1 Makkabeeen 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen Demétrius vernomen had, dat Nikánor en zijn leger in de strijd waren gevallen, zond hij Bakchides en Alkimus voor de tweede maal naar Judea, en wel aan het hoofd van de rechtervleugel.
1Interea, ut audivit Demetrius quia cecidit Nicanor et exercitus ejus in prælio, apposuit Bacchidem et Alcimum rursum mittere in Judæam, et dextrum cornu cum illis.
2Zij sloegen de weg in naar Galilea, belegerden Massalot in het gebied van Arbéla, veroverden het en vermoordden er velen.
2Et abierunt viam quæ ducit in Galgala, et castra posuerunt in Masaloth, quæ est in Arbellis: et occupaverunt eam, et peremerunt animas hominum multas.
3Daarop sloegen zij in de eerste maand van het jaar 152 het beleg om Jerusalem.
3In mense primo anni centesimi et quinquagesimi secundi, applicuerunt exercitum ad Jerusalem:
4Zij braken echter weer op, en trokken met twintigduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters naar Beréa,
4et surrexerunt, et abierunt in Beream viginti millia virorum, et duo millia equitum.
5omdat Judas met drieduizend uitstekende soldaten in Elasa lag.
5Et Judas posuerat castra in Laisa, et tria millia viri electi cum eo:
6Maar toen de Joden nu de geweldige overmacht zagen, begonnen er velen bang te worden, en vluchtten weg uit het legerkamp, zodat er nog slechts achthonderd man van hen overbleven.
6et viderunt multitudinem exercitus, quia multi sunt, et timuerunt valde: et multi subtraxerunt se de castris, et non remanserunt ex eis nisi octingenti viri.
7Zo moest Judas het aanzien, hoe zijn leger uiteen viel op het ogenblik, dat hij gedwongen werd, slag te leveren. Hij was zeer terneergeslagen, omdat hij geen tijd had, hen weer te verzamelen.
7Et vidit Judas quod defluxit exercitus suus, et bellum perurgebat eum, et confractus est corde, quia non habebat tempus congregandi eos, et dissolutus est.
8En in zijn vertwijfeling riep hij de overgeblevenen toe: Vooruit; trekken wij tegen onze vijanden op; misschien zijn we hun toch nog de baas!
8Et dixit his qui residui erant: Surgamus, et eamus ad adversarios nostros, si poterimus pugnare adversus eos.
9Men poogde nog, hem hiervan af te brengen, en zeide: Dat kunnen we niet! We moeten nu ons eigen leven maar redden. Later kunnen we dan met onze broeders terugkeren, en tegen hen vechten; nu zijn wij met veel te weinig man.
9Et avertebant eum, dicentes: Non poterimus, sed liberemus animas nostras modo, et revertamur ad fratres nostros, et tunc pugnabimus adversus eos: nos autem pauci sumus.
10Maar Judas sprak: Dàt zal nooit gebeuren; nooit gaan we voor hen op de vlucht! Wanneer ons uur is gekomen, laat ons dan moedig voor onze broeders sterven, en geen vlek op onze roem laten kleven.
10Et ait Judas: Absit istam rem facere ut fugiamus ab eis: et si appropiavit tempus nostrum, moriamur in virtute propter fratres nostros, et non inferamus crimen gloriæ nostræ.
11Daarop trokken de troepen de legerplaats uit. De Syriërs stelden zich tegen hen op; hun ruiterij was in tweeën gesplitst, en aan de spits van het leger trokken de slingeraars en boogschutters met alle dappere voorvechters.
11Et movit exercitus de castris, et steterunt illis obviam: et divisi sunt equites in duas partes, et fundibularii et sagittarii præibant exercitum, et primi certaminis omnes potentes.
12Bakchides bevond zich op de rechtervleugel. Van twee kanten rukten nu de slaglinies vooruit onder het schetteren van de trompetten.
12Bacchides autem erat in dextro cornu, et proximavit legio ex duabus partibus, et clamabant tubis:
13Ook Judas' mannen bliezen op de trompetten, zodat de aarde dreunde van het lawaai der legers. En van de morgen tot de avond woedde de slag.
13exclamaverunt autem et hi qui erant ex parte Judæ etiam ipsi, et commota est terra a voce exercituum: et commissum est prælium a mane usque ad vesperam.
14Zodra Judas bemerkte, dat Bakchides zich met de kern van het leger op de rechtervleugel bevond, schaarden alle dappere mannen zich om hem heen,
14Et vidit Judas quod firmior est pars exercitus Bacchidis in dextris, et convenerunt cum ipso omnes constantes corde:
15verpletterden de rechtervleugel en zetten ze achterna tot het gebergte van Azor.
15et contrita est dextera pars ab eis, et persecutus est eos usque ad montem Azoti.
16Maar toen de soldaten op de linkervleugel zagen, dat de rechter verslagen was, zwenkten zij om, en gingen snel achter Judas en de zijnen aan.
16Et qui in sinistro cornu erant, viderunt quod contritum est dextrum cornu, et secuti sunt post Judam, et eos qui cum ipso erant, a tergo:
17Nu ontspon zich een verschrikkelijk gevecht, en aan beide zijden vielen ze bij hopen.
17et ingravatum est prælium, et ceciderunt vulnerati multi ex his et ex illis.
18Ook Judas viel; en nu sloeg de rest op de vlucht.
18Et Judas cecidit, et ceteri fugerunt.
19Maar Jonatan en Sjimon wisten hun broer Judas nog mee te nemen, en begroeven hem in het graf van zijn vaderen te Modin.
19Et Jonathas et Simon tulerunt Judam fratrem suum, et sepelierunt eum in sepulchro patrum suorum in civitate Modin.
20Daar beweenden ze hem, en heel Israël hield voor hem een plechtige dodenklacht. Dagen lang bleven ze treuren en roepen:
20Et fleverunt eum omnis populus Israël planctu magno, et lugebant dies multos,
21Hoe is de held gevallen, De redder van Israël!
21et dixerunt: Quomodo cecidit potens, qui salvum faciebat populum Israël !
22De verdere geschiedenis van Judas, van zijn oorlogen en de heldendaden, die hij verrichtte, en van zijn grootheid, is niet verder beschreven. Dat zou te veel zijn geweest.
22Et cetera verba bellorum Judæ, et virtutum, quas fecit, et magnitudinis ejus, non sunt descripta: multa enim erant valde.
23Na de dood van Judas doken in heel het gebied van Israël de afvalligen weer op, terwijl ook alle misdadigers het hoofd opstaken.
23Et factum est: post obitum Judæ emerserunt iniqui in omnibus finibus Israël, et exorti sunt omnes qui operabantur iniquitatem.
24En omdat met hen nu ook het land afviel van God, begon er in die tijd een ontzettende hongersnood te woeden.
24In diebus illis facta est fames magna valde, et tradidit se Bacchidi omnis regio eorum cum ipsis.
25Bakchides deed een keuze uit die goddeloze mannen, en stelde hen aan, om het land te besturen.
25Et elegit Bacchides viros impios, et constituit eos dominos regionis:
26Dezen gingen op zoek naar de vrienden van Judas, en brachten ze voor Bakchides, die hen bestrafte en hoonde.
26et exquirebant, et perscrutabantur amicos Judæ, et adducebant eos ad Bacchidem, et vindicabat in illos, et illudebat.
27Zo brak er een heftige vervolging in Israël uit, zoals er sinds het optreden van den laatsten profeet niet meer was geweest.
27Et facta est tribulatio magna in Israël, qualis non fuit ex die qua non est visus propheta in Israël.
28Daarom sloten alle aanhangers van Juda zich aaneen, en zeiden tot Jonatan:
28Et congregati sunt omnes amici Judæ, et dixerunt Jonathæ:
29Sinds de dood van uw broer Judas is er niemand, die evenals hij te velde kan trekken tegen de vijanden, tegen Bakchides en allen, die ons volk haten.
29Ex quo frater tuus Judas defunctus est, vir similis ei non est, qui exeat contra inimicos nostros, Bacchidem et eos qui inimici sunt gentis nostræ.
30Daarom kiezen wij heden u, om in zijn plaats ons opperhoofd en onze aanvoerder te zijn en onze oorlog uit te vechten.
30Nunc itaque, te hodie elegimus esse pro eo nobis in principem, et ducem ad bellandum bellum nostrum.
31Zo nam Jonatan toen de leiding op zich, en trad in de plaats van zijn broer Judas.
31Et suscepit Jonathas tempore illo principatum, et surrexit loco Judæ fratris sui.
32Toen Bakchides hiervan kennis kreeg, stelde hij alle pogingen in het werk, om hem te doden.
32Et cognovit Bacchides, et quærebat eum occidere.
33Maar zodra Jonatan en zijn broer Sjimon met heel zijn aanhang dit vernamen, vluchtten zij naar de woestijn van Tekóa en legerden zich bij de waterput Asfar.
33Et cognovit Jonathas, et Simon frater ejus, et omnes qui cum eo erant: et fugerunt in desertum Thecuæ et consederunt ad aquam lacus Asphar.
no verse 34 in this text
34Et cognovit Bacchides, et die sabbatorum venit ipse et omnis exercitus ejus trans Jordanem.
35Hij liet echter zijn broer Johannes aan het hoofd van de tros wegtrekken, om de Nabateërs, zijn vrienden, te verzoeken, hun omvangrijke bagage bij hen in veiligheid te mogen brengen.
35Et Jonathas misit fratrem suum ducem populi, et rogavit Nabuthæos amicos suos, ut commodarent illis apparatum suum, qui erat copiosus.
36Maar de zonen van Jámbri rukten uit Medeba op, namen Johannes met heel zijn tros gevangen en trokken er mee weg.
36Et exierunt filii Jambri ex Madaba, et comprehenderunt Joannem et omnia quæ habebat, et abierunt habentes ea.
37Enige tijd later berichtte men Jonatan en zijn broer Sjimon, dat de zonen van Jámbri een grote bruiloft zouden vieren, en dat zij de bruid, de dochter van een vooraanstaanden Kanaäniet, met groot gevolg van Nadabat zouden komen afhalen.
37Post hæc verba, renuntiatum est Jonathæ et Simoni fratri ejus, quia filii Jambri faciunt nuptias magnas, et ducunt sponsam ex Madaba filiam unius de magnis principibus Chanaan cum ambitione magna.
38Toen dachten zij aan het bloed van hun broer Johannes, trokken op en verscholen zich in een bergspleet.
38Et recordati sunt sanguinis Joannis fratris sui: et ascenderunt, et absconderunt se sub tegumento montis.
39Zij bleven daar op de uitkijk liggen, en zie: daar naderde een grote rumoerige stoet; daar kwam de bruidegom aan met zijn vrienden en broers, en ging rijk uitgedost de anderen tegemoet met pauken en andere muziekinstrumenten.
39Et elevaverunt oculos suos, et viderunt: et ecce tumultus, et apparatus multus: et sponsus processit, et amici ejus, et fratres ejus obviam illis cum tympanis, et musicis, et armis multis.
40Nu sprongen zij uit hun schuilplaats op hen af, en sloegen hen neer; velen bleven zwaargewond liggen, terwijl de overigen naar de bergen vluchtten. Daarna maakten zij zich meester van al hun have en goed.
40Et surrexerunt ad eos ex insidiis, et occiderunt eos, et ceciderunt vulnerati multi, et residui fugerunt in montes: et acceperunt omnia spolia eorum:
41De bruiloft was in droefheid veranderd, de tonen van hun muziek in gejammer!
41et conversæ sunt nuptiæ in luctum, et vox musicorum ipsorum in lamentum.
42Zo wreekten zij het bloed van hun broer. Daarna trokken ze terug naar het moeras van de Jordaan.
42Et vindicaverunt vindictam sanguinis fratris sui: et reversi sunt ad ripam Jordanis.
43Op het bericht hiervan begaf Bakchides zich met een aanzienlijke legermacht naar de oevers van de Jordaan, juist op een sabbat.
43Et audivit Bacchides, et venit die sabbatorum usque ad oram Jordanis in virtute magna.
44Toch sprak Jonatan tot zijn mannen: Op, we moeten vandaag voor ons leven vechten; want het ziet er heden slechter uit dan ooit.
44Et dixit ad suos Jonathas: Surgamus, et pugnemus contra inimicos nostros: non est enim hodie sicut heri et nudiustertius:
45Ziet, van voren en van achteren bedreigt ons de strijd; links en rechts hebben we de Jordaan met zijn water, en de moerassen met struiken. Er is geen ontkomen meer aan!
45ecce enim bellum ex adverso, aqua vero Jordanis hinc et inde, et ripæ, et paludes, et saltus: et non est locus divertendi.
46Roept dus luid de Hemel aan, opdat gij uit de handen van onze vijanden moogt worden gered!
46Nunc ergo, clamate in cælum, ut liberemini de manu inimicorum vestrorum. Et commissum est bellum.
47En de strijd brandde los; en reeds strekte Jonatan zijn hand uit, om Bakchides te treffen, toen deze door een achterwaartse beweging hem wist te ontwijken.
47Et extendit Jonathas manum suam percutere Bacchidem, et divertit ab eo retro:
48Daarop sprongen Jonatan en zijn mannen in de Jordaan en zwommen naar de overzijde; maar de Syriërs durfden hen niet over de Jordaan achtervolgen.
48et desiliit Jonathas, et qui cum eo erant, in Jordanem, et transnataverunt ad eos Jordanem.
49Op die dag vielen er aan de kant van Bakchides ongeveer duizend man.
49Et ceciderunt de parte Bacchidis die illa mille viri. Et reversi sunt in Jerusalem,
50Daarop keerde deze naar Jerusalem terug. Nu begon hij in Judea versterkte steden te bouwen: de vestingen namelijk te Jericho, Emmaus, Bet-Choron, Betel, Timnata, Faraton en Tefon, alle voorzien van hoge muren, poorten en grendels;
50et ædificaverunt civitates munitas in Judæa, munitionem quæ erat in Jericho, et in Ammaum, et in Bethoron, et in Bethel, et Thamnata, et Phara, et Thopo muris excelsis, et portis, et seris.
51en in elk daarvan legde hij een bezetting, om Israël te bestoken.
51Et posuit custodiam in eis, ut inimicitias exercerent in Israël:
52Daarenboven versterkte hij de stad Bet-Soer, Gézer en de burcht, die hij van troepen en proviand voorzag.
52et munivit civitatem Bethsuram, et Gazaram, et arcem, et posuit in eis auxilia, et apparatum escarum:
53Vervolgens liet hij de zonen van de voornaamste inwoners als gijzelaars pakken, en in de burcht van Jerusalem in verzekerde bewaring houden.
53et accepit filios principum regionis obsides, et posuit eos in arce in Jerusalem in custodiam.
54In de tweede maand van het jaar 153 gaf Alkimus bevel, de muur van de binnenste tempelvoorhof neer te halen, en daardoor het werk der profeten te vernielen. En juist was men met het slopingswerk begonnen,
54Et anno centesimo quinquagesimo tertio, mense secundo, præcepit Alcimus destrui muros domus sanctæ interioris, et destrui opera prophetarum: et cœpit destruere.
55toen Alkimus door een beroerte werd getroffen, zodat zijn onderneming mislukte. Door verlamming werd hem het spreken belet, zodat hij geen woord meer kon zeggen, of beschikkingen treffen over zijn huis.
55In tempore illo percussus est Alcimus: et impedita sunt opera illius, et occlusum est os ejus, et dissolutus est paralysi, nec ultra potuit loqui verbum, et mandare de domo sua.
56Zo vond Alkimus toen onder hevige pijnen de dood.
56Et mortuus est Alcimus in tempore illo cum tormento magno.
57En toen Bakchides vernam, dat Alkimus was gestorven, keerde hij naar den koning terug. Het land van Juda genoot nu twee jaren rust.
57Et vidit Bacchides quoniam mortuus est Alcimus, et reversus est ad regem. Et siluit terra annis duobus.
58Daarna echter smeedden alle afvalligen het volgende plan: Jonatan en zijn aanhang wonen thans rustig en voelen zich onbezorgd, zoals ge ziet. Wij moeten Bakchides laten komen, om hen allen in één nacht gevangen te nemen.
58Et cogitaverunt omnes iniqui, dicentes: Ecce Jonathas, et qui cum eo sunt, in silentio habitant confidenter: nunc ergo adducamus Bacchidem, et comprehendet eos omnes una nocte.
59Zij gingen dus naar hem toe, en legden hem hun plannen voor.
59Et abierunt, et consilium ei dederunt.
60Toen rukte hij met een groot leger binnen, en zond in het geheim brieven aan al zijn bondgenoten in Judea, om Jonatan en zijn aanhang gevangen te nemen. Zij slaagden er echter niet in, omdat hun plan bekend was geworden.
60Et surrexit ut veniret cum exercitu multo: et misit occulte epistolas sociis suis qui erant in Judæa, ut comprehenderent Jonathan, et eos qui cum eo erant: sed non potuerunt, quia innotuit eis consilium eorum.
61Maar de Joden namen ongeveer vijftig landgenoten, die het kwaad hadden aangestookt, gevangen en doodden hen.
61Et apprehendit de viris regionis, qui principes erant malitiæ, quinquaginta viros, et occidit eos:
62Daarop nam Jonatan met Sjimon en hun aanhang de wijk naar Bet-Bassi in de woestijn; wat er verwoest was bouwde hij weer op, en versterkte de stad.
62et secessit Jonathas, et Simon, et qui cum eo erant, in Bethbessen, quæ est in deserto: et exstruxit diruta ejus, et firmaverunt eam.
63Toen Bakchides dit vernam, verzamelde hij zijn gehele legermacht, en riep ook zijn aanhang in Judea onder de wapenen.
63Et cognovit Bacchides, et congregavit universam multitudinem suam: et his, qui de Judæa erant, denuntiavit.
64Hij trok op, sloeg het beleg om Bet-Bassi en bestormde het lange tijd, waarbij hij gebruik maakte van belegeringswerktuigen.
64Et venit, et castra posuit desuper Bethbessen: et oppugnavit eam dies multos, et fecit machinas.
65Maar Jonatan liet zijn broer Sjimon in de stad achter, en doorkruiste met een klein troepje het land.
65Et reliquit Jonathas Simonem fratrem suum in civitate, et exiit in regionem, et venit cum numero:
66Hij versloeg Odomera met diens broeders, en de zonen van Fasiron in hun kampementen. Door dit aanvankelijk succes nam zijn leger in aantal toe.
66et percussit Odaren et fratres ejus, et filios Phaseron in tabernaculis ipsorum: et cœpit cædere, et crescere in virtutibus.
67Intussen had Sjimon met zijn mannen een uitval uit de stad gedaan, en de belegeringswerktuigen in brand gestoken.
67Simon vero, et qui cum ipso erant, exierunt de civitate, et succenderunt machinas,
68Nu vielen zij Bakchides aan, en hij werd door hen verslagen. In zijn ergernis over de mislukking van zijn beraamde veldtocht,
68et pugnaverunt contra Bacchidem, et contritus est ab eis: et afflixerunt eum valde, quoniam consilium ejus et congressus ejus erat inanis.
69werd hij woedend op de afvalligen, die hem hadden aangeraden, het land binnen te rukken, en doodde velen van hen. En hij besloot, naar zijn land terug te trekken.
69Et iratus contra viros iniquos, qui ei consilium dederant ut veniret in regionem ipsorum, multos ex eis occidit: ipse autem cogitavit cum reliquis abire in regionem suam.
70Toen Jonatan dit hoorde, zond hij gezanten naar hem toe, om vrede met hem te sluiten en uitlevering der gevangenen te verkrijgen.
70Et cognovit Jonathas: et misit ad eum legatos componere pacem cum ipso, et reddere ei captivitatem.
71Bakchides stemde toe, willigde zijn voorstel in, en gaf hem de verzekering onder ede, dat hij hem zijn leven lang geen kwaad meer zou doen.
71Et libenter accepit, et fecit secundum verba ejus, et juravit se nihil facturum ei mali omnibus diebus vitæ ejus.
72Ook gaf hij hem de krijgsgevangenen terug, die hij vroeger uit het land Juda had weggevoerd. Daarop keerde hij terug naar zijn land, en betrad nooit meer hun gebied.
72Et reddidit ei captivitatem, quam prius erat prædatus de terra Juda: et conversus abiit in terram suam, et non apposuit amplius venire in fines ejus.
73Nu rustte het zwaard in Israël. Jonatan vestigde zich in Mikmas; hij begon zijn volk te besturen, en de goddelozen uit Israël te verdrijven.
73Et cessavit gladius ex Israël: et habitavit Jonathas in Machmas, et cœpit Jonathas ibi judicare populum, et exterminavit impios ex Israël.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.