Marcus 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Twee dagen later was het Pasen, en het feest van de ongedesemde broden. En de opperpriesters en schriftgeleerden zochten naar een middel, om Hem met list gevangen te nemen, en te doden.
1Була ж пасха й опрісноки по двох днях; і шукали архиєреї, та письменники, як би Його, підступом узявши, вбити.
2Ze zeiden: Niet op het feest; er mocht eens oproer komen onder het volk.
2Та казали: Тільки не в сьвято, щоб бучі не було в народї.
3Terwijl Hij nu te Betánië was in het huis van Simon den melaatse, en aanlag aan tafel, kwam er een vrouw, die een albasten kruik vol echte, kostbare nardus droeg; ze brak de kruik stuk, en goot de nardus uit over zijn hoofd.
3А як був Він у Витаниї, в господї Симона прокаженного, та сидїв за столом, прийшла жінка, маючи любастровий збаночок мира нардового, правдивого, предорогого, й розбивши посудинку, злила Йому на голову.
4Sommigen werden er verontwaardigd over, en zeiden: Waarom die verkwisting met de balsem?
4Були ж деякі, що сердились у собі, кажучи: На що ся втрата мира?
5Want deze balsem had voor meer dan driehonderd tienlingen verkocht kunnen worden, en aan de armen worden gegeven. En ze waren boos op haar.
5Можна бо було се продати більш нїж за триста денариїв, та дати вбогим. І дорікали їй.
6Maar Jesus sprak: Laat haar met rust! Waarom valt gij haar lastig? Ze heeft een goed werk aan Mij gedaan.
6Ісус же рече: Оставте її. На що завдаєте їй жалю? добре дїло вчинила на менї.
7Want de armen hebt gij altijd bij u, en gij kunt hun goed doen, wanneer gij wilt; Mij niet.
7Всякого бо часу вбогих маєте з собою, і коли схочете, можете їм добро робити; мене ж не всякого часу маєте.
8Zij heeft gedaan, wat ze kon; ze heeft reeds vooruit mijn lichaam gebalsemd voor de begrafenis.
8Що змогла ся, зробила: попередила намастити тїло моє на погребеннє.
9Voorwaar, Ik zeg u: Overal, in heel de wereld, waar dit evangelie wordt gepreekt, zal ook tot hare gedachtenis worden vermeld, wat ze gedaan heeft.
9Істино глаголю вам: Де б нї проповідувалась євангелия ся по всьому сьвіту, казати меть ся й те, що зробила оця, на спомин її.
10Toen ging Judas Iskáriot, een van de twaalf, naar de opperpriesters, om Hem aan hen over te leveren.
10А Юда Іскариоцький, один з дванайцятьох, пійшов до архиєреїв, щоб їм зрадити Його.
11Ze verheugden zich, toen ze dit hoorden, en beloofden hem, geld te geven. Hij zocht dus naar een gelegenheid, om Hem te verraden.
11Вони ж почувши, зрадїли, й обіцяли йому срібняків дати. І шукав, як би у добру годину Його зрадити.
12Op de eerste dag der ongedesemde broden, waarop men het Pascha offerde, zeiden zijn leerlingen tot Hem: Waar wilt Gij, dat we U de toebereidselen gaan maken, om het paasmaal te eten?
12І первого дня опрісночного, як пасхове ягня кололи, кажуть Йому ученики Його: Де хочеш, щоб пійшовши, наготовили Тобі їсти пасху?
13Hij zond dus twee van zijn leerlingen heen, en zei hun: Gaat naar de stad; daar zult gij een man tegenkomen, die een kruik water draagt; gaat hem achterna.
13І посилає двох з учеників своїх, і рече їм: Ідїть у город, і зустріне вас чоловік, несучи глек води; йдїть за ним,
14en zegt, waar hij binnengaat, tot den heer des huizes: De Meester zegt: waar is de zaal, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?
14і куди ввійде він, скажіть господареві: Що учитель каже: Де сьвітлиця, щоб пасху з учениками моїми менї їсти?
15En Hij zal u een grote opperzaal aanwijzen, goed gemeubeld en van alles voorzien; maakt daar alles voor ons gereed.
15І він вам покаже гірницю простору, прибрану й готову; там приготовте нам.
16De leerlingen gingen heen, kwamen in de stad, en vonden het, zoals Hij hun had gezegd; en ze maakten het paasmaal gereed.
16І вийшли ученики Його, й прийшли в город, й знайшли, як Він сказав їм, і приготовили пасху.
17Tegen de avond kwam Hij met het twaalftal.
17І, як настав вечір, приходить з дванайцятьма.
18En terwijl ze aanlagen en aten, sprak Jesus: Voorwaar, Ik zeg u: één van u zal Mij verraden, een die met Mij eet.
18І, як сидїли вони за столом та їли, рече Ісус: Істино глаголю вам: Що один з вас зрадить мене, котрий їсть зо мною.
19Nu werden ze bedroefd, en vroegen Hem de een na den ander: Ben ik het?
19Вони ж почали смутити ся і казати до Него один по одному: Аже ж не я? і другий: Аже ж не я?
20Hij sprak tot hen: Eén uit de twaalf, die met Mij in de schotel doopt.
20Він же, озвавшись, рече їм: Один з дванайцяти, що вмочає зо мною руку в миску.
21De Mensenzoon gaat wel heen, zoals van Hem geschreven staat; maar wee dien mens, door wien de Mensenzoon verraden wordt. Het zou beter voor hem zijn, zo hij niet was geboren, die mens.
21Син чоловічий іде, як писано про Него; горе ж чоловікові тому, що Сина чоловічого зрадить! Добре було б йому, коли б не родив ся чоловік той.
22Terwijl zij nu aten, nam Jesus brood, zegende het, brak het, gaf het hun, en zeide: Neemt, dit is mijn lichaam.
22Як же їли вони, взявши Ісус хлїб і поблагословивши, ламав і давав їм, і рече: Прийміть їжте: се єсть тїло моє.
23Daarna nam Hij de kelk, sprak een dankgebed uit, en gaf hun de kelk; en zij dronken er allen uit.
23І, взявши чашу, й оддавши хвалу, подав їм, і пили з неї всї.
24En Hij zeide tot hen: Dit is mijn bloed van het Verbond, dat voor velen wordt vergoten.
24І рече їм: Се єсть кров моя нового завіту, що за многих проливаєть ся.
25Voorwaar, Ik zeg u: Ik zal de vrucht van de wijnstok niet meer drinken tot op de dag, waarop Ik ze hernieuwd zal drinken in het koninkrijk Gods.
25Істино глаголю вам: Що більше не пити му від плоду винограднього, аж до дня того, коли його пити му новим у царстві Божому.
26En nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen zij naar de Olijfberg.
26І засьпівавши вони, вийшли на гору Оливну.
27Toen sprak Jesus tot hen: Deze nacht zult gij allen aan Mij worden geërgerd. Want er staat geschreven: “Ik zal den herder slaan. en de schapen zullen worden verstrooid.”
27І рече їм Ісус: Що всї поблазнитесь мною ночи сієї, бо писано: Поражу пастиря і розсиплють ся вівцї.
28Maar wanneer Ik verrezen zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
28Тільки ж по воскресенню моїм попереджу вас у Галилею.
29Petrus zei Hem: Al werden ook allen aan U geërgerd, ik niet.
29Петр же рече Йому: Хоч і всї поблазнять ся, тільки не я.
30Jesus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: Heden nog in deze nacht, eer de haan twee maal gekraaid heeft, zult ge Mij driemaal verloochenen.
30І рече йому Ісус: Істино глаголю тобі: Що сьогоднї, ночи сієї, перш нїж двічи півень запїє, тричі відречеш ся мене.
31Maar nog krachtiger zeide hij: Al moest ik zelfs met U sterven, verloochenen zal ik U niet. Zo spraken ook allen.
31Він же ще більш говорив: Хоч би менї і вмерти з Тобою, не відречусь Тебе. Так само ж і всї казали.
32Toen kwamen zij aan een landgoed, Getsémani genaamd. Nu zei Hij tot zijn leerlingen: Zet u hier neer, terwijl Ik ga bidden.
32І приходять на врочище Гетсиман; і рече ученикам своїм: Сидїть тут, поки молити мусь.
33Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee, en begon ontroerd en angstig te worden.
33І бере Петра, та Якова, та Йоана з собою, і почав скорбіти та вдаватись у тугу;
34En Hij sprak tot hen: Mijn ziel is dodelijk bedroefd: blijft hier en waakt.
34і рече їм: Тяжко сумна душа моя аж до смерти. Підождїть тут і пильнуйте.
35Hij ging nog een weinig verder, viel neer ter aarde, en bad, dat dit uur, zo het mogelijk was, Hem mocht voorbijgaan.
35І, пройшовши трохи далїй, припав до землї, і молив ся, щоб, коли можна, мимо йшла від Него ся година.
36Hij sprak: Abba, Vader; alles is mogelijk bij U; neem deze kelk van Mij weg. Maar niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.
36І рече: Авва, Отче, все можливе Тобі: мимо неси від мене чашу сю; тільки ж не що я хочу, а що Ти.
37Nu ging Hij terug, en vond hen in slaap. Hij sprak tot Petrus: Simon, slaapt ge? Kunt ge dan niet één uur waken?
37І приходить і знаходить їх сплячих, і рече до Петра: Симоне, ти спиш? не міг ти однієї години попильнувати?
38Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring komt. De geest is gewillig, maar het vlees is zwak.
38Пильнуйте та молїть ся, щоб не ввійшли у спокусу. Дух-то охочий, тїло ж немошне.
39En weer ging Hij heen, en bad met dezelfde woorden.
39І знов пійшовши, молив ся, те ж саме слово промовляючи.
40Hij keerde terug, en vond hen opnieuw in slaap; want hun ogen vielen toe. Ze wisten niet, wat ze Hem zouden antwoorden.
40І вернувшись знайшов їх знов сплячих: були бо їх очі важкі; і не знали вони, що Йому відказати.
41Toen kwam Hij voor de derde maal, en sprak tot hen: Slaapt nu voort, en rust uit. Het is beslist. Het uur is gekomen: ziet, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der zondaars.
41І приходить утретє, і рече їм: Спіть уже й спочивайте. Годї, пристигла година; ось виданий буде Син чоловічий у руки грішникам.
42Staat op, laat ons gaan; ziet, die Mij verraadt is nabij.
42Вставайте, ходїмо: ось зрадник мій наближуєть ся.
43En terwijl Hij nog sprak, kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een bende met zwaarden en stokken, uitgezonden door de opperpriesters, schriftgeleerden en oudsten.
43І зараз, як ще Він промовляв, приходить Юда, один з дванайцяти, й з ним багато народу з мечами й киями, від архиєреїв, та письменників, та старших.
44De verrader had hun een teken gegeven, en gezegd: Dien Ik zal kussen. Hij is het; grijpt Hem vast, en leidt Hem weg onder strenge bewaking.
44Дав же зрадник Його знак їм, говорячи: кого поцїлую, той і єсть Він; беріть Його, та й ведїть осторожно.
45Hij kwam dus, liep terstond op Hem toe, en zeide: Rabbi. En hij kuste Hem.
45І прийшовши, зараз приступив до Него, й каже: Учителю, учителю, та й поцїлував Його.
46Toen sloegen ze de hand aan Hem, en grepen Hem vast.
46Вони ж наложили на Него руки свої, і взяли Його.
47Maar een der aanwezigen trok het zwaard, trof den knecht van den hogepriester, en sloeg hem het oor af.
47Один же хтось із тих, що стояли, вихопивши меча, вдарив слугу архиєрейського, й відтяв йому ухо.
48Nu nam Jesus het woord, en sprak tot hen: Gij zijt uitgetrokken als tegen een rover, met zwaarden en stokken, om Mij gevangen te nemen.
48І озвавшись Ісус, рече їм: Чи се як на розбійника вийшли ви з мечами та киями брати мене?
49Dag aan dag leerde Ik bij u in de tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen. Maar zo moeten de Schriften worden vervuld.
49Що-дня був я з вами в церкві навчаючи, й не брали ви мене; та щоб справдились писання.
50Toen verlieten Hem allen, en namen de vlucht.
50І, покинувши Його, всї повтїкали.
51Maar een jonge man, met slechts een nachtkleed om het lijf, ging Hem achterna. Ze grepen hem vast;
51А один якийся молодець ійшов за ним, одягнений полотном по нагому, й хапають його молодцї (воїни);
52maar hij liet het nachtkleed in de steek, en vluchtte weg, ongekleed.
52він же, зоставивши полотно, нагий утїк од них.
53Ze brachten Jesus bij den hogepriester; en alle opperpriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen bijeen.
53І повели Ісуса до архиєрея; і сходять ся до него всї архиєреї, і старші й письменники.
54Petrus volgde Hem van verre tot in de voorhof van den hogepriester; hij zette zich bij de dienstknechten neer, om zich bij het vuur te warmen.
54А Петр оддалеки йшов за ними, аж у середину в двір архиєрейський; і сидїв із слугами, та й грівсь коло багаття.
55De opperpriesters en heel de Hoge Raad zochten nu naar een aanklacht tegen Jesus, om Hem ter dood te brengen. Maar ze vonden niets.
55Архиєреї ж і вся рада шукали на Ісуса сьвідчення, щоб убити Його, та й не знайшли.
56Wel brachten velen valse beschuldigingen tegen Hem in, maar de getuigenissen stemden niet overeen.
56Многі бо криво сьвідкували проти Него, й не сходились сьвідчення їх.
57Toen traden er enigen naar voren, die vals tegen Hem getuigden, en zeiden:
57І деякі, вставши, криво сьвідкували на Него, кажучи:
58We hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel afbreken, die door mensenhanden is gemaakt, en in drie dagen een andere bouwen, die niet door mensenhanden gemaakt is.
58Що ми чули, як він казав: Що я зруйную церкву сю рукотворну, й за три днї иншу нерукотворну збудую.
59Maar ook hier stemde hun getuigenis niet overeen.
59Та й так не сходились сьвідчення їх.
60Toen stond de hogepriester op in de kring, en ondervroeg Jesus, aldus: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
60І ставши архиєрей посерединї, спитав Ісуса, кажучи: Нїчого не відказуєш? Що сї на Тебе сьвідкують?
61Maar Hij zweeg, en antwoordde niets. Opnieuw vroeg Hem de hogepriester, en zei Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon van den Gezegende?
61Він же мовчав, і нїчого не відказав. Знов спитав Його архиєрей, і каже Йому: Чи Ти єси Христос, Син Благословенного?
62Jesus sprak: Ik ben het! Gij zult den Mensenzoon gezeten zien aan de rechterhand der Majesteit, en Hem zien komen op de wolken des hemels.
62Ісус же рече: Се я; і бачити мете Сина чоловічого, сидячого по правицї сили і йдучого на хмарах небесних.
63Toen scheurde de hogepriester zijn klederen, en zeide: Wat hebben we nog getuigen nodig?
63Архиєрей же, роздерши одежу свою, каже: На що нам іще сьвідків?
64Gij hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt u? En allen spraken het vonnis uit, dat Hij des doods schuldig was.
64Ви чули хулу: як вам здаєть ся? Вони ж усї осудили Його, що винен смерти.
65Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen, zijn gelaat te bedekken en Hem kaakslagen te geven, en dan tot Hem te zeggen: Profeteer! Ook de dienstknechten sloegen Hem in het gelaat.
65І почали деякі плювати на Него, й закривати лице Йому, й бити по щоках Його, й казали Йому: Проречи; і слуги знущались над Ним.
66Terwijl Petrus zich dus beneden in de voorhof bevond, kwam daar een der dienstmeisjes van den hogepriester;
66І як був Петр у дворі внизу, приходить одна з дївчат архиєрейських,
67en toen ze Petrus zich zag warmen, keek ze hem aan, en sprak: Ook gij waart bij Jesus van Názaret.
67і, бачивши Петра, що грієть ся, і позирнувши на него, каже: І ти був з Ісусом Назарянином?
68Doch hij loochende het en sprak: Ik weet niet, ik begrijp niet, wat ge zegt. Hij ging weg naar de voorhal; en er kraaide een haan.
68Він же одрік ся, кажучи: Не знаю, анї розумію, що ти кажеш. І вийшов геть до придвору; а півень запіяв.
69Maar het dienstmeisje, dat hem had opgemerkt, begon nu weer tot de omstanders te zeggen: Hij is er een van.
69І дївчина, побачивши його знов, почала казати тим, що стояли: Що сей з них.
70Maar hij loochende het opnieuw. Kort daarop zeiden ook de omstanders op hun beurt tot Petrus: Zeker, ook gij zijt er een van, want ge zijt een Galileër.
70Він же знов одрік ся. І трохи згодом ті, що стояли, сказали знов Петрові: Справдї з них єси, бо ти й Галилеєць, і говірка твоя подобна.
71Nu begon hij te vloeken en te zweren: Ik ken den mens niet, van wien gij spreekt.
71Він же почав проклинатись та клястись: Що не знаю чоловіка сього, про котрого кажете.
72En aanstonds kraaide een haan voor de tweede maal. Toen dacht Petrus aan het woord, dat Jesus tot hem gesproken had: Eer de haan tweemaal gekraaid heeft, zult ge Mij driemaal verloochenen. En hij barstte in tranen los.
72І вдруге півень запіяв. І згадав Петр слово, що промовив йому Ісус: Що перш нїж півень запіє двічи, одречеш ся мене тричі. І став плакати.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.