Marcus 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Eens ging Hij weer een synagoge binnen; daar was een man wiens hand verdord was.
1Y OTRA vez entró en la sinagoga; y había allí un hombre que tenía una mano seca.
2En ze bespiedden Hem, of Hij hem ook op de sabbat zou genezen, om Hem dan te kunnen beschuldigen.
2Y le acechaban si en sábado le sanaría, para acusarle.
3En Hij zei tot den man met de verdorde hand: Kom hier in het midden!
3Entonces dijo al hombre que tenía la mano seca: Levántate en medio.
4Toen sprak Hij tot hen: Mag men op de sabbat goed doen of kwaad, iemand redden of doden? Ze zwegen.
4Y les dice: ¿Es lícito hacer bien en sábado, ó hacer mal? ¿salvar la vida, ó quitarla? Mas ellos callaban.
5Toornig liet Hij zijn blik over hen rondgaan, bedroefd over de verblinding van hun hart; en Hij sprak tot den man: Strek uw hand uit! Hij strekte ze uit, en zijn hand was genezen.
5Y mirándolos alrededor con enojo, condoleciéndose de la ceguedad de su corazón, dice al hombre: Extiende tu mano. Y la extendió, y su mano fué restituída sana.
6Toen gingen de farizeën heen, en spanden terstond met de herodianen tegen Hem samen, om Hem ten val te
6Entonces saliendo los Fariseos, tomaron consejo con los Herodianos contra él, para matarle.
7Nu ging Jesus met zijn leerlingen terug naar het meer, en een talrijke schare uit Galilea volgde Hem. Ook uit Judea,
7Mas Jesús se apartó á la mar con sus discípulos: y le siguió gran multitud de Galilea, y de Judea,
8Jerusalem, Idumea, het Overjordaanse en uit de streek van Tyrus en Sidon kwam men in grote menigte naar Hem toe, toen men hoorde, al wat Hij deed.
8Y de Jerusalem, y de Idumea, y de la otra parte del Jordán. Y los de alrededor de Tiro y de Sidón, grande multitud, oyendo cuán grandes cosas hacía, vinieron á él.
9En Hij beval zijn leerlingen, een boot voor Hem gereed te houden met het oog op de schare, opdat ze Hem niet zouden dringen.
9Y dijo á sus discípulos que le estuviese siempre apercibida la barquilla, por causa del gentío, para que no le oprimiesen.
10Want Hij genas er velen; zodat allen, die kwalen hadden, op Hem aandrongen, om Hem aan te raken.
10Porque había sanado á muchos; de manera que caían sobre él cuantos tenían plagas, por tocarle.
11En als de onreine geesten Hem zagen, vielen ze voor Hem neer, en schreeuwden het uit:
11Y los espíritus inmundos, al verle, se postraban delante de él, y daban voces, diciendo: Tú eres el Hijo de Dios.
12Gij zijt de Zoon van God. Maar Hij verbood hun streng, Hem bekend te maken.
12Mas él les reñía mucho que no le manifestasen.
13Vervolgens besteeg Hij de berg en riep hen, die Hij zelf wilde; en ze kwamen bij Hem.
13Y subió al monte, y llamó á sí á los que él quiso; y vinieron á él.
14En twaalf stelde Hij er aan, om bij Hem te blijven, en om hen ter prediking uit te zenden,
14Y estableció doce, para que estuviesen con él, y para enviarlos á predicar,
15met de macht om duivels uit te drijven.
15Y que tuviesen potestad de sanar enfermedades, y de echar fuera demonios:
16Deze twaalf stelde Hij aan: Simon, dien Hij de bijnaam Petrus gaf;
16A Simón, al cual puso por nombre Pedro;
17dan Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, den broer van Jakobus, aan wie Hij de bijnaam Boanerges gaf, dat is zonen van de donder.
17Y á Jacobo, hijo de Zebedeo, y á Juan hermano de Jacobo; y les apellidó Boanerges, que es, Hijos del trueno;
18Verder Andreas en Filippus, Bartolomeus en Matteüs, Tomas en Jakobus, den zoon van Alfeus, Taddeus en Simon den Kananeër,
18Y á Andrés, y á Felipe, y á Bartolomé, y á Mateo, y á Tomás, y á Jacobo hijo de Alfeo, y á Tadeo, y á Simón el Cananita,
19en Judas Iskáriot, die Hem heeft verraden.
19Y á Judas Iscariote, el que le entregó. Y vinieron á casa.
20Daarop ging Hij naar huis: maar weer liep de menigte samen, zodat zij niet eens konden eten.
20Y agolpóse de nuevo la gente, de modo que ellos ni aun podían comer pan.
21Toen zijn verwanten dit hoorden, trokken ze er op af, om Hem vast te houden; want ze zeiden: Hij is krankzinnig.
21Y como lo oyeron los suyos, vinieron para prenderle: porque decían: Está fuera de sí.
22Maar de schriftgeleerden, die van Jerusalem waren gekomen, zeiden: Hij is van Beélzebub bezeten, en door den vorst der duivels drijft Hij de duivels uit.
22Y los escribas que habían venido de Jerusalem, decían que tenía á Beelzebub, y que por el príncipe de los demonios echaba fuera los demonios.
23Hij riep hen tot Zich, en sprak hen in gelijkenissen toe: Hoe kan een satan den satan verdrijven?
23Y habiéndolos llamado, les decía en parábolas: ¿Cómo puede Satanás echar fuera á Satanás?
24Wanneer een rijk inwendig is verdeeld, dan kan dat rijk niet in stand blijven.
24Y si algún reino contra sí mismo fuere dividido, no puede permanecer el tal reino.
25En wanneer een huis inwendig is verdeeld, dan zal dat huis geen stand kunnen houden.
25Y si alguna casa fuere dividida contra sí misma, no puede permanecer la tal casa.
26Wanneer dus de satan in opstand komt tegen zichzelf, en verdeeld is, dan kan hij geen stand houden, maar het loopt met hem af.
26Y si Satanás se levantare contra sí mismo, y fuere dividido, no puede permanecer; antes tiene fin.
27Niemand toch kan het huis van een sterken man binnendringen en zijn huisraad roven, als hij niet eerst den sterke bindt; eerst dan zal hij zijn huis kunnen plunderen.
27Nadie puede saquear las alhajas del valiente entrando en su casa, si antes no atare al valiente y entonces saqueará su casa.
28Voorwaar, Ik zeg u: Alle zonden zullen aan de mensenkinderen worden vergeven: zelfs alle godslasteringen, die ze hebben geuit.
28De cierto os digo que todos los pecados serán perdonados á los hijos de los hombres, y las blasfemias cualesquiera con que blasfemaren;
29Maar wie lastert tegen den Heiligen Geest, krijgt in eeuwigheid geen vergiffenis, maar hij is schuldig aan een eeuwige zonde.
29Mas cualquiera que blasfemare contra el Espíritu Santo, no tiene jamás perdón, mas está expuesto á eterno juicio.
30Ze hadden immers gezegd: Hij heeft een onreinen geest.
30Porque decían: Tiene espíritu inmundo.
31Toen kwamen zijn moeder en broeders; ze bleven buiten staan en lieten Hem roepen.
31Vienen después sus hermanos y su madre, y estando fuera, enviaron á él llamándole.
32Maar er zat een menigte om Hem heen: men zei Hem dus: Zie, uw moeder, uw broeders en zusters staan buiten, en zoeken U.
32Y la gente estaba sentada alrededor de él, y le dijeron: He aquí, tu madre y tus hermanos te buscan fuera.
33Maar Hij gaf hun ten antwoord: Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broeders?
33Y él les respondió, diciendo: ¿Quién es mi madre y mis hermanos?
34En terwijl Hij rondkeek naar hen, die in een kring om Hem heen waren gezeten, sprak Hij: Ziedaar mijn moeder en broeders!
34Y mirando á los que estaban sentados alrededor de él, dijo: He aquí mi madre y hermanos.
35Wie de wil van God volbrengt, hij is mijn broeder en zuster en moeder.
35Porque cualquiera que hiciere la voluntad de Dios, éste es mi hermano, y mi hermana, y mi madre.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.