aan zijn voorschriften en volgden zijn bevelen op.
23Nos decrevimus servire patri tuo, et ambulare in præceptis ejus, et obsequi edictis ejus:
24Maar hierom zijn onze volksgenoten ons vijandig geworden; meer nog: al de onzen, die hun in handen vielen, werden vermoord, en onze bezittingen hebben ze in beslag genomen.
24et filii populi nostri propter hoc alienabant se a nobis, et quicumque inveniebantur ex nobis, interficiebantur, et hæreditates nostræ diripiebantur.
25En niet alleen naar ons, maar ook naar alle grensgebieden hebben ze de hand uitgestoken.
25Et non ad nos tantum extenderunt manum, sed et in omnes fines nostros:
26En nu zijn ze weer begonnen, de burcht van Jerusalem te belegeren, om hem in te nemen, nadat ze de tempel en Bet-Soer al hebben versterkt.
26et ecce applicuerunt hodie ad arcem Jerusalem occupare eam, et munitionem Bethsuram munierunt:
27Wanneer gij niet onmiddellijk ingrijpt, zullen zij nog erger dingen doen, en zult gij hen niet kunnen tegenhouden.
27et nisi præveneris eos velocius, majora quam hæc facient, et non poteris obtinere eos.
28Toen de koning dit hoorde, werd hij woedend, en riep al zijn rijksgroten op met de bevelhebbers van het voetvolk en van de ruiterij.
28Et iratus est rex, ut hæc audivit: et convocavit omnes amicos suos, et principes exercitus sui, et eos qui super equites erant:
29Ook uit het buitenland en van de eilanden stroomden hem huurtroepen toe;
29sed et de regnis aliis et de insulis maritimis venerunt ad eum exercitus conductitii.
30het getal van zijn leger bedroeg honderdduizend man voetvolk, twintigduizend ruiters en twee en dertig olifanten, die voor de oorlog waren afgericht.
30Et erat numerus exercitus ejus, centum millia peditum, et viginti millia equitum, et elephanti triginta duo, docti ad prælium.
31Dezen trokken door Iduméa, en begonnen Bet-Soer te belegeren. Lang duurde de strijd, waarbij men gebruik maakte van belegeringswerktuigen; maar de Joden deden telkens een uitval, staken ze in brand en streden moedig.
31Et venerunt per Idumæam, et applicuerunt ad Bethsuram, et pugnaverunt dies multos: et fecerunt machinas, et exierunt, et succenderunt eas igni, et pugnaverunt viriliter.
32Daarom liet Judas de burcht maar liggen, trok het leger van den koning tegemoet, en sloeg bij Bet-Zekarja zijn legerplaats op.
32Et recessit Judas ab arce, et movit castra ad Bethzacharam contra castra regis.
33Maar voor dag en dauw brak de koning op, en liet zijn leger in allerijl naar Bet-Zekarja trekken, waar de troepen onder het schetteren der trompetten zich in slagorde stelden.
33Et surrexit rex ante lucem, et concitavit exercitus in impetum contra viam Bethzacharam: et comparaverunt se exercitus in prælium, et tubis cecinerunt:
34Ook maakte men de olifanten dronken met druivennat en moerbeiensap, om ze strijdlustig te maken.
34et elephantis ostenderunt sanguinem uvæ et mori, ad acuendos eos in prælium:
35Daarna deelde men de dieren bij de verschillende afdelingen in. Bij elken olifant stelde men duizend man op, die met schubbenpantsers waren bedekt en koperen helmen droegen. Bovendien werd bij elk dier nog een afdeling van vijfhonderd uitstekende ruiters gevoegd,
35et diviserunt bestias per legiones, et astiterunt singulis elephantis mille viri in loricis concatenatis, et galeæ æreæ in capitibus eorum: et quingenti equites ordinati unicuique bestiæ electi erant.
36die het dier reeds enige tijd overal hadden vergezeld, en er overal mee waren opgetrokken, zonder zich er ooit van te scheiden.
36Hi ante tempus, ubicumque erat bestia, ibi erant: et quocumque ibat, ibant, et non discedebant ab ea.
37Op elk dier bevond zich een sterke, goed beschutte houten toren, die er op een bijzondere wijze op was vastgemaakt, en waarin zich, behalve een Indiër als drijver, twee of drie mannen bevonden, die erop moesten vechten.
37Sed et turres ligneæ super eos firmæ protegentes super singulas bestias: et super eas machinæ: et super singulas viri virtutis triginta duo, qui pugnabant desuper: et Indus magister bestiæ.
38De rest van de ruiterij stelde hij op aan weerskanten van de beide legervleugels, met het doel, om verwarring te stichten en de legerkorpsen te dekken.
38Et residuum equitatum hinc et inde statuit in duas partes, tubis exercitum commovere, et perurgere constipatos in legionibus ejus.
39Toen nu de zon op de gouden en koperen schilden schitterde, weerkaatste het licht op de bergen, die als vlammende fakkels begonnen te gloeien.
39Et ut refulsit sol in clypeos aureos et æreos, resplenduerunt montes ab eis, et resplenduerunt sicut lampades ignis.
40Een gedeelte van het koninklijk leger verspreidde zich over de bergen en een ander over de vlakte; zo rukten zij zelfverzekerd en in volmaakte orde vooruit.
40Et distincta est pars exercitus regis per montes excelsos, et alia per loca humilia: et ibant caute et ordinate.
41En allen, die de dreun dezer drommen, de opmars dezer massa en het wapengekletter hoorden, begonnen te sidderen. Want het leger was buitengewoon groot en sterk.
41Et commovebantur omnes inhabitantes terram a voce multitudinis, et incessu turbæ, et collisione armorum: erat enim exercitus magnus valde, et fortis.
42Nu rukte Judas ook met zijn leger vooruit, en begon de strijd; en van het koninklijk leger sneuvelden zeshonderd man.
42Et appropiavit Judas et exercitus ejus in prælium, et ceciderunt de exercitu regis sexcenti viri.
43Intussen had Elazar, ook Hauran genoemd, bemerkt, hoe een der dieren met de koninklijke pantserversiering was opgetuigd en boven de andere dieren uitstak. Hij besloot er uit, dat de koning zich daarop moest bevinden.
43Et vidit Eleazar filius Saura unam de bestiis loricatam loricis regis: et erat eminens super ceteras bestias, et visum est ei quod in ea esset rex:
44Toen offerde hij zich op, om zijn volk te redden en zichzelf voor altijd beroemd te maken.
44et dedit se ut liberaret populum suum, et acquireret sibi nomen æternum.
45Moedig stormde hij er op af, midden door de slaglinie heen; links en rechts sloeg hij er neer, zodat men aan beide kanten voor hem moest wijken.
45Et cucurrit ad eam audacter in medio legionis, interficiens a dextris et a sinistris, et cadebant ab eo huc atque illuc.
46Nu kroop hij onder den olifant, doorstak hem van onderen, en doodde hem. Het dier zakte bovenop hem in elkaar, en hij vond hier de dood.
46Et ivit sub pedes elephantis, et supposuit se ei, et occidit eum: et cecidit in terram super ipsum, et mortuus est illic.
47Toen zij nu echter de kracht van het koninklijk leger en de druk van de troepen gewaar werden, weken ze voor hen terug.
47Et videntes virtutem regis, et impetum exercitus ejus, diverterunt se ab eis.
48Het koninklijk leger trok nu naar Jerusalem op, om hen onder schot te krijgen, en de koning sloeg daar zijn kamp op, om tegen Judea en de berg Sion te strijden.
48Castra autem regis ascenderunt contra eos in Jerusalem, et applicuerunt castra regis ad Judæam, et montem Sion.
49Hij had vrede gesloten met de bevolking van Bet-Soer, die de stad had moeten verlaten, omdat ze geen voedsel meer had, om de belegering uit te houden, daar het een sabbatjaar was voor het bouwland.
49Et fecit pacem cum his qui erant in Bethsura: et exierunt de civitate, quia non erant eis ibi alimenta conclusis, quia sabbata erant terræ.
50Zo alleen was de koning in het bezit van Bet-Soer gekomen, en had hij er een bezetting in kunnen leggen, om het te bewaken.
50Et comprehendit rex Bethsuram: et constituit illic custodiam servare eam.
51Nu belegerde hij gedurende lange tijd het heiligdom, en stelde er schiettorens tegen op en andere belegeringswerktuigen: toestellen, om brandpijlen en steenblokken te schieten, en katapulten voor speren en slingers.
51Et convertit castra ad locum sanctificationis dies multos: et statuit illic ballistas, et machinas, et ignis jacula, et tormenta ad lapides jactandos, et spicula, et scorpios ad mittendas sagittas, et fundibula.
52Maar ook de Joden stelden werktuigen tegen de hunne op, en verdedigden zich lange tijd.
52Fecerunt autem et ipsi machinas adversus machinas eorum, et pugnaverunt dies multos.
53Intussen echter waren de levensmiddelen in de opslagplaatsen opgeraakt, omdat men in het sabbatjaar was, en het overschot van de vroegere oogst was opgeteerd door hen, die uit vrees voor de heidenen in Judea een onderkomen hadden gevonden.
53Escæ autem non erant in civitate, eo quod septimus annus esset: et qui remanserant in Judæa de gentibus, consumpserant reliquias eorum, quæ repositæ fuerant.
54Zo waren er nog maar weinig mannen in het heiligdom achtergebleven; want de hongersnood had hen gedwongen, uit elkaar te gaan, iedereen naar zijn eigen woonplaats.
54Et remanserunt in sanctis viri pauci, quoniam obtinuerat eos fames: et dispersi sunt unusquisque in locum suum.
55Toen Lúsias echter vernam, dat Filippus, dien koning Antiochus nog bij zijn leven had aangewezen, om zijn zoon Antiochus voor het koningschap op te leiden,
55Et audivit Lysias quod Philippus, quem constituerat rex Antiochus cum adhuc viveret, ut nutriret Antiochum filium suum, et regnaret,
56uit Perzië en Medië was teruggekomen met de troepen, die den koning waren gevolgd, en nu probeerde, de regering in handen te krijgen,
56reversus esset a Perside et Media, et exercitus qui abierat cum ipso, et quia quærebat suscipere regni negotia:
57zette hij er alles op, om zo spoedig mogelijk weg te trekken. Daarom sprak hij tot den koning, de legerbevelhebbers en manschappen: Wij worden met de dag zwakker en hebben maar weinig levensmiddelen meer; en de plaats, die wij belegeren, is sterk. Bovendien vraagt het rijk zelf al onze zorgen.
57festinavit ire, et dicere ad regem, et duces exercitus: Deficimus quotidie, et esca nobis modica est; et locus, quem obsidemus, est munitus, et incumbit nobis ordinare de regno.
58Laat ons daarom deze mensen de hand bieden, vrede met hen sluiten en met geheel hun volk,
58Nunc itaque demus dextras hominibus istis, et faciamus cum illis pacem, et cum omni gente eorum:
59en hun verlof geven volgens hun eigen zeden te leven evenals vroeger. Want omdat wij hun gebruiken hebben afgeschaft, zijn zij woedend geworden, en hebben al deze dingen gedaan.
59et constituamus illis ut ambulent in legitimis suis sicut prius: propter legitima enim ipsorum, quæ despeximus, irati sunt, et fecerunt omnia hæc.
60Dit voorstel beviel den koning en zijn legeraanvoerders, en hij liet hun dus de vrede aanbieden. Zij namen hem aan;
60Et placuit sermo in conspectu regis et principum: et misit ad eos pacem facere, et receperunt illam.
61en omdat de koning en zijn veldheren hem met een eed hadden bekrachtigd, verlieten zij de vesting,
61Et juravit illis rex et principes, et exierunt de munitione.
62en hield de koning zijn intocht op de Sionsberg. Maar toen hij zag, hoe sterk dit punt was verdedigd, verbrak hij de eed, die hij gezworen had, en gaf bevel, de muren aan alle kanten te slechten.
62Et intravit rex montem Sion, et vidit munitionem loci: et rupit citius juramentum quod juravit, et mandavit destruere murum in gyro.
63Daarop trok hij haastig weg, en keerde naar Antiochië terug; daar vond hij Filippus, die de stad in zijn macht hield; hij viel hem aan, en nam de stad met geweld in.
63Et discessit festinanter, et reversus est Antiochiam, et invenit Philippum dominantem civitati: et pugnavit adversus eum, et occupavit civitatem.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.