Baruch 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Dit is de inhoud van het boek, dat Baruk, de zoon van Neri-ja, zoon van Machseja, zoon van Sedekias, zoon van Chasadja, zoon van Chilki-ja, in Babel schreef,
1And these are the words of the book, which Baruch the son of Nerias, the son of Maasias, the son of Sedecias, the son of Sedei, the son of Helcias, wrote in Babylonia.
2in het vijfde jaar, op de zevende dag van dezelfde maand, waarop de Chaldeën Jerusalem hadden ingenomen en in brand gestoken.
2In the fifth year, in the seventh day of the month, at the time that the Chaldeans took Jerusalem, and burnt it with fire.
3Toen Baruk de inhoud van dit boek had voorgelezen ten aanhoren van Jekonias, den zoon van Jojakim en koning van Juda, en van al het volk, dat voor de lezing was samengekomen:
3And Baruch read the words of this book in the hearing of Jechonias the son of Joakim king of Juda, and in the hearing of all the people that came to hear the book.
4ten aanhoren van de edelen en prinsen, van de oudsten en heel het volk, klein en groot: ten aanhoren van allen, die in Babel bij de rivier Soed waren gevestigd,
4And in the hearing of the nobles, the sons of the kings, and in the hearing of the ancients, and in the hearing of the people, from the least even to the greatest of them that dwelt in Babylonia, by the river Sedi.
5weenden zij, en vastten en baden tot den Heer.
5And when they heard it they wept, and fasted, and prayed before the Lord.
6Zij zamelden geld in, zoveel ieder kon missen,
6And they made a collection of money, according to every man’s power.
7en zonden het naar Jerusalem aan den priester Jojakim, den zoon van Chilki-ja, zoon van Salom, en aan de andere priesters en heel de bevolking, die zich met hem in Jerusalem bevonden.
7And they sent it to Jerusulem to Joakim the priest, the son of Helcias, the son of Salom, and to the priests, and to all the people, that were found with him in Jerusalem:
8Zij gaven het Baruk mee, die reeds op de tiende van Siwan de vaten van het huis des Heren, die uit de tempel waren geroofd, in ontvangst had genomen, om ze naar het land van Juda terug te brengen. Het waren de zilveren vaten, die Sedekias, de zoon van Josias en koning van Juda, had laten vervaardigen,
8At the time when he received the vessels of the temple of the Lord, which had been taken away out of the temple, to return them into the land of Juda the tenth day of the month Sivan, the silver vessels, which Sedecias the son of Josias king of Juda had made,
9nadat Nabukodonosor, de koning van Babel, Jekonias met de aanvoerders, bankwerkers, edelen en het gewone volk uit Jerusalem had weggevoerd, en naar Babel had overgebracht.
9After that Nabuchodonosor the king of Babylon had carried away Jechonias, and the princes, and all the powerful men, and the people of the land from Jerusalem, and brought them bound to Babylon.
10Zij schreven: “Hierbij zenden wij u geld; koopt voor dit geld brandoffers, zoenoffers en wierook, en richt een spijsoffer aan, om het op te dragen op het altaar van den Heer, onzen God.
10And they said: Behold we have sent you money, buy with it holocausts, and frankincense, and make meat offerings, and offerings for sin at the altar of the Lord our God:
11Bidt ook voor het welzijn van Nabukodonosor, den koning van Babel, en van zijn zoon Baltassar, opdat hun dagen even lang mogen duren als die van de hemel boven de aarde;
11And pray ye for the life of Nabuchodonosor the king of Babylon, and for the life of Balthasar his son, that their days may be upon earth as the days of heaven:
12en opdat de Heer ons kracht moge schenken en onze ogen verlichten, om in de schaduw van Nabukodonosor, den koning van Babel, en zijn zoon Baltassar te blijven leven, hun lange tijd dienstbaar te zijn, en genade in hun ogen te vinden.
12And that the Lord may give us strength, and enlighten our eyes, that we may live under the shadow of Nabuchodonosor the king of Babylon, and under the shadow of Balthasar his son, and may serve them many days, and may find favour in their sight.
13Bidt ook voor ons tot den Heer, onzen God; want wij hebben gezondigd tegen den Heer, onzen God, en de grimmige toorn des Heren is tot heden toe niet van ons afgewend.
13And pray ye for us to the Lord our God: for we have sinned against the Lord our God, and his wrath is not turned away from us even to this day.
14Bovendien moet gij dit boek, dat wij u ter lezing toezenden, op feestdagen en hoogtijden in het huis des Heren hardop voorlezen.”
14And read ye this book, which we have sent to you to be read in the temple of the Lord, on feasts, and proper days.
15De Heer, onze God, is rechtvaardig; maar wij moeten heden blozen van schaamte: wij, de mannen van Juda en de bewoners van Jerusalem,
15And you shall say: To the Lord our God belongeth justice, but to us confusion of our face: as it is come to pass at this day to all Juda, and to the inhabitants of Jerusalem,
16met onze koningen en aanvoerders, met onze priesters en profeten, evenals onze vaderen.
16To our kings, and to our princes, and to our priests, and to our prophets, and to our fathers.
17Want wij hebben gezondigd tegen den Heer:
17We have sinned before the Lord our God, and have not believed him, nor put our trust in him:
18wij bleven tegen Hem in verzet, en luisterden niet naar de stem van den Heer, onzen God, om naar de wetten des Heren te leven, die Hij ons had ge- geven.
18And we were not obedient to him, and we have not harkened to the voice of the Lord our God, to walk in his commandments, which he hath given us.
19Van de dag, dat de Heer onze vaders uit Egypteland heeft geleid, tot op de dag van vandaag, pleegden wij verzet tegen den Heer, onzen God, en waren wij lichtzinnig genoeg, om naar zijn stem niet te horen.
19From the day that he brought our fathers out of the land of Egypt, even to this day, we were disobedient to the Lord our God: and going astray we turned away from hearing his voice.
20Zo moest ons de ramp en vloek wel treffen, die de Heer door Moses, zijn dienaar, had laten verkonden op de dag, dat Hij onze vaders uit Egypteland leidde, om ons een land te geven, dat druipt van melk en honing, zoals het heden nog doet.
20And many evils have cleaved to us, and the curses which the Lord foretold by Moses his servant: who brought our fathers out of the land of Egypt, to give us a land flowing with milk and honey, as at this day.
21Neen, wij luisterden niet naar de stem van den Heer, onzen God, ondanks alle vermaningen der profeten, die Hij ons heeft gezonden.
21And we have not hearkened to the voice of the Lord our God according to all the words of the prophets whom he sent to us:
22Wij bleven allen de lusten volgen van ons verdorven hart, om vreemde goden te dienen, en kwaad te doen in de ogen des Heren.
22And we have gone away every man after the inclinations of his own wicked heart, to serve strange gods, and to do evil in the sight of the Lord our God.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.