Marcus 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Heel in de vroegte namen de opperpriesters met de oudsten, schriftgeleerden en heel de Hoge Raad een beslissing. Ze lieten Jesus binden, voerden Hem weg, en leverden Hem over aan Pilatus.
1І зараз уранцї, порадившись архиєреї з старшими та письменниками, і вся рада, звязавши Ісуса, повели та й видали Пилатові.
2Pilatus ondervroeg Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? Hij gaf hem ten antwoord: Ge zegt het.
2І спитав Його Пилат: Чи ти єси цар Жидівський? Він же озвавшись, рече йому: Ти кажеш.
3Nu brachten de opperpriesters vele beschuldigingen tegen Hem in.
3І винуватили Його архиєреї багато.
4Pilatus vroeg Hem opnieuw: Antwoordt Gij niets? Zie, wat zware beschuldiging ze tegen U inbrengen.
4Пилат же знов спитав Його, кажучи: Не відказуєш нїчого? Он, скільки на Тебе сьвідкують;
5Jesus gaf geen antwoord meer, zodat het Pilatus verbaasde.
5Ісус же більш нїчого не відказав, так що дивував ся Пилат.
6Maar op de feestdagen liet hij hun, naar eigen keuze, een der gevangenen vrij.
6На сьвято ж відпускав він їм одного вязника, про которого просили.
7Nu zat er een zekere Barabbas gevangen tegelijk met andere oproermakers, die bij het oproer een moord hadden begaan.
7Був же названий Варава з своїми затязцями увязнений, котрі під бунт убийство зробили.
8Toen het volk dan kwam opdagen, en aan Pilatus begon te vragen, wat hij hun gewoonlijk toestond.
8І гукаючи народ, почав просити, щоб, як що-разу, зробив їм.
9antwoordde hij hun: Wilt gij, dat ik u den Koning der Joden vrijlaat?
9Пилат же відказав їм, говорячи: Чи хочете, щоб випустив вам царя Жидівського?
10Want hij begreep, dat de opperpriesters Hem uit afgunst hadden overgeleverd.
10Знав бо, що через зависть видали Його архиєреї.
11Maar de opperpriesters hitsten de menigte op: hij moest hun maar liever Barabbas vrijlaten.
11Архиєреї ж наустили народ, щоб лучче Вараву відпустив їм.
12Pilatus hernam, en sprak tot hen: Wat moet ik dan met Hem doen, dien gij Koning der Joden noemt?
12Пилат же, озвавшись ізнов, сказав їм: Що ж оце хочете, щоб зробив із тим, кого звете царем Жидівським?
13En ze schreeuwden opnieuw: Kruisig Hem!
13Вони ж знов закричали: Розпни Його.
14Pilatus zei hun: Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? Maar ze schreeuwden nog harder: Kruisig Hem!
14Пилат же каже їм: Яке ж бо зло зробив? Вони ж ще гірш кричали: Розпни Його.
15Toen liet Pilatus hun Barabbas vrij, om het volk terwille te zijn: maar Jesus liet hij geselen, en gaf Hem over, om te worden gekruisigd.
15Пилат же, хотївши народові догодити, відпустив їм Вараву, й передав Ісуса, побивши, щоб розпято Його.
16Nu brachten de soldaten Hem naar binnen, in de voorhof van het rechthuis, en riepen de hele bende bijeen.
16Воїни ж повели Його в середину двору, чи то в Претор, і скликали всю роту.
17Ze hingen Hem het purper om, en vlochten een doornenkroon, en zetten die op zijn hoofd.
17І одягли Його в багряницю, і положили на Него, сплївши з тернини, вінець,
18Toen gingen ze Hem huldigen: Wees gegroet, Koning der Joden!
18та й почали витати Його: Радуй ся, царю Жидівський!
19Dan sloegen ze Hem met een rietstok op het hoofd, bespuwden Hem, wierpen zich op de knieën, en brachten Hem hulde.
19І били Його по голові тростиною, і плювали на Него, й, кидаючись на колїна, кланялись Йому.
20En nadat ze Hem hadden bespot, deden ze Hem het purper af, trokken Hem zijn klederen aan, en voerden Hem weg ter kruisiging.
20І, як насьміялись із Него, роздягнули Його з багряницї, і одягнули Його в одежу Його, та й виводять Його, щоб розпяти Його.
21Ze dwongen een voorbijganger, die juist van het veld kwam, zijn kruis te dragen; het was Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus.
21І заставили мимойдучого якогось Симона Киринея, ідучого з поля, батька Александра та Руфа, щоб нїс хрест Його.
22Ze voerden Hem naar een plaats, die Gólgota of schedelplaats heet.
22І приводять Його на Голготу місце, що прозване Черепове місце.
23Nu gaven ze Hem wijn te drinken met mirre vermengd; maar Hij nam er niet van.
23І дали Йому пити вина з смирною; Він же не прийняв.
24Na Hem gekruisigd te hebben, verdeelden ze zijn klederen, en wierpen het lot over hun aandeel.
24І розпинателї Його подїлили одежу Його, кинувши жереб на неї, що кому впаде.
25Het was het derde uur, toen ze Hem kruisigden.
25Була ж година третя, і розпяли Його.
26Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De Koning der Joden!
26І була надпись вини Його надписана: Цар Жидівський.
27Met Hem kruisigden ze twee rovers, één aan zijn rechterhand, en één aan zijn linker.
27І розпяли з Ним двох розбійників, одного по правицї, а одного по лївицї в Него.
28Toen werd de Schrift vervuld, die zegt: “En onder de booswichten werd Hij gerekend.”
28І справдилось писаннє, що глаголе: І з беззаконними полїчено Його.
29En zij die voorbijgingen, lasterden Hem, schudden het hoofd, en zeiden: Ba! Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,
29І мимоходячі хулили Його, киваючи головами своїми та говорячи: Овва! Ти, що руйнуєш церкву і в три днї будуєш,
30red Uzelf, kom af van het kruis!
30спаси себе й зійди з хреста.
31Zo spotten ook de opperpriesters en schriftgeleerden onder elkander, en zeiden: Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden;
31Так само й архиєреї, насьміхаючись один до одного з письменниками, казали: Инших спасав, себе не може спасти.
32de Christus, Israëls Koning, kome nu eens af van het kruis, opdat we het zien en geloven! Zelfs zij beschimpten Hem, die met Hem waren gekruisigd.
32Христос, цар Жидівський, нехай зійде тепер з хреста, щоб побачили ми, й увіруємо. І розпяті з Ним зневажали Його.
33Tegen het zesde uur tot het negende toe, viel er duisternis neer over het hele land.
33Як же настала година шеста, темрява стала по всїй землї аж до години девятої.
34Omstreeks het negende uur riep Jesus met luider stem: Eloi Eloi, lamma sabaktáni; dat is: “Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij Mij!”
34А години девятої покликнув Ісус голосом великим: Елоі, Елоі, лама саватани? що єсть перекладом: Боже мій, Боже мій, на що мене покинув єси?
35Sommigen, die daar stonden, hoorden het en zeiden: Zie, Hij roept Elias.
35І деякі з тих, що тут стояли, почувши казали: Ось Ілию кличе.
36Eén hunner liep heen, vulde een spons met azijn, stak ze op een riet, gaf Hem te drinken, en zeide: Wacht, laat ons eens zien, of Elias Hem er soms af komt halen.
36Побігши ж один і сповнивши губку оцтом, і настромивши на тростину, поїв Його, кажучи: Стривайте, побачимо, чи прийде Ілия зняти Його.
37Toen riep Jesus met luider stem, en gaf de geest.
37Ісус же, пустивши голос великий, зітхнув.
38En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot onder.
38І завіса церковня роздерлась надвоє з верху аж до низу.
39Toen nu de hoofdman, die tegenover Hem post had gevat, zag, dat Hij onder zulke omstandigheden gestorven was, sprak hij: Waarachtig, deze man was Gods Zoon.
39Бачивши ж сотник, що там стояв проти Него, що, так закричавши, зітхнув, каже: Справдї чоловік сей Син був Божий.
40Ook enige vrouwen stonden van verre toe te zien; onder anderen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus den Jongeren en van Josef en Salome;
40Були ж і жінки, оддалеки дивлячись, між котрими була й Мария Магдалина, й Мария, Якова меншого та Йосиї мати, й Саломия,
41ze waren Hem gevolgd, toen Hij in Galilea was, om Hem te dienen; ook vele anderen waren er bij, die met Hem naar Jerusalem waren opgegaan.
41що, й як був у Галилеї, ходили слїдом за Ним, і послугували Йому, і инших багато, що поприходили з Ним у Єрусалим.
42Daar het een dag van voorbereiding was, daags voor de sabbat, en het reeds tegen de avond liep,
42А як уже настав вечір, бо була пятниця, чи то перед суботою,
43kwam Josef van Arimatea, een voornaam raadsheer, die ook zelf het koninkrijk Gods verwachtte, en ging vrijmoedig naar Pilatus, om hem het lichaam van Jesus te vragen.
43прийшов Йосиф з Ариматеї, поважний радник, що також сподївавсь царства Божого, й зосьмілившись, увійшов до Пилата й просив тїла Ісусового.
44Pilatus verwonderde zich, dat Hij reeds gestorven was; hij ontbood den hoofdman, en vroeg hem, of Hij al lang was gestorven.
44Пилат же дивувавсь, що вже вмер би; й покликавши сотника, спитав його, чи давно вмер.
45En toen hij dit van den hoofdman vernomen had, stond hij het lichaam aan Josef af.
45А довідавшись од сотника, дав тїло Йосифові.
46Nu kocht deze een lijnwaad, nam Hem af van het kruis, en wikkelde Hem in het lijnwaad. En hij legde Hem in een graf, dat in een rots was uitgehouwen, en rolde een steen voor de ingang van het graf.
46І, купивши плащеницю і знявши Його, обгорнув Його плащеницею, та й положив Його у гробі, що був висїчений із скелї, та й прикотив каменя до дверей гробу.
47Maria Magdalena en Maria van Josef zagen toe, waar Hij werd neergelegd.
47Мария ж Магдалина й Мария Йосиїна дивились, де Його положено.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.