Hooglied 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Maar ik ben een crocus van Sjaron, Een lelie der dalen!
1YO soy la rosa de Sarón, y el lirio de los valles.
2Als een lelie tussen de doornen, Is mijn liefste onder de meisjes.
2Como el lirio entre las espinas, así es mi amiga entre las doncellas.
3Als een appelboom tussen de bomen in het woud, Is mijn beminde onder de jongemannen; Ik smacht er naar, in zijn schaduw te zitten, Zijn vrucht is zoet voor mijn mond.
3Como el manzano entre los árboles silvestres, así es mi amado entre los mancebos: bajo la sombra del deseado me senté, y su fruto fué dulce á mi paladar.
4Brengt mij naar het huis van de wijn, Ontplooit over mij de standaard der liefde;
4Llevóme á la cámara del vino, y su bandera sobre mí fué amor.
5Verkwikt mij met druivenkoeken, Versterkt mij met appels. Want ik ben krank, Ben krank van liefde!
5Sustentadme con frascos, corroboradme con manzanas; porque estoy enferma de amor.
6Zijn linker moet rusten onder mijn hoofd, Zijn rechter houde mij omstrengeld!
6Su izquierda esté debajo de mi cabeza, y su derecha me abrace.
7Ik bezweer u, Jerusalems dochters, Bij de gazellen en de hinden in het veld: Wekt en lokt de liefde niet, Voordat het haar lust! …
7Yo os conjuro, oh doncellas de Jerusalem, por las gamas y por las ciervas del campo, que no despertéis ni hagáis velar al amor, hasta que quiera.
8Maar hoor, mijn beminde! Zie, hij komt! Hij springt over de bergen, Hij huppelt over de heuvels.
8¡La voz de mi amado! He aquí él viene saltando sobre los montes, brincando sobre los collados.
9Mijn beminde gelijkt een gazel, Of het jong van een hert. Zie, daar staat hij reeds Achter onze muur. Hij staart door het venster, En blikt door de tralies;
9Mi amado es semejante al gamo, ó al cabrito de los ciervos. Helo aquí, está tras nuestra pared, mirando por las ventanas, mostrándose por las rejas.
10Mijn beminde heft aan, En spreekt tot mij! Sta op, mijn geliefde, Mijn schone, kom mede!
10Mi amado habló, y me dijo: Levántate, oh amiga mía, hermosa mía, y vente.
11Want zie, de winter is voorbij, De regen is voorgoed verdwenen.
11Porque he aquí ha pasado el invierno, hase mudado, la lluvia se fué;
12De bloemen prijken op het land, Men hoort de duiven al kirren;
12Hanse mostrado las flores en la tierra, el tiempo de la canción es venido, y en nuestro país se ha oído la voz de la tórtola;
13De vijg kleurt reeds zijn jonge vrucht, De wingerds bloeien en geuren. Sta op, mijn geliefde, Mijn schone, kom mede;
13La higuera ha echado sus higos, y las vides en cierne dieron olor: levántate, oh amiga mía, hermosa mía, y vente.
14Mijn duifje in de spleten der rotsen, In de holen der klippen! Laat mij zien uw gelaat, Laat mij horen uw stem; Want uw stem is zo zoet, Uw gelaat is zo lief.
14Paloma mía, que estás en los agujeros de la peña, en lo escondido de escarpados parajes, muéstrame tu rostro, hazme oir tu voz; porque dulce es la voz tuya, y hermoso tu aspecto.
15Vangt ons de jakhalzen De kleine vossen, Die de tuinen vernielen, Ofschoon onze wijngaard al bloeit.
15Cazadnos las zorras, las zorras pequeñas, que echan á perder las viñas; pues que nuestras viñas están en cierne.
16Want mijn beminde is mijn, en ik van hem: Hij is het, die in de leliën weidt,
16Mi amado es mío, y yo suya; él apacienta entre lirios.
17Totdat de dag is afgekoeld En de schaduwen vlieden! Blijf hier, mijn beminde, En doe zoals de gazel Of het jong van het hert Op de balsembergen!
17Hasta que apunte el día, y huyan las sombras, tórnate, amado mío; sé semejante al gamo, ó al cabrito de los ciervos, sobre los montes de Bether.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.