2 Samuel 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Na de dood van Saul bleef David, toen hij terug was van zijn overwinning op de Amalekieten, twee dagen in Sikelag.
1Now it came to pass, after Saul was dead, that David returned from the slaughter of the Amalecites, and abode two days in Siceleg.
2Daar verscheen op de derde dag iemand uit de legerplaats van Saul: zijn kleren waren gescheurd en aarde lag op zijn hoofd. Bij David aangekomen, viel hij ter aarde en boog zich tot op de grond voor hem neer.
2And on the third day, there appeared a man who came out of Saul’s camp, with his garments rent, and dust strewed on his head: and when he came to David, he fell upon his face, and adored.
3David vroeg hem: Waar komt ge vandaan? Hij antwoordde: Ik ben uit de legerplaats van Saul ontsnapt.
3And David said to him: From whence comest thou? And he said to him: I am fled out of the camp of Israel.
4David zeide tot hem: Vertel me toch, wat er gebeurd is! Hij sprak: Het volk is gevlucht uit de strijd, velen van het volk zijn gesneuveld, en ook Saul en zijn zoon Jonatan zijn dood!
4And David said unto him: What is the matter that is come to pass? tell me. He said: The people are fled from the battle, and many of the people are fallen and dead: moreover Saul and Jonathan his son are slain.
5Toen vroeg David den jongen man, die met die tijding kwam: Hoe weet ge, dat Saul en zijn zoon Jonatan dood zijn?
5And David said to the young man that told him: How knowest thou that Saul and Jonathan his son, are dead?
6En de jonge man, die met die tijding kwam, antwoordde: Heel toevallig was ik op het gebergte Gilbóa. Daar stond Saul, leunend op zijn lans; en de wagens en de ruiters waren al vlak bij hem.
6And the young man that told him, said: I came by chance upon mount Gelboe, and Saul leaned upon his spear: and the chariots and horsemen drew nigh unto him,
7Hij keek om, en toen hij mij bemerkte, riep hij mij. Ik antwoordde: Hier ben ik.
7And looking behind him, and seeing me, he called me. And I answered, Here am I.
8Hij vroeg me: Wie zijt ge? Ik antwoordde hem: Ik ben een Amalekiet.
8And he said to me: Who art thou? And I said to him: I am an Amalecite.
9Hij zeide tot mij: Kom hier, en steek me dood; want een kramp heeft mij beet, ofschoon ik al mijn krachten nog heb.
9And he said to me: Stand over me, and kill me: for anguish is come upon me, and as yet my whole life is in me.
10Ik ging naar hem toe, en daar ik wist, dat hij zijn val niet zou overleven, stak ik hem dood. Ik nam de diadeem, die op zijn hoofd stond, en de armband, die aan zijn arm hing; ik heb ze meegebracht voor mijn heer.
10So standing over him, I killed him: for I knew that he could not live after the fall: and I took the diadem that was on his head, and the bracelet that was on his arm and have brought them hither to thee, my lord.
11Toen greep David zijn klederen en scheurde ze vaneen; en heel zijn gevolg deed eveneens.
11Then David took hold of his garments and rent them, and likewise all the men that were with him.
12Wenend en vastend rouwden zij tot de avond over Saul en zijn zoon Jonatan, over het volk van Jahweh en het huis Israël, omdat zij door het zwaard waren gevallen.
12And they mourned, and wept, and fasted until evening for Saul, and for Jonathan his son, and for the people of the Lord, and for the house of Israel, because they were fallen by the sword.
13Daarop sprak David tot den jongen man, die met die tijding kwam: Wat is uw afkomst? Hij antwoordde: Ik ben de zoon van een vreemdeling uit Amalek.
13And David said to the young man that told him: Whence art thou? He answered: I am the son of a stranger of Amalee.
14David zeide tot hem: Hoe is het dan mogelijk, dat ge er niet voor zijt teruggeschrokken, uw hand uit te steken en den gezalfde van Jahweh te doden!
14David said to him: Why didst thou not fear to put out thy hand to kill the Lord’s anointed?
15Daarop gaf David aan een van de soldaten het bevel: Kom hier, sla hem neer! Deze sloeg hem dood,
15And David calling one of his servants, said: Go near and fall upon him. And he struck him so that he died.
16terwijl David tot hem sprak: Uw bloed kome neer op uw eigen hoofd; ge hebt uw eigen oordeel geveld met te zeggen: Ik heb den gezalfde van Jahweh gedood!
16And David said to him: Thy blood be upon thy own head: for thy own mouth hath spoken against thee, saying: I have slain the Lord’s anointed.
17Toen dichtte David op Saul en op zijn zoon Jonatan een klaaglied,
17And David made this kind of lamentation over Saul, and over Jonathan his son.
18dat de Judeërs op zijn bevel moesten leren. Het staat in het boek van den Rechtvaardige. Hij sprak:
18(Also he commanded that they should teach the children of Juda the use of the bow, as it is written in the book of the just.) And he said: Consider, O Israel, for them that are dead, wounded on thy high places.
19Op uw hoogten, o Israël, liggen de besten gesneuveld; Ach, hoe zijn nu de helden gevallen!
19The illustrious of Israel are slain upon thy mountains: how are the valiant fallen?
20Bericht het niet in Gat, Verkondigt het niet in Asjkelons straten; Anders juichen de dochters der Filistijnen, Jubelen de dochters der onbesnedenen!
20Tell it not in Geth, publish it not in the streets of Ascalon: lest the daughters of the Philistines rejoice, lest the daughters of the uncircumcised triumph,
21Geen dauw en geen regen, bergen van Gilbóa, Dale op uw velden, o bergen des doods; Want daar ligt het schild der helden verroest, Het schild van Saul niet met olie gewreven!
21Ye mountains of Gelboe, let neither dew, nor rain come upon you, neither be they fields of firstfruits: for there was cast away the shield of the valiant, the shield of Saul as though he had not been anointed with oil.
22Zonder het bloed van verslagenen En het vet van helden Week de boog van Jonatan nimmer terug, Keerde het zwaard van Saul niet ledig weer.
22From the blood of the slain, from the fat of the valiant, the arrow of Jonathan never turned back, and the sword of Saul did not return empty.
23Saul en Jonatan waren bemind en geliefd, In leven en dood niet gescheiden! Ze waren sneller dan adelaars, Sterker dan leeuwen.
23Saul and Jonathan, lovely, and comely in their life, even in death they were not divided: they were swifter than eagles, stronger than lions.
24Dochters van Israël, weent over Saul, Die u hulde in karmozijn en batist, En op uw gewaad gouden sieraden hechtte:
24Ye daughters of Israel, weep over Saul, who clothed you with scarlet in delights, who gave ornaments of gold for your attire.
25Hoe zijn de helden gevallen in de strijd? Ach Jonatan, ik ben zeer bedroefd om uw dood,
25How are the valiant fallen in battle? Jonathan slain in the high places?
26Om u zo verslagen, Jonatan, mijn broeder! Gij waart mij zo dierbaar, Uw liefde telde ik meer dan de liefde van vrouwen.
26I grieve for thee, my brother Jonathan: exceeding beautiful, and amiable to me above the love of women. As the mother loveth her only son, so did I love thee.
27Ach, hoe zijn nu de helden gevallen, Hoe gingen de wapenen verloren!
27How are the valiant fallen, and the weapons of war perished?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.