Marcus 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Aanvang der blijde boodschap van Jesus Christus, den Zoon van God:
1Initium Evangelii Jesu Christi, Filii Dei.
2zoals geschreven staat bij den profeet Isaias: Zie, Ik zend mijn gezant voor U uit, Om voor U de weg te bereiden.
2Sicut scriptum est in Isaia propheta: [Ecce ego mitto angelum meum ante faciem tuam, qui præparabit viam tuam ante te.
3De stem van een roepende in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, Maakt recht zijn paden.
3Vox clamantis in deserto: Parate viam Domini, rectas facite semitas ejus.]
4Johannes de Doper trad op in de woestijn, en preekte een doopsel van boetvaardigheid tot vergiffenis der zonden.
4Fuit Joannes in deserto baptizans, et prædicans baptismum pœnitentiæ in remissionem peccatorum.
5En het hele land van Judea en allen uit Jerusalem liepen naar hem uit, en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden.
5Et egrediebatur ad eum omnis Judææ regio, et Jerosolymitæ universi, et baptizabantur ab illo in Jordanis flumine, confitentes peccata sua.
6Johannes droeg een kemelharen mantel, en een leren heupkleed om zijn lenden; hij at sprinkhanen en wilde honing. En hij preekte aldus:
6Et erat Joannes vestitus pilis cameli, et zona pellicea circa lumbos ejus, et locustas et mel silvestre edebat.
7Na mij komt er Een, die machtiger is dan ik; ik ben niet waardig, om mij voor Hem neer te bukken, en zijn schoenriem los te maken.
7Et prædicabat dicens: Venit fortior post me, cujus non sum dignus procumbens solvere corrigiam calceamentorum ejus.
8Ik heb u met water gedoopt, maar Hij zal u dopen met den Heiligen Geest.
8Ego baptizavi vos aqua, ille vero baptizabit vos Spiritu Sancto.
9In die dagen kwam Jesus uit Názaret van Galilea, en werd in de Jordaan door Johannes gedoopt.
9Et factum est: in diebus illis venit Jesus a Nazareth Galilææ: et baptizatus est a Joanne in Jordane.
10Maar onmiddellijk steeg Hij uit het water op, en zag de Hemel geopend, en den Geest op Zich neerdalen als een duif.
10Et statim ascendens de aqua, vidit cælos apertos, et Spiritum tamquam columbam descendentem, et manentem in ipso.
11En er kwam een stem uit de hemel: Gij zijt mijn welbeminde Zoon, in U heb Ik welbehagen.
11Et vox facta est de cælis: Tu es Filius meus dilectus, in te complacui.
12Dadelijk daarna dreef de Geest Hem naar de woestijn.
12Et statim Spiritus expulit eum in desertum.
13Veertig dagen bleef Hij in de woestijn, waar Hij door de satan werd bekoord; Hij vertoefde onder de wilde dieren, en de engelen dienden Hem.
13Et erat in deserto quadraginta diebus, et quadraginta noctibus: et tentabatur a Satana: eratque cum bestiis, et angeli ministrabant illi.
14Nadat Johannes was gevangen gezet, kwam Jesus in Galilea, en verkondigde het Evangelie van het koninkrijk Gods.
14Postquam autem traditus est Joannes, venit Jesus in Galilæam, prædicans Evangelium regni Dei,
15Hij zeide: De tijd is vervuld, en het koninkrijk Gods is nabij; bekeert u, en gelooft in het evangelie.
15et dicens: Quoniam impletum est tempus, et appropinquavit regnum Dei: pœnitemini, et credite Evangelio.
16Toen Hij eens langs het meer van Galilea ging, zag Hij Simon en Andreas, den broer van Simon, het net uitwerpen in het meer; want ze waren vissers.
16Et præteriens secus mare Galilææ, vidit Simonem, et Andream fratrem ejus, mittentes retia in mare (erant enim piscatores),
17En Jesus sprak tot hen: Volgt Mij; Ik zal mensenvissers van u maken.
17et dixit eis Jesus: Venite post me, et faciam vos fieri piscatores hominum.
18Aanstonds verlieten ze de netten, en volgden Hem.
18Et protinus relictis retibus, secuti sunt eum.
19Een weinig verder zag Hij Jakobus, den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijn broer, die ook in een boot waren en de netten herstelden.
19Et progressus inde pusillum, vidit Jacobum Zebedæi, et Joannem fratrem ejus, et ipsos componentes retia in navi:
20Aanstonds riep Hij ze. En ze lieten hun vader Zebedeüs in de boot met de bemanning achter, en volgden Hem.
20et statim vocavit illos. Et relicto patre suo Zebedæo in navi cum mercenariis, secuti sunt eum.
21Zij begaven zich nu naar Kafárnaum. En terstond ging Hij op de sabbat de synagoge binnen, en trad als leraar op.
21Et ingrediuntur Capharnaum: et statim sabbatis ingressus in synagogam, docebat eos.
22Men stond verbaasd over zijn leer; want Hij leerde hen als een die gezag heeft, en niet zoals de schriftgeleerden.
22Et stupebant super doctrina ejus: erat enim docens eos quasi potestatem habens, et non sicut scribæ.
23Al heel spoedig was er in hun synagoge een man met een onreinen geest. Hij riep:
23Et erat in synagoga eorum homo in spiritu immundo: et exclamavit,
24Wat hebt Gij met ons te maken, Jesus van Názaret? Zijt Gij gekomen, om ons in het verderf te storten? Ik weet, wie Gij zijt: de Heilige Gods.
24dicens: Quid nobis et tibi, Jesu Nazarene? venisti perdere nos? scio qui sis, Sanctus Dei.
25Maar Jesus gebood hem: Zwijg, en ga van hem uit.
25Et comminatus est ei Jesus, dicens: Obmutesce, et exi de homine.
26En onder stuiptrekken en luid geschreeuw ging de onreine geest van hem uit.
26Et discerpens eum spiritus immundus, et exclamans voce magna, exiit ab eo.
27Allen waren verbaasd, en vroegen zich af: Wat kan dat toch zijn? Een nieuwe leer met gezag! Bovendien gebiedt Hij de onreine geesten, en ze gehoorzamen Hem!
27Et mirati sunt omnes, ita ut conquirerent inter se dicentes: Quidnam est hoc? quænam doctrina hæc nova? quia in potestate etiam spiritibus immundis imperat, et obediunt ei.
28En zijn faam ging aanstonds overal rond door heel het land van Galilea.
28Et processit rumor ejus statim in omnem regionem Galilææ.
29Toen zij de synagoge hadden verlaten, begaven zij zich, van Jakobus en Johannes vergezeld, rechtstreeks naar het huis van Simon en Andreas.
29Et protinus egredientes de synagoga, venerunt in domum Simonis et Andreæ, cum Jacobo et Joanne.
30De schoonmoeder van Simon lag ziek aan de koorts; en aanstonds vertelden ze het Hem.
30Decumbebat autem socrus Simonis febricitans: et statim dicunt ei de illa.
31Hij trad nader, vatte haar bij de hand, en richtte haar op; de koorts verliet haar, en ze bediende Hem.
31Et accedens elevavit eam, apprehensa manu ejus: et continuo dimisit eam febris, et ministrabat eis.
32Toen het avond was geworden en de zon was ondergegaan, bracht men alle zieken en bezetenen naar Hem toe;
32Vespere autem facto cum occidisset sol, afferebant ad eum omnes male habentes, et dæmonia habentes:
33de hele stad stond voor de deur bijeen.
33et erat omnis civitas congregata ad januam.
34En Hij genas er velen, die aan verschillende kwalen leden. Ook dreef Hij veel duivels uit; maar Hij liet niet toe, dat de duivels zeiden, dat ze Hem kenden.
34Et curavit multos, qui vexabantur variis languoribus, et dæmonia multa ejiciebat, et non sinebat ea loqui, quoniam sciebant eum.
35Zeer vroeg in de morgen stond Hij op, en ging heen; Hij begaf zich naar een eenzame plaats, om er te bidden.
35Et diluculo valde surgens, egressus abiit in desertum locum, ibique orabat.
36Simon en zijn gezellen gingen Hem achterna,
36Et prosecutus est eum Simon, et qui cum illo erant.
37vonden Hem, en zeiden: Iedereen zoekt U.
37Et cum invenissent eum, dixerunt ei: Quia omnes quærunt te.
38Maar Hij sprak tot hen: Laten we naar de omliggende dorpen gaan, om ook daar te preken; want daartoe ben Ik gekomen.
38Et ait illis: Eamus in proximos vicos, et civitates, ut et ibi prædicem: ad hoc enim veni.
39Zo trok Hij heel Galilea rond: Hij preekte in hun synagogen, en dreef de duivels uit.
39Et erat prædicans in synagogis eorum, et in omni Galilæa, et dæmonia ejiciens.
40Eens kwam een melaatse naar Hem toe, die smekend voor Hem op de knieën viel, en tot Hem sprak: Zo Gij wilt, kunt Gij me reinigen.
40Et venit ad eum leprosus deprecans eum: et genu flexo dixit ei: Si vis, potes me mundare.
41Jesus had medelijden met hem: Hij strekte zijn hand uit, raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd!
41Jesus autem misertus ejus, extendit manum suam: et tangens eum, ait illi: Volo: mundare.
42Terstond verdween de melaatsheid; hij was gereinigd.
42Et cum dixisset, statim discessit ab eo lepra, et mundatus est.
43Onmiddellijk zond Hij hem weg, vermaande hem ernstig.
43Et comminatus est ei, statimque ejecit illum,
44en zei hem: Pas op, dat ge het niemand zegt; maar ga heen, vertoon u aan den priester, en offer voor uw reiniging wat Moses als bewijs voor hen heeft voorgeschreven.
44et dicit ei: Vide nemini dixeris: sed vade, ostende te principi sacerdotum, et offer pro emundatione tua, quæ præcepit Moyses in testimonium illis.
45Maar nauwelijks was hij heengegaan, of hij begon het overal te vertellen, en het geval ruchtbaar te maken; zodat Jesus niet meer openlijk in een stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen vertoefde. Toch kwam men van alle kanten naar Hem toe.
45At ille egressus cœpit prædicare, et diffamare sermonem, ita ut jam non posset manifeste introire in civitatem, sed foris in desertis locis esset, et conveniebant ad eum undique.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.