Marcus 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen vertrok Hij vandaar, en ging naar het gebied van Judea en naar het Overjordaanse. En weer kwam er veel volk naar Hem toe, en onderwees Hij hen, zoals Hij gewoon was.
1І, вставши звідтіля, приходить у гряницї Юдейські через той бік Йордану; і знов сходять ся люде до Него, й своїм звичаєм знов навчав їх.
2Ook de farizeën kwamen naar Hem toe, en vroegen, om Hem op de proef te stellen, of een man zijn vrouw mag verstoten. Hij gaf hun ten antwoord:
2І приступивши Фарисеї, питали Його: Чи годить ся чоловікові з жінкою розводитись? спокушуючи Його.
3Wat heeft Moses u geboden?
3Він же, озвавшись, рече їм: Що заповідав вам Мойсей?
4Ze zeiden: Moses heeft toegestaan, een scheidingsbrief te schrijven, en haar zó te verstoten.
4Вони ж сказали: Мойсей дозволив написати розвідний лист, та й відпустити.
5Jesus antwoordde hun: Om de hardheid van uw gemoed heeft Moses u deze wet gegeven;
5І озвавшись Ісус, рече їм: Ради жорстокости серця вашого написав вам заповідь сю.
6maar van de aanvang der schepping af, heeft God hen man en vrouw gemaakt;
6З почину ж творення — чоловіком і жінкою створив їх Бог.
7daarom zal de mens vader en moeder verlaten,
7Тим покине чоловік батька свого й матїр, і пригорнеть ся до жінки своєї,
8en de twee zullen één vlees zijn. Ze zijn dus geen twee meer, maar één vlees.
8і будуть удвох тїло одно; то вже їх більш не двоє, а одно тїло.
9Wat dus God heeft verenigd, dat scheide geen mens.
9Оце ж, що Бог злучив, чоловік нехай не розлучує.
10Thuis ondervroegen zijn leerlingen Hem hierover opnieuw.
10А в господї знов ученики Його про се питали Його.
11En Hij sprak tot hen: Wie zijn vrouw verstoot, en een andere huwt, begaat echtbreuk tegen haar.
11І рече їм: Хто розведеть ся з жінкою своєю, і оженить ся з иншою, робить перелюб з нею.
12En wanneer een vrouw haar man verlaat en een anderen huwt, begaat ze echtbreuk.
12І коли жінка розведеть ся з чоловіком своїм, та вийде за иншого, робить перелюб.
13Nu bracht men kinderen naar Hem toe, opdat Hij ze zou aanraken. Maar de leerlingen wezen ze af.
13І приношено Йому дїтей, щоб приторкнувсь до них; ученики ж заказували тим, що приносили.
14Toen Jesus dit zag, werd Hij verstoord, en sprak Hij tot hen: Laat de kinderen tot Mij komen, en houdt ze niet tegen; want het koninkrijk Gods is voor hen, die zijn zoals zij.
14Побачивши ж Ісус, прогнївив ся, і рече їм: Дайте дїтям приходити до мене, й не боронїть їм; таких бо царство Боже.
15Voorwaar, Ik zeg u: Wie het koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er niet ingaan.
15Істино глаголю вам: Хто не прийме царства Божого, як мала дитина, не ввійде в него.
16En Hij omhelsde ze, legde hun de handen op, en zegende hen.
16І, обнявши їх, положив руки на них, і благословив їх.
17En toen Hij Zich op weg begaf, kwam iemand toegelopen, knielde voor Hem neer, en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verkrijgen?
17І, як виходив Він у дорогу, прибіг один, і впавши перед Ним на колїна, питав Його: Учителю благий, що робити менї, щоб життє вічнє наслїдувати?
18Jesus sprak tot hem: Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed, dan God alleen.
18Ісус же рече йому: Чого мене звеш благим? Нїхто не благий, тільки один, Бог.
19Ge kent de geboden: Gij zult niet doden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en moeder.
19Заповідї знаєш: Не роби перелюбу, Не вбивай, Не кради, Не сьвідкуй криво, Не обижай, Поважай батька твого й матїр.
20Hij gaf hem ten antwoord: Meester, dit heb ik allemaal van mijn jeugd af onderhouden.
20Він же, озвавшись, каже Йому: Учителю, се все я хоронив з малку мого.
21Toen zag Jesus hem teder aan, en sprak tot hem: Eén ding ontbreekt u nog. Ga heen, verkoop wat ge bezit, en geef het aan de armen; en ge zult een schat in de hemel bezitten. Kom dan, en volg Mij.
21Ісус же, поглянувши на него, уподобав його, й рече йому: Одного тобі не достає: ійди, що маєш, продай і дай убогим, і мати меш скарб на небі; і прийди, та й іди слїдом за мною, взявши хрест.
22Maar hij werd ontstemd bij dat woord, en ging treurig heen; want hij had veel bezittingen.
22Він же, зажурившись од слова сього, пійшов сумуючи: мав бо достатки великі.
23Nu zag Jesus om Zich heen, en sprak tot zijn leerlingen: Hoe moeilijk toch zullen zij, die rijkdommen bezitten, het koninkrijk Gods binnengaan.
23І позирнувши Ісус округи, рече ученикам своїм: Як тяжко багацтва маючим у царство Боже ввійти!
24De leerlingen waren verbaasd over zijn woorden. Maar Jesus hernam, en zeide tot hen: Kinderen, hoe moeilijk is het toch, het koninkrijk Gods binnen te gaan!
24Ученики ж вжахнулись од словес Його. Ісус же, знов озвавшись, рече їм: Дїти, як тяжко вповаючим на багацтва в царство Боже ввійти!
25Een kameel gaat makkelijker door het oog van een naald, dan een rijke in het koninkrijk Gods.
25Легше верблюдові кріз ушко голки пройти, нїж багатому в царство Боже ввійти.
26Toen waren ze nog meer ontsteld, en zeiden bij zichzelf: Wie kan dan zalig worden?
26Вони ж, надто здивувались, говорячи між собою: То хто ж може спастись?
27Jesus zag hen aan, en sprak: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want bij God is alles mogelijk.
27Споглянувши ж на них Ісус, рече: У людей неможливе, та не в Бога; все бо можливе в Бога.
28Nu nam Petrus het woord, en zei: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
28І почав Петр говорити Йому: Ось ми покинули все, та й пійшли слїдом за Тобою.
29Jesus sprak: Voorwaar, Ik zeg u: Er is niemand, die huis, broers of zusters, vader of moeder, kinderen of akkers om Mij en om het evangelie verlaat,
29Озвав ся ж Ісус і рече: Істино глаголю вам: Нема чоловіка, що покинув домівку, або братів, або сестер, або батька, або матїр, або жінку, або дїтей, або поля ради мене і євангелиї,
30of hij zal ontvangen: nu in deze wereld, zij het ook te midden van vervolgingen, het honderdvoud van huizen, broers, zusters, moeders, kinderen en akkers; en in de toekomstige wereld het eeuwige leven.
30та й не прийняв у сотеро тепер, часу сього, серед гонення, домівок, і братів, і сестер, і матїрок, і дїтей, і земель, а в віку будучому життє вічнє.
31Veel eersten zullen laatsten zijn, en laatsten zullen eersten zijn.
31Многі ж перві будуть останнї, а останнї перві.
32Zij waren nu op weg naar Jerusalem; Jesus ging voor hen uit, en zij volgden Hem, ontsteld en bevreesd. Hij nam de twaalf weer om Zich heen, en begon hun te zeggen, wat er met Hem zou gebeuren.
32Були ж вони в дорозї, ідучи в Єрусалим, і випередив їх Ісус; й вжахнули ся вони; і, йдучи за ним, лякались. І, взявши знов дванайцятьох, почав їм глаголати, що Йому станеть ся:
33Ziet, wij gaan naar Jerusalem op, en de Mensenzoon zal worden overgeleverd aan de opperpriesters en schriftgeleerden; en ze zullen Hem ter dood veroordelen. Ze zullen Hem overleveren aan de heidenen;
33Що ось ідемо в Єрусалим, і Син чоловічий буде виданий архиєреям та письменникам, і осудять вони Його на смерть, і видадуть Його поганам;
34men zal Hem bespotten, bespuwen, geselen en doden; maar na drie dagen zal Hij verrijzen.
34і насьміхати муть ся з Него, й бити муть Його, й плювати муть на Него, і вбють Його; й третього дня воскресне.
35Nu kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, naar Hem toe, en zeiden: Meester, we wensen, dat Gij voor ons doet, wat we U willen vragen.
35І приступають до Него Яков та Йоан, сини Зеведеєві, кажучи: Учителю, хочемо, щоб, про що просити мем, зробив нам.
36Hij zeide hun: Wat wenst gij, dat Ik voor u doe?
36Він же рече їм: Що хочете, щоб зробив вам?
37Ze zeiden: Verleen ons, dat wij in uw heerlijkheid mogen zitten, de één aan uw rechter-, de ander aan uw linkerhand.
37Вони ж кажуть Йому: Дай нам, щоб один по правицї в Тебе, а один по лївицї в Тебе сидїли ми в славі Твоїй.
38Jesus sprak tot hen: Gij weet niet, wat gij vraagt. Kunt gij de kelk drinken, die Ik drink; of het doopsel ontvangen, waarmee Ik gedoopt word?
38Ісус же рече їм: Не знаєте, чого просите. Чи зможете пити чашу, яку я пю, і хрещеннєм, яким я хрещу ся, хрестити ся?
39Ze zeiden Hem: Dat kunnen we. Jesus sprak tot hen: Gij zult wel de kelk drinken, die Ik drink, en het doopsel ontvangen, waarmee Ik gedoopt word;
39Вони ж кажуть Йому: Можемо. Ісус же рече їм: Ви-то чашу, яку я пю, пити мете, й хрещеннєм, яким я хрещусь, хрестити метесь;
40maar zitten aan mijn rechter- of linkerhand kan Ik niet geven; dit is voor hem, wien het bereid is.
40тільки ж, щоб сидїти вам по правицї в мене й по лївицї в мене, се не єсть моє дати, а кому приготовлено.
41Toen de tien anderen dit hoorden, werden ze verontwaardigd op Jakobus en Johannes.
41І почувши десять, почали ремствувати на Якова та Йоана.
42Maar Jesus riep hen naar Zich toe, en sprak tot hen: Gij weet, dat zij, die als vorsten worden beschouwd, over de volkeren heersen, en dat hun rijksgroten ze hun macht laten voelen.
42Ісус же, покликавши їх, рече їм: Ви знаєте, що котрі, здаєть ся, князюють над поганами, панують над ними, й великі їх управляють ними.
43Zó moet het niet zijn onder u; maar wie onder u groot wil worden, moet uw dienaar zijn;
43Не так же буде в вас; нї, хто хоче стати ся великим між вами, нехай буде слугою вам;
44en wie onder u de eerste wil zijn, moet aller dienstknecht wezen.
44і хто хоче між вами стати ся першим, нехай буде усїм рабом.
45Ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en zijn leven te geven tot losprijs voor velen.
45Бо й Син чоловічий не прийшов, щоб служено Йому, а служити й дати душу свою викуп за многих.
46Nu kwamen zij te Jericho aan. En toen Hij Jericho verliet, vergezeld van zijn leerlingen en een talrijke menigte, zat er een blinde bedelaar langs de weg: Bartimeüs, de zoon van Timeüs.
46І приходять у Єрихон; і як виходив Він із Єрихону, й ученики Його, й багато народу, син Тимеїв, Вартимей слїпий, сидїв над шляхом, просячи.
47Zodra hij hoorde, dat het Jesus van Názaret was. begon hij hard te roepen: Jesus, Zoon van David, ontferm U mijner!
47І, почувши, що се Ісус Назарянин, почав кричати й казати: Сину Давидів Ісусе, помилуй мене.
48Velen vielen tegen hem uit, om hem tot zwijgen te brengen. Maar hij riep nog harder: Zoon van David, ontferm U mijner!
48І сварили на него многі, щоб мовчав; він же ще більше кричав: Сину Давидів, помилуй мене.
49Jesus bleef staan, en sprak: Roept hem hier. Ze riepen den blinde, en zeiden tot hem: Houd moed, sta op; Hij roept u.
49І, зупинившись Ісус, звелїв його покликати. І покликали слїпого, говорячи йому: Бодрись, устань; кличе тебе.
50Hij wierp zijn mantel weg, sprong overeind, en ging naar Jesus toe.
50Він же, скинувши одежу свою, встав і приступив до Ісуса.
51Jesus sprak tot hem: Wat wilt ge, dat Ik voor u doe? De blinde zeide Hem: Rabboni, dat ik zien zal.
51І, озвавшись, рече йому Ісус: Що хочеш, щоб зробив тобі? Слїпий же каже Йому: Учителю, щоб прозрів.
52En Jesus sprak tot hem: Ga; uw geloof heeft u gered. En aanstonds zag hij weer, en volgde Hem op zijn weg.
52Ісус же рече йому: Іди, віра твоя спасла тебе. І зараз прозрів він, й пійшов слїдом за Ісусом дорогою.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.