Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen de heidenen uit de omtrek hadden vernomen, dat het brandofferaltaar weer was opgebouwd en het heiligdom weer in zijn vroegere staat was hersteld, werden ze woedend;
1Et factum est, ut audierunt gentes in circuitu quia ædificatum est altare et sanctuarium sicut prius, iratæ sunt valde:
2ze besloten, het geslacht van Jakob, dat in hun midden leefde, uit te roeien, en begonnen reeds het volk te moorden en te vernielen.
2et cogitabant tollere genus Jacob, qui erant inter eos, et cœperunt occidere de populo, et persequi.
3Daarom trok Judas op tegen de zonen van Esau in Judea, die zich in Akrabatténe hadden gevestigd, en die het Israël in de omtrek lastig maakten. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, maakte ze weerloos en plunderde ze uit.
3Et debellabat Judas filios Esau in Idumæa, et eos qui erant in Acrabathane, quia circumsedebant Israëlitas: et percussit eos plaga magna.
4Daarbij herinnerde hij zich de laagheid van de bewoners van Bajan, die het volk valstrikken en hinderlagen hadden gelegd en langs de wegen op hen hadden geloerd.
4Et recordatus est malitiam filiorum Bean, qui erant populo in laqueum et in scandalum, insidiantes ei in via.
5Hij sloot ze op in hun torens, belegerde hen, trof ze met de banvloek, en stak de torens met allen, die erin waren, in brand.
5Et conclusi sunt ab eo in turribus, et applicuit ad eos, et anathematizavit eos, et incendit turres eorum igni cum omnibus qui in eis erant.
6Vandaar trok hij verder naar de zonen van Ammon, waar hij op een sterke weermacht stiet met veel soldaten, die onder bevel van Timóteus stonden.
6Et transivit ad filios Ammon, et invenit manum fortem, et populum copiosum, et Timotheum ducem ipsorum:
7In een reeks gevechten, die hij hun leverde, werden zij door hem in het nauw gedreven, en geheel verslagen.
7et commisit cum eis prælia multa, et contriti sunt in conspectu eorum, et percussit eos:
8En nadat hij ook Jazer had bedwongen met de onderhorige plaatsen, keerde hij naar Judea terug.
8et cepit Gazer civitatem et filias ejus, et reversus est in Judæam.
9Ook de heidenen van Gilad hadden tegen de Israëlieten, die hun gebied bewoonden, samengespannen, om hen uit te roeien. Dezen waren naar de vesting Dátema gevlucht,
9Et congregatæ sunt gentes quæ sunt in Galaad adversus Israëlitas, qui erant in finibus eorum, ut tollerent eos: et fugerunt in Datheman munitionem.
10en zonden nu brieven aan Judas en zijn broers met de volgende inhoud: De heidenen uit onze omgeving hebben tegen ons samengespannen, om ons uit te roeien.
10Et miserunt litteras ad Judam et fratres ejus, dicentes: Congregatæ sunt adversum nos gentes per circuitum, ut nos auferant,
11Ze staan klaar, om een aanval te doen en de vesting te veroveren, waarin wij gevlucht zijn, en Timóteus heeft de leiding over hun troepen.
11et parant venire, et occupare munitionem, in quam confugimus: et Timotheus est dux exercitus eorum.
12Kom ons dus uit hun handen redden! Reeds velen van ons zijn gesneuveld.
12Nunc ergo veni, et eripe nos de manibus eorum, quia cecidit multitudo de nobis.
13Al onze broeders, die de streek Toebi bewoonden, hebben ze vermoord, en hun vrouwen, kinderen en bezittingen meegenomen; ze hebben ongeveer duizend man omgebracht.
13Et omnes fratres nostri, qui erant in locis Tubin, interfecti sunt: et captivas duxerunt uxores eorum, et natos, et spolia, et peremerunt illic fere mille viros.
14Nog was men bezig de brieven te lezen, toen er ook uit Galilea boden in gescheurde kleren aankwamen, die hetzelfde berichtten:
14Et adhuc epistolæ legebantur, et ecce alii nuntii venerunt de Galilæa conscissis tunicis, nuntiantes secundum verba hæc:
15Ptolemáis, Tyrus en Sidon, ja het gehele heidense Galilea heeft samengespannen, om ons uit de weg te ruimen.
15dicentes convenisse adversum se a Ptolemaida, et Tyro, et Sidone: et repleta est omnis Galilæa alienigenis, ut nos consumant.
16Toen Judas en het volk deze berichten vernamen, belegden zij een grote vergadering, om te beraadslagen, wat zij konden doen voor hun broeders, die in nood verkeerden en door de heidenen werden bestookt.
16Ut audivit autem Judas et populus sermones istos, convenit ecclesia magna cogitare quid facerent fratribus suis, qui in tribulatione erant, et expugnabantur ab eis.
17En Judas zeide tot zijn broer Sjimon: Kies mannen uit, en trek naar Galilea op, om uw broeders aldaar te bevrijden; ikzelf zal met mijn broer Jonatan naar Gilad gaan.
17Dixitque Judas Simoni fratri suo: Elige tibi viros, et vade, et libera fratres tuos in Galilæa: ego autem et frater meus Jonathas ibimus in Galaaditim.
18Josef, den zoon van Zekarja, en Azarja liet hij als aanvoerders met de rest van het leger in Judea als dekking achter;
18Et reliquit Josephum filium Zachariæ, et Azariam, duces populi, cum residuo exercitu in Judæa ad custodiam:
19hij gaf hun echter bevel: Neemt de leiding over deze mannen; maar begint geen gevecht met de heidenen, voordat wij terug zijn.
19et præcepit illis, dicens: Præestote populo huic: et nolite bellum committere adversum gentes, donec revertamur.
20Sjimon kreeg drieduizend man, om tegen Galilea op te trekken, en Judas achtduizend man voor zijn tocht tegen Gilad.
20Et partiti sunt Simoni viri tria millia, ut iret in Galilæam: Judæ autem octo millia in Galaaditim.
21Nu rukte Sjimon naar Galilea op, en leverde een reeks veldslagen tegen de heidenen. Ze werden door hem verslagen, en hij zette ze na tot aan de poort van Ptolemáis.
21Et abiit Simon in Galilæam, et commisit prælia multa cum gentibus: et contritæ sunt gentes a facie ejus, et persecutus est eos usque ad portam
22Van de heidenen sneuvelden er ongeveer drieduizend man, wier krijgsuitrusting hij in beslag nam.
22Ptolemaidis: et ceciderunt de gentibus fere tria millia virorum. Et accepit spolia eorum,
23Daarna nam hij de Joden uit Galilea en Arbátta met vrouwen, kinderen en al hun bezittingen mee, en bracht hen onder groot gejubel naar Judea.
23et assumpsit eos qui erant in Galilæa et in Arbatis, cum uxoribus, et natis, et omnibus quæ erant illis, et adduxit in Judæam cum lætitia magna.
24Intussen was Judas de Makkabeër met zijn broer Jonatan de Jordaan overgestoken, en drie dagmarsen ver de woestijn ingetrokken.
24Et Judas Machabæus, et Jonathas frater ejus, transierunt Jordanem, et abierunt viam trium dierum per desertum.
25Daar stieten ze op de Nabateërs die hen echter vriendelijk bejegenden, en hun uitvoerig vertelden, wat hun broeders in Gilad was overkomen:
25Et occurrerunt eis Nabuthæi, et susceperunt eos pacifice, et narraverunt eis omnia quæ acciderant fratribus eorum in Galaaditide,
26dat er namelijk velen van hen waren opgesloten in Bossora, Bossor, Alama, Kasfon, Maked en Karnáin, allemaal versterkte en grote steden;
26et quia multi ex eis comprehensi sunt in Barasa, et Bosor, et in Alimis, et in Casphor, et Mageth, et Carnaim: hæ omnes civitates munitæ et magnæ.
27dat er ook in de overige steden van Gilad zaten ingesloten, en dat men bepaald had, de vestingen de volgende dag te belegeren en in te nemen, en alle Joden op één en dezelfde dag te vermoorden.
27Sed et in ceteris civitatibus Galaaditidis tenentur comprehensi, et in crastinum constituerunt admovere exercitum civitatibus his, et comprehendere, et tollere eos in una die.
28Toen maakte Judas dadelijk met zijn leger rechtsomkeer, in de richting van de woestijn, waar Bossora lag. Hij veroverde de stad, joeg alle mannen over de kling, nam hun gehele buit in beslag, en stak de stad in brand.
28Et convertit Judas et exercitus ejus viam in desertum Bosor repente, et occupavit civitatem: et occidit omnem masculum in ore gladii, et accepit omnia spolia eorum, et succendit eam igni.
29Nog in dezelfde nacht brak hij op, en trok naar de vesting Dátema.
29Et surrexerunt inde nocte, et ibant usque ad munitionem.
30Toen het morgen geworden was, en ze rond konden kijken, zie: daar was een ontelbare drom van soldaten, die ladders en oorlogswerktuigen aansleepten, om de vesting te belegeren en in hun macht te krijgen.
30Et factum est diluculo, cum elevassent oculos suos, ecce populus multus, cujus non erat numerus, portantes scalas et machinas ut comprehenderent munitionem, et expugnarent eos.
31Judas begreep, dat de strijd was begonnen. En terwijl uit de stad het rumoer van trompetten en krijgsgeschreeuw de lucht vervulde,
31Et vidit Judas quia cœpit bellum, et clamor belli ascendit ad cælum sicut tuba, et clamor magnus de civitate:
32riep hij zijn soldaten toe: Het zijn uw broeders, voor wie gij vandaag hebt te strijden!
32et dixit exercitui suo: Pugnate hodie pro fratribus vestris.
33Toen viel hij hen in drie afdelingen van achteren aan, terwijl zij op de trompetten bliezen en hun gebeden lieten weergalmen.
33Et venit tribus ordinibus post eos, et exclamaverunt tubis, et clamaverunt in oratione.
34Maar zodra het leger van Timóteus bemerkte, dat het de Makkabeër was, sloeg het voor hem op de vlucht. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, en die dag vielen er van hen ongeveer achtduizend man.
34Et cognoverunt castra Timothei quia Machabæus est, et refugerunt a facie ejus: et percusserunt eos plaga magna. Et ceciderunt ex eis in die illa fere octo millia virorum.
35Daarna boog hij af naar Alama, viel het aan, en veroverde het; hij doodde er alle mannen, nam de buit in beslag en stak de stad in brand.
35Et divertit Judas in Maspha, et expugnavit, et cepit eam: et occidit omnem masculum ejus, et sumpsit spolia ejus, et succendit eam igni.
36Vandaar trok hij verder, en veroverde Kasfon, Maked, Bossor en de overige steden van Gilad.
36Inde perrexit, et cepit Casbon, et Mageth, et Bosor, et reliquas civitates Galaaditidis.
37Enige tijd later bracht Timóteus een nieuw leger op de been, en stelde het op voor Rafon aan de overzijde van de beek.
37Post hæc autem verba congregavit Timotheus exercitum alium, et castra posuit contra Raphon trans torrentem.
38Judas had spionnen naar de legerplaats gezonden, en dezen deelden hem mee: Het is een ontzaglijk leger; alle heidenen hier uit de omtrek hebben zich bij hem aangesloten,
38Et misit Judas speculari exercitum: et renuntiaverunt ei, dicentes: Quia convenerunt ad eum omnes gentes quæ in circuitu nostro sunt, exercitus multus nimis:
39en zelfs Arabieren hebben zij als hulptroepen in dienst genomen. Hun kamp hebben ze opgeslagen aan de overkant van de beek, en ze staan klaar, om tegen u op te trekken. Judas ging dus op hen af.
39et Arabas conduxerunt in auxilium sibi, et castra posuerunt trans torrentem, parati ad te venire in prælium. Et abiit Judas obviam illis.
40Toen Judas met zijn leger de beek naderde, sprak Timóteus tot zijn legeraanvoerders: Wanneer hij het eerst naar ons oversteekt, kunnen we hem geen weerstand bieden; want dan is hij ons de baas.
40Et ait Timotheus principibus exercitus sui: Cum appropinquaverit Judas, et exercitus ejus, ad torrentem aquæ: si transierit ad nos prior, non poterimus sustinere eum, quia potens poterit adversum nos;
41Maar is hij bang, en blijft hij aan de overkant van de stroom, dan moeten wij naar hem oversteken, en zullen wij hem verslaan.
41si vero timuerit transire, et posuerit castra extra flumen, transfretamus ad eos, et poterimus adversus illum.
42Toen Judas dus dicht bij de beek was gekomen, liet hij de leiders van het volk bij de rivier postvatten, en gaf hun bevel: Niemand mag hier blijven, maar allen moeten de strijd in.
42Ut autem appropinquavit Judas ad torrentem aquæ, statuit scribas populi secus torrentem, et mandavit eis, dicens: Neminem hominem reliqueritis, sed veniant omnes in prælium.
43Zelf stak hij het eerst naar hen over, en al zijn soldaten kwamen achter hem aan. Heel het heidenleger bezweek voor hen; ze wierpen hun wapens weg en vluchtten naar de tempel van Karnáin.
43Et transfretavit ad illos prior, et omnis populus post eum, et contritæ sunt omnes gentes a facie eorum, et projecerunt arma sua, et fugerunt ad fanum, quod erat in Carnaim.
44Maar de Joden veroverden de stad en staken de tempel, met allen die er in waren, in brand. Zo werd Karnáin diep vernederd, en kon zich niet langer tegen Judas verzetten.
44Et occupavit ipsam civitatem, et fanum succendit igni cum omnibus qui erant in ipso: et oppressa est Carnaim, et non potuit sustinere contra faciem Judæ.
45Daarop bracht Judas alle Israëlieten uit Gilad bijeen, groot en klein, met vrouwen, kinderen, have en goed, om met die geweldige massa naar het land van Juda te gaan.
45Et congregavit Judas universos Israëlitas, qui erant in Galaaditide, a minimo usque ad maximum, et uxores eorum, et natos, et exercitum magnum valde, ut venirent in terram Juda.
46Zo bereikten ze Efron. Dit was een grote en zeer sterke stad, aan een pas gelegen, waar men niet uitwijken kon naar links of naar rechts, doch waar men midden door moest trekken.
46Et venerunt usque Ephron: et hæc civitas magna in ingressu posita, munita valde, et non erat declinare ab ea dextera vel sinistra, sed per mediam iter erat.
47Maar de inwoners der stad sloten de poorten voor hen dicht, en hoopten er stenen tegen op.
47Et incluserunt se qui erant in civitate, et obstruxerunt portas lapidibus: et misit ad eos Judas verbis pacificis,
48Judas liet hun vriendelijk vragen: Geef ons verlof, door uw gebied te trekken, om in ons land te komen. Niemand zal u kwaad doen; wij willen er alleen maar doorheen. Maar zij weigerden, de poorten voor hen te openen.
48dicens: Transeamus per terram vestram, ut eamus in terram nostram: et nemo vobis nocebit, tantum pedibus transibimus. Et nolebant eis aperire.
49Toen liet Judas in zijn leger het bevel uitvaardigen, dat iedereen moest halt houden op de plaats, waar hij was.
49Et præcepit Judas prædicare in castris, ut applicarent unusquisque in quo erat loco:
50En zodra zijn manschappen halt hadden gehouden, deed hij een aanval op de stad, de hele dag en de hele nacht lang, totdat de stad zich aan hem overgaf.
50et applicuerunt se viri virtutis, et oppugnavit civitatem illam tota die et tota nocte, et tradita est civitas in manu ejus:
51De mannen joeg hij over de kling, en maakte de stad met de grond gelijk; hij legde beslag op de buit, en rukte over de lijken heen door de stad.
51et peremerunt omnem masculum in ore gladii, et eradicavit eam, et accepit spolia ejus: et transivit per totam civitatem super interfectos.
52Daarna trokken ze over de Jordaan en bereikten de grote vlakte tegenover Bet-Sjan.
52Et transgressi sunt Jordanem in campo magno, contra faciem Bethsan.
53Intussen bleef Judas er voor zorgen, dat zij die achteraan kwamen, bij konden blijven, en de gehele tocht sprak hij het volk moed in, totdat hij in het land van Juda kwam.
53Et erat Judas congregans extremos, et exhortabatur populum per totam viam, donec venirent in terram Juda:
54Verrukt en opgetogen bestegen zij nu de Sionsberg, en droegen brandoffers op, omdat er niemand van hen onderweg was gevallen, maar allen behouden waren teruggekeerd.
54et ascenderunt in montem Sion cum lætitia, et gaudio, et obtulerunt holocausta, quod nemo ex eis cecidisset donec reverterentur in pace.
55Terwijl Judas met Jonatan in Gilad vertoefde, en zijn broer Sjimon in Galilea voor Ptolemáis lag,
55Et in diebus quibus erat Judas et Jonathas in terra Galaad, et Simon frater ejus in Galilæa contra faciem Ptolemaidis,
56hoorden de legerbevelhebbers Josef, de zoon van Zekarja, en Azarja van hun heldendaden en gevechten gewagen.
56audivit Josephus Zachariæ filius, et Azarias princeps virtutis, res bene gestas, et prælia quæ facta sunt,
57En ze zeiden: Ook wij willen ons een naam veroveren, door ten strijde te trekken tegen de heidenen in onze omgeving.
57et dixit: Faciamus et ipsi nobis nomen, et eamus pugnare adversus gentes quæ in circuitu nostro sunt.
58En zij gaven hun mannen bevel tot de opmars, en rukten tegen Jámnia uit.
58Et præcepit his qui erant in exercitu suo, et abierunt Jamniam.
59Maar Górgias deed met zijn mannen een uitval uit de stad, en bond de strijd met hen aan.
59Et exivit Gorgias de civitate, et viri ejus obviam illis in pugnam.
60Josef en Azarja werden verslagen en achterna gezet tot aan de grenzen van Judea; die dag vielen er van de Israëlieten ongeveer tweeduizend man.
60Et fugati sunt Josephus et Azarias usque in fines Judææ: et ceciderunt illo die de populo Israël ad duo millia viri, et facta est fuga magna in populo:
61Deze pijnlijke slag trof het volk, omdat zij niet naar Judas en zijn broers hadden geluisterd, maar van heldendaden hadden gedroomd;
61quia non audierunt Judam, et fratres ejus, existimantes fortiter se facturos.
62bovendien behoorden zij niet tot het geslacht van die mannen, door wie Israël de vrijheid moest krijgen.
62Ipsi autem non erant de semine virorum illorum, per quos salus facta est in Israël.
63Niettemin bleven Judas, de held, en zijn broers in het hoogste aanzien staan bij heel Israël en zelfs bij al de heidenen; en waar maar hun naam werd bekend,
63Et viri Juda magnificati sunt valde in conspectu omnis Israël, et gentium omnium ubi audiebatur nomen eorum.
64ging men naar hen toe en wenste hun geluk.
64Et convenerunt ad eos fausta acclamantes.
65Daarna rukte Judas uit met zijn broers, om tegen de zonen van Esau te strijden in het land, dat naar het zuiden ligt. Hij veroverde Hebron en de onderhorige plaatsen, slechtte de vestingwerken, en stak op alle punten de torens in brand.
65Et exivit Judas et fratres ejus, et expugnabant filios Esau in terra quæ ad austrum est, et percussit Chebron et filias ejus: et muros ejus, et turres succendit igni in circuitu.
66Vandaar rukte hij verder op voor een tocht tegen het land der Filistijnen, en trok door Maresja.
66Et movit castra ut iret in terram alienigenarum, et perambulabat Samariam.
67Op die dag vielen er verschillende priesters op het slagveld, omdat ook zij heldendaden wilden verrichten, en zich onbekookt in de strijd hadden gewaagd.
67In die illa ceciderunt sacerdotes in bello, dum volunt fortiter facere, dum sine consilio exeunt in prælium.
68Daarna boog Judas af naar Asjdod in het land der Filistijnen, vernielde er de altaren, verbrandde hun afgodsbeelden, nam uit de steden de buit met zich mee, en keerde naar het land van Juda terug.
68Et declinavit Judas in Azotum in terram alienigenarum, et diruit aras eorum, et sculptilia deorum ipsorum succendit igni: et cepit spolia civitatum, et reversus est in terram Juda.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.