Marcus 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Twee dagen later was het Pasen, en het feest van de ongedesemde broden. En de opperpriesters en schriftgeleerden zochten naar een middel, om Hem met list gevangen te nemen, en te doden.
1Now the feast of the pasch, and of the Azymes was after two days; and the chief priests and the scribes sought how they might by some wile lay hold on him, and kill him.
2Ze zeiden: Niet op het feest; er mocht eens oproer komen onder het volk.
2But they said: Not on the festival day, lest there should be a tumult among the people.
3Terwijl Hij nu te Betánië was in het huis van Simon den melaatse, en aanlag aan tafel, kwam er een vrouw, die een albasten kruik vol echte, kostbare nardus droeg; ze brak de kruik stuk, en goot de nardus uit over zijn hoofd.
3And when he was in Bethania, in the house of Simon the leper, and was at meat, there came a woman having an alabaster box of ointment of precious spikenard: and breaking the alabaster box, she poured it out upon his head.
4Sommigen werden er verontwaardigd over, en zeiden: Waarom die verkwisting met de balsem?
4Now there were some that had indignation within themselves, and said: Why was this waste of the ointment made?
5Want deze balsem had voor meer dan driehonderd tienlingen verkocht kunnen worden, en aan de armen worden gegeven. En ze waren boos op haar.
5For this ointment might have been sold for more than three hundred pence, and given to the poor. And they murmured against her.
6Maar Jesus sprak: Laat haar met rust! Waarom valt gij haar lastig? Ze heeft een goed werk aan Mij gedaan.
6But Jesus said: Let her alone, why do you molest her? She hath wrought a good work upon me.
7Want de armen hebt gij altijd bij u, en gij kunt hun goed doen, wanneer gij wilt; Mij niet.
7For the poor you have always with you: and whensoever you will, you may do them good: but me you have not always.
8Zij heeft gedaan, wat ze kon; ze heeft reeds vooruit mijn lichaam gebalsemd voor de begrafenis.
8She hath done what she could: she is come beforehand to anoint my body for burial.
9Voorwaar, Ik zeg u: Overal, in heel de wereld, waar dit evangelie wordt gepreekt, zal ook tot hare gedachtenis worden vermeld, wat ze gedaan heeft.
9Amen, I say to you, wheresoever this gospel shall be preached in the whole world, that also which she hath done, shall be told for a memorial of her.
10Toen ging Judas Iskáriot, een van de twaalf, naar de opperpriesters, om Hem aan hen over te leveren.
10And Judas Iscariot, one of the twelve, went to the chief priests, to betray him to them.
11Ze verheugden zich, toen ze dit hoorden, en beloofden hem, geld te geven. Hij zocht dus naar een gelegenheid, om Hem te verraden.
11Who hearing it were glad; and they promised him they would give him money. And he sought how he might conveniently betray him.
12Op de eerste dag der ongedesemde broden, waarop men het Pascha offerde, zeiden zijn leerlingen tot Hem: Waar wilt Gij, dat we U de toebereidselen gaan maken, om het paasmaal te eten?
12Now on the first day of the unleavened bread, when they sacrificed the pasch, the disciples say to him: Whither wilt thou that we go, and prepare for thee to eat the pasch?
13Hij zond dus twee van zijn leerlingen heen, en zei hun: Gaat naar de stad; daar zult gij een man tegenkomen, die een kruik water draagt; gaat hem achterna.
13And he sendeth two of his disciples, and saith to them: Go ye into the city; and there shall meet you a man carrying a pitcher of water, follow him;
14en zegt, waar hij binnengaat, tot den heer des huizes: De Meester zegt: waar is de zaal, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?
14And whithersoever he shall go in, say to the master of the house, The master saith, Where is my refectory, where I may eat the pasch with my disciples?
15En Hij zal u een grote opperzaal aanwijzen, goed gemeubeld en van alles voorzien; maakt daar alles voor ons gereed.
15And he will shew you a large dining room furnished; and there prepare ye for us.
16De leerlingen gingen heen, kwamen in de stad, en vonden het, zoals Hij hun had gezegd; en ze maakten het paasmaal gereed.
16And his disciples went their way, and came into the city; and they found as he had told them, and they prepared the pasch.
17Tegen de avond kwam Hij met het twaalftal.
17And when evening was come, he cometh with the twelve.
18En terwijl ze aanlagen en aten, sprak Jesus: Voorwaar, Ik zeg u: één van u zal Mij verraden, een die met Mij eet.
18And when they were at table and eating, Jesus saith: Amen I say to you, one of you that eateth with me shall betray me.
19Nu werden ze bedroefd, en vroegen Hem de een na den ander: Ben ik het?
19But they began to be sorrowful, and to say to him one by one: Is it I?
20Hij sprak tot hen: Eén uit de twaalf, die met Mij in de schotel doopt.
20Who saith to them: One of the twelve, who dippeth with me his hand in the dish.
21De Mensenzoon gaat wel heen, zoals van Hem geschreven staat; maar wee dien mens, door wien de Mensenzoon verraden wordt. Het zou beter voor hem zijn, zo hij niet was geboren, die mens.
21And the Son of man indeed goeth, as it is written of him: but woe to that man by whom the Son of man shall be betrayed. It were better for him, if that man had not been born.
22Terwijl zij nu aten, nam Jesus brood, zegende het, brak het, gaf het hun, en zeide: Neemt, dit is mijn lichaam.
22And whilst they were eating, Jesus took bread; and blessing, broke, and gave to them, and said: Take ye. This is my body.
23Daarna nam Hij de kelk, sprak een dankgebed uit, en gaf hun de kelk; en zij dronken er allen uit.
23And having taken the chalice, giving thanks, he gave it to them. And they all drank of it.
24En Hij zeide tot hen: Dit is mijn bloed van het Verbond, dat voor velen wordt vergoten.
24And he said to them: This is my blood of the new testament, which shall be shed for many.
25Voorwaar, Ik zeg u: Ik zal de vrucht van de wijnstok niet meer drinken tot op de dag, waarop Ik ze hernieuwd zal drinken in het koninkrijk Gods.
25Amen I say to you, that I will drink no more of the fruit of the vine, until that day when I shall drink it new in the kingdom of God.
26En nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen zij naar de Olijfberg.
26And when they had said an hymn, they went forth to the mount of Olives.
27Toen sprak Jesus tot hen: Deze nacht zult gij allen aan Mij worden geërgerd. Want er staat geschreven: “Ik zal den herder slaan. en de schapen zullen worden verstrooid.”
27And Jesus saith to them: You will all be scandalized in my regard this night; for it is written, I will strike the shepherd, and the sheep shall be dispersed.
28Maar wanneer Ik verrezen zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
28But after I shall be risen again, I will go before you into Galilee.
29Petrus zei Hem: Al werden ook allen aan U geërgerd, ik niet.
29But Peter saith to him: Although all shall be scandalized in thee, yet not I.
30Jesus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: Heden nog in deze nacht, eer de haan twee maal gekraaid heeft, zult ge Mij driemaal verloochenen.
30And Jesus saith to him: Amen I say to thee, today, even in this night, before the cock crow twice, thou shall deny me thrice.
31Maar nog krachtiger zeide hij: Al moest ik zelfs met U sterven, verloochenen zal ik U niet. Zo spraken ook allen.
31But he spoke the more vehemently: Although I should die together with thee, I will not deny thee. And in like manner also said they all.
32Toen kwamen zij aan een landgoed, Getsémani genaamd. Nu zei Hij tot zijn leerlingen: Zet u hier neer, terwijl Ik ga bidden.
32And they came to a farm called Gethsemani. And he saith to his disciples: Sit you here, while I pray.
33Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee, en begon ontroerd en angstig te worden.
33And he taketh Peter and James and John with him; and he began to fear and to be heavy.
34En Hij sprak tot hen: Mijn ziel is dodelijk bedroefd: blijft hier en waakt.
34And he saith to them: My soul is sorrowful even unto death; stay you here, and watch.
35Hij ging nog een weinig verder, viel neer ter aarde, en bad, dat dit uur, zo het mogelijk was, Hem mocht voorbijgaan.
35And when he was gone forward a little, he fell flat on the ground; and he prayed, that if it might be, the hour might pass from him.
36Hij sprak: Abba, Vader; alles is mogelijk bij U; neem deze kelk van Mij weg. Maar niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.
36And he saith: Abba, Father, all things are possible to thee: remove this chalice from me; but not what I will, but what thou wilt.
37Nu ging Hij terug, en vond hen in slaap. Hij sprak tot Petrus: Simon, slaapt ge? Kunt ge dan niet één uur waken?
37And he cometh, and findeth them sleeping. And he saith to Peter: Simon, sleepest thou? couldst thou not watch one hour?
38Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring komt. De geest is gewillig, maar het vlees is zwak.
38Watch ye, and pray that you enter not into temptation. The spirit indeed is willing, but the flesh is weak.
39En weer ging Hij heen, en bad met dezelfde woorden.
39A going away again, he prayed, saying the same words.
40Hij keerde terug, en vond hen opnieuw in slaap; want hun ogen vielen toe. Ze wisten niet, wat ze Hem zouden antwoorden.
40And when he returned, he found them again asleep, (for their eyes were heavy,) and they knew not what to answer him.
41Toen kwam Hij voor de derde maal, en sprak tot hen: Slaapt nu voort, en rust uit. Het is beslist. Het uur is gekomen: ziet, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der zondaars.
41And he cometh the third time, and saith to them: Sleep ye now, and take your rest. It is enough: the hour is come: behold the Son of man shall be betrayed into the hands of sinners.
42Staat op, laat ons gaan; ziet, die Mij verraadt is nabij.
42Rise up, let us go. Behold, he that will betray me is at hand.
43En terwijl Hij nog sprak, kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een bende met zwaarden en stokken, uitgezonden door de opperpriesters, schriftgeleerden en oudsten.
43And while he was yet speaking, cometh Judas Iscariot, one of the twelve: and with him a great multitude with swords and staves, from the chief priests and the scribes and the ancients.
44De verrader had hun een teken gegeven, en gezegd: Dien Ik zal kussen. Hij is het; grijpt Hem vast, en leidt Hem weg onder strenge bewaking.
44And he that betrayed him, had given them a sign, saying: Whomsoever I shall kiss, that is he; lay hold on him, and lead him away carefully.
45Hij kwam dus, liep terstond op Hem toe, en zeide: Rabbi. En hij kuste Hem.
45And when he was come, immediately going up to him, he saith: Hail, Rabbi; and he kissed him.
46Toen sloegen ze de hand aan Hem, en grepen Hem vast.
46But they laid hands on him, and held him.
47Maar een der aanwezigen trok het zwaard, trof den knecht van den hogepriester, en sloeg hem het oor af.
47An one of them that stood by, drawing a sword, struck a servant of the chief priest, and cut off his ear.
48Nu nam Jesus het woord, en sprak tot hen: Gij zijt uitgetrokken als tegen een rover, met zwaarden en stokken, om Mij gevangen te nemen.
48And Jesus answering, said to them: Are you come out as to a robber, with swords and staves to apprehend me?
49Dag aan dag leerde Ik bij u in de tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen. Maar zo moeten de Schriften worden vervuld.
49I was daily with you in the temple teaching, and you did not lay hands on me. But that the scriptures may be fulfilled.
50Toen verlieten Hem allen, en namen de vlucht.
50Then his disciples leaving him, all fled away.
51Maar een jonge man, met slechts een nachtkleed om het lijf, ging Hem achterna. Ze grepen hem vast;
51And a certain young man followed him, having a linen cloth cast about his naked body; and they laid hold on him.
52maar hij liet het nachtkleed in de steek, en vluchtte weg, ongekleed.
52But he, casting off the linen cloth, fled from them naked.
53Ze brachten Jesus bij den hogepriester; en alle opperpriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen bijeen.
53And they brought Jesus to the high priest; and all the priests and the scribes and the ancients assembled together.
54Petrus volgde Hem van verre tot in de voorhof van den hogepriester; hij zette zich bij de dienstknechten neer, om zich bij het vuur te warmen.
54And Peter followed him from afar off, even into the court of the high priest; and he sat with the servants at the fire, and warmed himself.
55De opperpriesters en heel de Hoge Raad zochten nu naar een aanklacht tegen Jesus, om Hem ter dood te brengen. Maar ze vonden niets.
55And the chief priests and all the council sought for evidence against Jesus, that they might put him to death, and found none.
56Wel brachten velen valse beschuldigingen tegen Hem in, maar de getuigenissen stemden niet overeen.
56For many bore false witness against him, and their evidences were not agreeing.
57Toen traden er enigen naar voren, die vals tegen Hem getuigden, en zeiden:
57And some rising up, bore false witness against him, saying:
58We hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel afbreken, die door mensenhanden is gemaakt, en in drie dagen een andere bouwen, die niet door mensenhanden gemaakt is.
58We heard him say, I will destroy this temple made with hands, and within three days I will build another not made with hands.
59Maar ook hier stemde hun getuigenis niet overeen.
59And their witness did not agree.
60Toen stond de hogepriester op in de kring, en ondervroeg Jesus, aldus: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
60And the high priest rising up in the midst, asked Jesus, saying: Answerest thou nothing to the things that are laid to thy charge by these men?
61Maar Hij zweeg, en antwoordde niets. Opnieuw vroeg Hem de hogepriester, en zei Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon van den Gezegende?
61But he held his peace, and answered nothing. Again the high priest asked him, and said to him: Art thou the Christ the Son of the blessed God?
62Jesus sprak: Ik ben het! Gij zult den Mensenzoon gezeten zien aan de rechterhand der Majesteit, en Hem zien komen op de wolken des hemels.
62And Jesus said to him: I am. And you shall see the Son of man sitting on the right hand of the power of God, and coming with the clouds of heaven.
63Toen scheurde de hogepriester zijn klederen, en zeide: Wat hebben we nog getuigen nodig?
63Then the high priest rending his garments, saith: What need we any further witnesses?
64Gij hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt u? En allen spraken het vonnis uit, dat Hij des doods schuldig was.
64You have heard the blasphemy. What think you? Who all condemned him to be guilty of death.
65Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen, zijn gelaat te bedekken en Hem kaakslagen te geven, en dan tot Hem te zeggen: Profeteer! Ook de dienstknechten sloegen Hem in het gelaat.
65And some began to spit on him, and to cover his face, and to buffet him, and to say unto him: Prophesy: and the servants struck him with the palms of their hands.
66Terwijl Petrus zich dus beneden in de voorhof bevond, kwam daar een der dienstmeisjes van den hogepriester;
66Now when Peter was in the court below, there cometh one of the maidservants of the high priest.
67en toen ze Petrus zich zag warmen, keek ze hem aan, en sprak: Ook gij waart bij Jesus van Názaret.
67And when she had seen Peter warming himself, looking on him she saith: Thou also wast with Jesus of Nazareth.
68Doch hij loochende het en sprak: Ik weet niet, ik begrijp niet, wat ge zegt. Hij ging weg naar de voorhal; en er kraaide een haan.
68But he denied, saying: I neither know nor understand what thou sayest. And he went forth before the court; and the cock crew.
69Maar het dienstmeisje, dat hem had opgemerkt, begon nu weer tot de omstanders te zeggen: Hij is er een van.
69And again a maidservant seeing him, began to say to the standers by: This is one of them.
70Maar hij loochende het opnieuw. Kort daarop zeiden ook de omstanders op hun beurt tot Petrus: Zeker, ook gij zijt er een van, want ge zijt een Galileër.
70But he denied again. And after a while they that stood by said again to Peter: Surely thou art one of them; for thou art also a Galilean.
71Nu begon hij te vloeken en te zweren: Ik ken den mens niet, van wien gij spreekt.
71But he began to curse and to swear, saying; I know not this man of whom you speak.
72En aanstonds kraaide een haan voor de tweede maal. Toen dacht Petrus aan het woord, dat Jesus tot hem gesproken had: Eer de haan tweemaal gekraaid heeft, zult ge Mij driemaal verloochenen. En hij barstte in tranen los.
72And immediately the cock crew again. And Peter remembered the word that Jesus had said unto him: Before the cock crow twice, thou shalt thrice deny me. And he began to weep.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.