Hooglied
Chapter 1

Hooglied

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Het hooglied van Salomon.
1CANCIÓN de canciones, la cual es de Salomón.
2Drenk mij met de kussen van uw mond; Want uw liefde is zoeter dan wijn.
2¡Oh si él me besara con ósculos de su boca! porque mejores son tus amores que el vino.
3Heerlijk is de geur van uw balsem, Uw naam is het kostbaarst aroom. Daarom hebben de meisjes u lief.
3Por el olor de tus suaves ungüentos, (ungüento derramado es tu nombre,) por eso las doncellas te amaron.
4Neem mij mede, laat ons vluchten; Want de koning heeft mij in zijn vertrekken gebracht! Wij willen juichen, in u ons verblijden, Uw liefde roemen, hoger dan wijn, Terecht beminnen zij u!
4Llévame en pos de ti, correremos. Metióme el rey en sus cámaras: nos gozaremos y alegraremos en ti; acordarémonos de tus amores más que del vino: los rectos te aman.
5Wel ben ik donker, Maar toch nog schoon, Jerusalems dochters: Als de tenten van Kedar, De paviljoenen van Sjalma.
5Morena soy, oh hijas de Jerusalem, mas codiciable; como las cabañas de Cedar, como las tiendas de Salomón.
6Let er niet op, dat ik zwart ben, En van de zon ben verbrand; Want de zonen van mijn moeder waren boos op mij, En lieten mij de wijngaarden bewaken….Maar mijn eigen wijngaard bewaakte ik niet!
6No miréis en que soy morena, porque el sol me miró. Los hijos de mi madre se airaron contra mí, hiciéronme guarda de viñas; y mi viña, que era mía, no guardé.
7Bericht mij toch, mijn zielsbeminde, Waar ge uw kudde laat weiden, Waar ge ze in de middag laat rusten? Want waarom zou ik gaan zwerven Bij de kudden uwer vrienden?
7Hazme saber, ó tú á quien ama mi alma, dónde repastas, dónde haces tener majada al medio día: porque, ¿por qué había yo de estar como vagueando tras los rebaños de tus compañeros?
8Als ge het niet weet, Schoonste der vrouwen, Volg dan het spoor van de kudde, En hoed uw geiten Bij de tenten der herders.
8Si tú no lo sabes, oh hermosa entre las mujeres, sal, yéndote por las huellas del rebaño, y apacienta tus cabritas junto á las cabañas de los pastores.
9Met het span van Farao’s wagens Vergelijk ik u, liefste;
9A yegua de los carros de Faraón te he comparado, amiga mía.
10Hoe bekoorlijk uw wangen tussen de hangers, Uw hals in de snoeren.
10Hermosas son tus mejillas entre los pendientes, tu cuello entre los collares.
11Gouden hangers laten we u maken, Met plaatjes van zilver.
11Zarcillos de oro te haremos, con clavos de plata.
12Zolang de koning in zijn harem verbleef, Straalde mijn nardus haar geur.
12Mientras que el rey estaba en su reclinatorio, mi nardo dió su olor.
13Want mijn beminde is mij een bundeltje mirre, Dat op mijn boezem blijft rusten;
13Mi amado es para mí un manojito de mirra, que reposa entre mis pechos.
14Mijn beminde is mij een cyper-tros, Van Engédi’s gaarden.
14Racimo de copher en las viñas de Engadi es para mí mi amado.
15Wat zijt ge verrukkelijk, mijn liefste, Uw ogen zijn duiven.
15He aquí que tú eres hermosa, amiga mía; he aquí que eres bella: tus ojos de paloma.
16Wat zijt ge verrukkelijk schoon, mijn beminde Ons rustbed is in het groen!
16He aquí que tú eres hermoso, amado mío, y suave: nuestro lecho también florido.
17De binten van ons paleis zijn ceders, Onze wanden cypressen.
17Las vigas de nuestra casa son de cedro, y de ciprés los artesonados.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.