Hebreeen 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot de Vaders gesproken heeft door de Profeten,
1DIOS, habiendo hablado muchas veces y en muchas maneras en otro tiempo á los padres por los profetas,
2heeft Hij aan het einde dezer dagen tot ons gesproken door den Zoon, dien Hij gesteld heeft tot erfgenaam van al zijn bezit en door wien Hij de wereld gemaakt heeft.
2En estos postreros días nos ha hablado por el Hijo, al cual constituyó heredero de todo, por el cual asimismo hizo el universo:
3Deze is de afstraling zijner Glorie en de afdruk van zijn Wezen, en Hij draagt het heelal door het woord zijner Macht; Hij heeft de reiniging van zonden bewerkt, en toen Zich neergezet aan de rechterhand der Majesteit in den hoge.
3El cual siendo el resplandor de su gloria, y la misma imagen de su sustancia, y sustentando todas las cosas con la palabra de su potencia, habiendo hecho la purgación de nuestros pecados por sí mismo, se sentó á la diestra de la Majestad en las alturas,
4Even hoog staat Hij boven de engelen, als de Naam, die Hij ontving, voortreffelijker is dan de hunne.
4Hecho tanto más excelente que los ángeles, cuanto alcanzó por herencia más excelente nombre que ellos.
5Want tot wien der engelen heeft Hij ooit gezegd: “Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt.” Of wederom: “Ik zal Hem tot Vader zijn, En Hij zal Mij wezen tot Zoon.”
5Porque ¿á cuál de los ángeles dijo Dios jamás: Mi hijo eres tú, hoy yo te he engendrado? y otra vez: Yo seré á él Padre, y él me será á mí hijo?
6En wanneer Hij den Eerstgeborene de wereld binnenleidt, zegt Hij opnieuw: “Alle engelen Gods moeten Hem aanbidden.”
6Y otra vez, cuando introduce al Primogénito en la tierra, dice: Y adórenle todos los ángeles de Dios.
7En van de engelen zegt Hij: “Die zijn engelen geesten maakt, En zijn knechten vlammend vuur.”
7Y ciertamente de los ángeles dice: El que hace á sus ángeles espíritus, y á sus ministros llama de fuego.
8Maar van den Zoon: Uw troon, o God, is in de eeuwen der eeuwen, En uw koningschepter is de schepter van het recht.
8Mas al hijo: Tu trono, oh Dios, por el siglo del siglo; vara de equidad la vara de tu reino;
9Gij hebt gerechtigheid bemind, En ongerechtigheid gehaat. Daarom, o God, heeft uw God U gezalfd, Met vreugde-olie boven uw genoten.
9Has amado la justicia, y aborrecido la maldad; por lo cual te ungió Dios, el Dios tuyo, con óleo de alegría más que á tus compañeros.
10En: Heer, in den beginne hebt Gij de aarde gegrond, En de hemelen zijn de werken uwer handen.
10Y: Tú, oh Señor, en el principio fundaste la tierra; y los cielos son obras de tus manos:
11Zij zullen vergaan, maar Gij blijft! Als een kleed zullen ze allen verslijten.
11Ellos perecerán, mas tú eres permanente; y todos ellos se envejecerán como una vestidura;
12Als een mantel rolt Gij ze op, En als een kleed zullen ze worden verwisseld. Maar Gij blijft dezelfde, En uw jaren nemen geen einde.
12Y como un vestido los envolverás, y serán mudados; empero tú eres el mismo, y tus años no acabarán.
13En tot wien der engelen sprak Hij ooit: “Zet U aan mijn rechterhand, Totdat Ik uw vijanden leg als een voetbank voor uw voeten.”
13Pues, ¿á cuál de los ángeles dijo jamás: Siéntate á mi diestra, hasta que ponga á tus enemigos por estrado de tus pies?
14Zijn ze niet allen dienstbare geesten, uitgezonden tot hulp van hen, die de zaligheid zullen beërven?
14¿No son todos espíritus administradores, enviados para servicio á favor de los que serán herederos de salud?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.