Marcus 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Eens ging Hij weer een synagoge binnen; daar was een man wiens hand verdord was.
1І ввійшов ізнов у школу; й був там чоловік, що мав суху руку.
2En ze bespiedden Hem, of Hij hem ook op de sabbat zou genezen, om Hem dan te kunnen beschuldigen.
2І назирали Його, чи сцїлить його в суботу, щоб обвинуватити Його.
3En Hij zei tot den man met de verdorde hand: Kom hier in het midden!
3І рече до сухорукого чоловіка: Стань посерединї.
4Toen sprak Hij tot hen: Mag men op de sabbat goed doen of kwaad, iemand redden of doden? Ze zwegen.
4І рече до них: Чи годить ся в суботу добро робити, чи зло робити? життє спасати, чи погубляти? Вони ж мовчали.
5Toornig liet Hij zijn blik over hen rondgaan, bedroefd over de verblinding van hun hart; en Hij sprak tot den man: Strek uw hand uit! Hij strekte ze uit, en zijn hand was genezen.
5І, позирнувши на них кругом гнївно, жалкуючи над скаменїлостю сердець їх, рече чоловікові: Простягни руку твою. І простяг, і стала рука його здорова, як і друга.
6Toen gingen de farizeën heen, en spanden terstond met de herodianen tegen Hem samen, om Hem ten val te
6І вийшовши Фарисеї, зараз з Іродиянами зробили раду на Него, як Його погубити.
7Nu ging Jesus met zijn leerlingen terug naar het meer, en een talrijke schare uit Galilea volgde Hem. Ook uit Judea,
7Ісус же відійшов з учениками своїми до моря; а великий натовп із Галилеї йшов за Ним, і з Юдеї,
8Jerusalem, Idumea, het Overjordaanse en uit de streek van Tyrus en Sidon kwam men in grote menigte naar Hem toe, toen men hoorde, al wat Hij deed.
8і з Єрусалиму, й з Ідумеї, і зза Йордану; й ті, що кругом Тира та Сидона, натовп великий, прочувши, скільки Він робив, поприходили до Него.
9En Hij beval zijn leerlingen, een boot voor Hem gereed te houden met het oog op de schare, opdat ze Hem niet zouden dringen.
9І сказав Він ученикам своїм наготовити Йому човна задля народу, щоб не тиснулись до Него.
10Want Hij genas er velen; zodat allen, die kwalen hadden, op Hem aandrongen, om Hem aan te raken.
10Многих бо сцїлив, так що кидались на Него, щоб приторкнутись до Него, хто з них мав недуги.
11En als de onreine geesten Hem zagen, vielen ze voor Hem neer, en schreeuwden het uit:
11А духи нечисті, як бачили Його, то падали ниць перед Ним, і кричали, говорячи: Ти єси Син Божий.
12Gij zijt de Zoon van God. Maar Hij verbood hun streng, Hem bekend te maken.
12І остро грозив їм, щоб Його не виявляли.
13Vervolgens besteeg Hij de berg en riep hen, die Hij zelf wilde; en ze kwamen bij Hem.
13І вийшов Він на гору, й покликав, кого схотїв сам; і поприходили до Него.
14En twaalf stelde Hij er aan, om bij Hem te blijven, en om hen ter prediking uit te zenden,
14І настановив дванайцятьох, щоб були з Ним, і щоб посилати їх проповідувати,
15met de macht om duivels uit te drijven.
15і щоб мали силу сцїляти недуги, й виганяти біси.
16Deze twaalf stelde Hij aan: Simon, dien Hij de bijnaam Petrus gaf;
16І дав Симонові імя Петр;
17dan Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, den broer van Jakobus, aan wie Hij de bijnaam Boanerges gaf, dat is zonen van de donder.
17та Якова Зеведеєвого, та Йоана, брата Якового, й дав їм імена Воанергес, що єсть: Сини громові;
18Verder Andreas en Filippus, Bartolomeus en Matteüs, Tomas en Jakobus, den zoon van Alfeus, Taddeus en Simon den Kananeër,
18та Андрея, та Филипа, та Вартоломея, та Маттея, та Тому, та Якова Алфеєвого, та Тадея, та Симона Хананця,
19en Judas Iskáriot, die Hem heeft verraden.
19та Юду Іскариоцького, що зрадив Його.
20Daarop ging Hij naar huis: maar weer liep de menigte samen, zodat zij niet eens konden eten.
20Входять вони в господу, і знов сходить ся народ, так що не могли анї хлїба зʼїсти.
21Toen zijn verwanten dit hoorden, trokken ze er op af, om Hem vast te houden; want ze zeiden: Hij is krankzinnig.
21І прочувши свояки Його, вийшли взяти Його; казали бо, що Він не при собі.
22Maar de schriftgeleerden, die van Jerusalem waren gekomen, zeiden: Hij is van Beélzebub bezeten, en door den vorst der duivels drijft Hij de duivels uit.
22А письменники, поприходивши з Єрусалиму, казали, що Вельзевула має, і що бісовським князем виганяє біси.
23Hij riep hen tot Zich, en sprak hen in gelijkenissen toe: Hoe kan een satan den satan verdrijven?
23І, покликавши їх, говорив до них приповістями: Як може сатана сатану виганяти?
24Wanneer een rijk inwendig is verdeeld, dan kan dat rijk niet in stand blijven.
24І коли царство проти себе роздїлить ся, не може стояти царство те.
25En wanneer een huis inwendig is verdeeld, dan zal dat huis geen stand kunnen houden.
25І коли господа проти себе роздїлить ся, не може стояти господа тая.
26Wanneer dus de satan in opstand komt tegen zichzelf, en verdeeld is, dan kan hij geen stand houden, maar het loopt met hem af.
26І коли сатана устав проти себе, й роздїлив ся, не може стояти, а конець йому.
27Niemand toch kan het huis van een sterken man binnendringen en zijn huisraad roven, als hij niet eerst den sterke bindt; eerst dan zal hij zijn huis kunnen plunderen.
27Не може нїхто надоби сильного, ввійшовши в господу його, пожакувати, як перше сильного не звяже; аж тодї господу його пограбить.
28Voorwaar, Ik zeg u: Alle zonden zullen aan de mensenkinderen worden vergeven: zelfs alle godslasteringen, die ze hebben geuit.
28Істино глаголю вам: Що всї гріхи відпустять ся синам чоловічим, і хули, якими б вони нї хулили;
29Maar wie lastert tegen den Heiligen Geest, krijgt in eeuwigheid geen vergiffenis, maar hij is schuldig aan een eeuwige zonde.
29хто ж хулити ме на Духа сьвятого, не має прощення во віки, а винен вічного осуду:
30Ze hadden immers gezegd: Hij heeft een onreinen geest.
30бо казали: Духа нечистого має.
31Toen kwamen zijn moeder en broeders; ze bleven buiten staan en lieten Hem roepen.
31Приходять тодї брати й мати Його, й стоячи на дворі, послали до Него, кличучи Його.
32Maar er zat een menigte om Hem heen: men zei Hem dus: Zie, uw moeder, uw broeders en zusters staan buiten, en zoeken U.
32І сидїв народ круг Него; кажуть же Йому: Ось мати Твоя і брати Твої на дворі шукають Тебе.
33Maar Hij gaf hun ten antwoord: Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broeders?
33І, озвавшись до них, рече: Хто се мати моя, або брати мої?
34En terwijl Hij rondkeek naar hen, die in een kring om Hem heen waren gezeten, sprak Hij: Ziedaar mijn moeder en broeders!
34І, позирнувши кругом по тих, що сидїли коло Него, рече: Оце мати моя, і брати мої!
35Wie de wil van God volbrengt, hij is mijn broeder en zuster en moeder.
35Хто бо чинити ме волю Божу, той брат менї, й сестра моя, і мати.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.