Marcus 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Heel in de vroegte namen de opperpriesters met de oudsten, schriftgeleerden en heel de Hoge Raad een beslissing. Ze lieten Jesus binden, voerden Hem weg, en leverden Hem over aan Pilatus.
1Et confestim mane consilium facientes summi sacerdotes cum senioribus, et scribis, et universo concilio, vincientes Jesum, duxerunt, et tradiderunt Pilato.
2Pilatus ondervroeg Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? Hij gaf hem ten antwoord: Ge zegt het.
2Et interrogavit eum Pilatus: Tu es rex Judæorum? At ille respondens, ait illi: Tu dicis.
3Nu brachten de opperpriesters vele beschuldigingen tegen Hem in.
3Et accusabant eum summi sacerdotes in multis.
4Pilatus vroeg Hem opnieuw: Antwoordt Gij niets? Zie, wat zware beschuldiging ze tegen U inbrengen.
4Pilatus autem rursum interrogavit eum, dicens: Non respondes quidquam? vide in quantis te accusant.
5Jesus gaf geen antwoord meer, zodat het Pilatus verbaasde.
5Jesus autem amplius nihil respondit, ita ut miraretur Pilatus.
6Maar op de feestdagen liet hij hun, naar eigen keuze, een der gevangenen vrij.
6Per diem autem festum solebat dimittere illis unum ex vinctis, quemcumque petissent.
7Nu zat er een zekere Barabbas gevangen tegelijk met andere oproermakers, die bij het oproer een moord hadden begaan.
7Erat autem qui dicebatur Barrabas, qui cum seditiosis erat vinctus, qui in seditione fecerat homicidium.
8Toen het volk dan kwam opdagen, en aan Pilatus begon te vragen, wat hij hun gewoonlijk toestond.
8Et cum ascendisset turba, cœpit rogare, sicut semper faciebat illis.
9antwoordde hij hun: Wilt gij, dat ik u den Koning der Joden vrijlaat?
9Pilatus autem respondit eis, et dixit: Vultis dimittam vobis regem Judæorum?
10Want hij begreep, dat de opperpriesters Hem uit afgunst hadden overgeleverd.
10Sciebat enim quod per invidiam tradidissent eum summi sacerdotes.
11Maar de opperpriesters hitsten de menigte op: hij moest hun maar liever Barabbas vrijlaten.
11Pontifices autem concitaverunt turbam, ut magis Barabbam dimitteret eis.
12Pilatus hernam, en sprak tot hen: Wat moet ik dan met Hem doen, dien gij Koning der Joden noemt?
12Pilatus autem iterum respondens, ait illis: Quid ergo vultis faciam regi Judæorum?
13En ze schreeuwden opnieuw: Kruisig Hem!
13At illi iterum clamaverunt: Crucifige eum.
14Pilatus zei hun: Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? Maar ze schreeuwden nog harder: Kruisig Hem!
14Pilatus vero dicebat illis: Quid enim mali fecit? At illi magis clamabant: Crucifige eum.
15Toen liet Pilatus hun Barabbas vrij, om het volk terwille te zijn: maar Jesus liet hij geselen, en gaf Hem over, om te worden gekruisigd.
15Pilatus autem volens populo satisfacere, dimisit illis Barabbam, et tradidit Jesum flagellis cæsum, ut crucifigeretur.
16Nu brachten de soldaten Hem naar binnen, in de voorhof van het rechthuis, en riepen de hele bende bijeen.
16Milites autem duxerunt eum in atrium prætorii, et convocant totam cohortem,
17Ze hingen Hem het purper om, en vlochten een doornenkroon, en zetten die op zijn hoofd.
17et induunt eum purpura, et imponunt ei plectentes spineam coronam.
18Toen gingen ze Hem huldigen: Wees gegroet, Koning der Joden!
18Et cœperunt salutare eum: Ave rex Judæorum.
19Dan sloegen ze Hem met een rietstok op het hoofd, bespuwden Hem, wierpen zich op de knieën, en brachten Hem hulde.
19Et percutiebant caput ejus arundine: et conspuebant eum, et ponentes genua, adorabant eum.
20En nadat ze Hem hadden bespot, deden ze Hem het purper af, trokken Hem zijn klederen aan, en voerden Hem weg ter kruisiging.
20Et postquam illuserunt ei, exuerunt illum purpura, et induerunt eum vestimentis suis: et educunt illum ut crucifigerent eum.
21Ze dwongen een voorbijganger, die juist van het veld kwam, zijn kruis te dragen; het was Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus.
21Et angariaverunt prætereuntem quempiam, Simonem Cyrenæum venientem de villa, patrem Alexandri et Rufi, ut tolleret crucem ejus.
22Ze voerden Hem naar een plaats, die Gólgota of schedelplaats heet.
22Et perducunt illum in Golgotha locum: quod est interpretatum Calvariæ locus.
23Nu gaven ze Hem wijn te drinken met mirre vermengd; maar Hij nam er niet van.
23Et dabant ei bibere myrrhatum vinum: et non accepit.
24Na Hem gekruisigd te hebben, verdeelden ze zijn klederen, en wierpen het lot over hun aandeel.
24Et crucifigentes eum, diviserunt vestimenta ejus, mittentes sortem super eis, quis quid tolleret.
25Het was het derde uur, toen ze Hem kruisigden.
25Erat autem hora tertia: et crucifixerunt eum.
26Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De Koning der Joden!
26Et erat titulus causæ ejus inscriptus: Rex Judæorum.
27Met Hem kruisigden ze twee rovers, één aan zijn rechterhand, en één aan zijn linker.
27Et cum eo crucifigunt duos latrones: unum a dextris, et alium a sinistris ejus.
28Toen werd de Schrift vervuld, die zegt: “En onder de booswichten werd Hij gerekend.”
28Et impleta est Scriptura, quæ dicit: Et cum iniquis reputatus est.
29En zij die voorbijgingen, lasterden Hem, schudden het hoofd, en zeiden: Ba! Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,
29Et prætereuntes blasphemabant eum, moventes capita sua, et dicentes: Vah ! qui destruis templum Dei, et in tribus diebus reædificas,
30red Uzelf, kom af van het kruis!
30salvum fac temetipsum descendens de cruce.
31Zo spotten ook de opperpriesters en schriftgeleerden onder elkander, en zeiden: Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden;
31Similiter et summi sacerdotes illudentes, ad alterutrum cum scribis dicebant: Alios salvos fecit; seipsum non potest salvum facere.
32de Christus, Israëls Koning, kome nu eens af van het kruis, opdat we het zien en geloven! Zelfs zij beschimpten Hem, die met Hem waren gekruisigd.
32Christus rex Israël descendat nunc de cruce, ut videamus, et credamus. Et qui cum eo crucifixi erant, convitiabantur ei.
33Tegen het zesde uur tot het negende toe, viel er duisternis neer over het hele land.
33Et facta hora sexta, tenebræ factæ sunt per totam terram usque in horam nonam.
34Omstreeks het negende uur riep Jesus met luider stem: Eloi Eloi, lamma sabaktáni; dat is: “Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij Mij!”
34Et hora nona exclamavit Jesus voce magna, dicens: Eloi, eloi, lamma sabacthani? quod est interpretatum: Deus meus, Deus meus, ut quid dereliquisti me?
35Sommigen, die daar stonden, hoorden het en zeiden: Zie, Hij roept Elias.
35Et quidam de circumstantibus audientes, dicebant: Ecce Eliam vocat.
36Eén hunner liep heen, vulde een spons met azijn, stak ze op een riet, gaf Hem te drinken, en zeide: Wacht, laat ons eens zien, of Elias Hem er soms af komt halen.
36Currens autem unus, et implens spongiam aceto, circumponensque calamo, potum dabat ei, dicens: Sinite, videamus si veniat Elias ad deponendum eum.
37Toen riep Jesus met luider stem, en gaf de geest.
37Jesus autem emissa voce magna expiravit.
38En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot onder.
38Et velum templi scissum est in duo, a summo usque deorsum.
39Toen nu de hoofdman, die tegenover Hem post had gevat, zag, dat Hij onder zulke omstandigheden gestorven was, sprak hij: Waarachtig, deze man was Gods Zoon.
39Videns autem centurio, qui ex adverso stabat, quia sic clamans expirasset, ait: Vere hic homo Filius Dei erat.
40Ook enige vrouwen stonden van verre toe te zien; onder anderen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus den Jongeren en van Josef en Salome;
40Erant autem et mulieres de longe aspicientes: inter quas erat Maria Magdalene, et Maria Jacobi minoris, et Joseph mater, et Salome:
41ze waren Hem gevolgd, toen Hij in Galilea was, om Hem te dienen; ook vele anderen waren er bij, die met Hem naar Jerusalem waren opgegaan.
41et cum esset in Galilæa, sequebantur eum, et ministrabant ei, et aliæ multæ, quæ simul cum eo ascenderant Jerosolymam.
42Daar het een dag van voorbereiding was, daags voor de sabbat, en het reeds tegen de avond liep,
42Et cum jam sero esset factum (quia erat parasceve, quod est ante sabbatum),
43kwam Josef van Arimatea, een voornaam raadsheer, die ook zelf het koninkrijk Gods verwachtte, en ging vrijmoedig naar Pilatus, om hem het lichaam van Jesus te vragen.
43venit Joseph ab Arimathæa nobilis decurio, qui et ipse erat exspectans regnum Dei, et audacter introivit ad Pilatum, et petiit corpus Jesu.
44Pilatus verwonderde zich, dat Hij reeds gestorven was; hij ontbood den hoofdman, en vroeg hem, of Hij al lang was gestorven.
44Pilatus autem mirabatur si jam obiisset. Et accersito centurione, interrogavit eum si jam mortuus esset.
45En toen hij dit van den hoofdman vernomen had, stond hij het lichaam aan Josef af.
45Et cum cognovisset a centurione, donavit corpus Joseph.
46Nu kocht deze een lijnwaad, nam Hem af van het kruis, en wikkelde Hem in het lijnwaad. En hij legde Hem in een graf, dat in een rots was uitgehouwen, en rolde een steen voor de ingang van het graf.
46Joseph autem mercatus sindonem, et deponens eum involvit sindone, et posuit eum in monumento quod erat excisum de petra, et advolvit lapidem ad ostium monumenti.
47Maria Magdalena en Maria van Josef zagen toe, waar Hij werd neergelegd.
47Maria autem Magdalene et Maria Joseph aspiciebant ubi poneretur.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.