Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Toen Demétrius vernomen had, dat Nikánor en zijn leger in de strijd waren gevallen, zond hij Bakchides en Alkimus voor de tweede maal naar Judea, en wel aan het hoofd van de rechtervleugel.
1In the mean time when Demetrius heard that Nicanor and his army were fallen in battle, he sent again Bacchides and Alcimus into Judea; and the right wing of his army with them.
2Zij sloegen de weg in naar Galilea, belegerden Massalot in het gebied van Arbéla, veroverden het en vermoordden er velen.
2And they took the road that leadeth to Galgal, and they camped in Masaloth, which is in Arabella: and they made themselves masters of it, and slew many people.
3Daarop sloegen zij in de eerste maand van het jaar 152 het beleg om Jerusalem.
3In the first month of the hundred and fifty-second year they brought the army to Jerusalem:
4Zij braken echter weer op, en trokken met twintigduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters naar Beréa,
4And they arose, and went to Berea with twenty thousand men, and two thousand horsemen.
5omdat Judas met drieduizend uitstekende soldaten in Elasa lag.
5Now Judas had pitched his tents in Laisa, and three thousand chosen men with him:
6Maar toen de Joden nu de geweldige overmacht zagen, begonnen er velen bang te worden, en vluchtten weg uit het legerkamp, zodat er nog slechts achthonderd man van hen overbleven.
6And they saw the multitude of the army that they were many, and they were seized with great fear: and many withdrew themselves out of the camp, and there remained of them no more than eight hundred men.
7Zo moest Judas het aanzien, hoe zijn leger uiteen viel op het ogenblik, dat hij gedwongen werd, slag te leveren. Hij was zeer terneergeslagen, omdat hij geen tijd had, hen weer te verzamelen.
7And Judas saw that his army slipped away, and the battle pressed upon him, and his heart was cast down: because he had not time to gather them together, and he was discouraged.
8En in zijn vertwijfeling riep hij de overgeblevenen toe: Vooruit; trekken wij tegen onze vijanden op; misschien zijn we hun toch nog de baas!
8Then he said to them that remained: Let us arise, and go against our enemies, if we may be able to fight against them.
9Men poogde nog, hem hiervan af te brengen, en zeide: Dat kunnen we niet! We moeten nu ons eigen leven maar redden. Later kunnen we dan met onze broeders terugkeren, en tegen hen vechten; nu zijn wij met veel te weinig man.
9But they dissuaded him, saying: We shall not be able, but let us save our lives now, and return to our brethren, and then we will fight against them: for we are but few.
10Maar Judas sprak: Dàt zal nooit gebeuren; nooit gaan we voor hen op de vlucht! Wanneer ons uur is gekomen, laat ons dan moedig voor onze broeders sterven, en geen vlek op onze roem laten kleven.
10Then Judas said: God forbid we should do this thing, and flee away from them: but if our time be come, let us die manfully for our brethren, and let us not stain our glory.
11Daarop trokken de troepen de legerplaats uit. De Syriërs stelden zich tegen hen op; hun ruiterij was in tweeën gesplitst, en aan de spits van het leger trokken de slingeraars en boogschutters met alle dappere voorvechters.
11And the army removed out of the camp, and they stood over against them: and the horsemen were divided into two troops, and the slingers, and the archers went before the army, and they that were in the front were all men of valour.
12Bakchides bevond zich op de rechtervleugel. Van twee kanten rukten nu de slaglinies vooruit onder het schetteren van de trompetten.
12And Bacchides was in the right wing, and the legion drew near on two sides, and they sounded the trumpets:
13Ook Judas' mannen bliezen op de trompetten, zodat de aarde dreunde van het lawaai der legers. En van de morgen tot de avond woedde de slag.
13And they also were on Judas’ side, even they also cried out, and the earth shook at the noise of the armies: and the battle was fought from morning even unto the evening.
14Zodra Judas bemerkte, dat Bakchides zich met de kern van het leger op de rechtervleugel bevond, schaarden alle dappere mannen zich om hem heen,
14And Judas perceived that the stronger part of the army of Bacchides was on the right side, and all the stout of heart came together with him:
15verpletterden de rechtervleugel en zetten ze achterna tot het gebergte van Azor.
15And the right wing was discomfited by them, and he pursued them even to the mount Azotus.
16Maar toen de soldaten op de linkervleugel zagen, dat de rechter verslagen was, zwenkten zij om, en gingen snel achter Judas en de zijnen aan.
16And they that were in the left wing saw that the right wing was discomfited, and they followed after Judas, and them that were with him, at their back:
17Nu ontspon zich een verschrikkelijk gevecht, en aan beide zijden vielen ze bij hopen.
17And the battle was hard fought, and there fell many wounded of the one side and of the other.
18Ook Judas viel; en nu sloeg de rest op de vlucht.
18And Judas was slain, and the rest fled away.
19Maar Jonatan en Sjimon wisten hun broer Judas nog mee te nemen, en begroeven hem in het graf van zijn vaderen te Modin.
19And Jonathan and Simon took Judas their brother, and buried him in the sepulchre of their fathers in the city of Modin.
20Daar beweenden ze hem, en heel Israël hield voor hem een plechtige dodenklacht. Dagen lang bleven ze treuren en roepen:
20And all the people of Israel bewailed him with great lamentation, and they mourned for him many days.
21Hoe is de held gevallen, De redder van Israël!
21And said: How is the mighty man fallen, that saved the people of Israel!
22De verdere geschiedenis van Judas, van zijn oorlogen en de heldendaden, die hij verrichtte, en van zijn grootheid, is niet verder beschreven. Dat zou te veel zijn geweest.
22But the rest of the words of the wars of Judas, and of the noble acts that he did, and of his greatness, are not written: for they were very many.
23Na de dood van Judas doken in heel het gebied van Israël de afvalligen weer op, terwijl ook alle misdadigers het hoofd opstaken.
23And it came to pass after the death of Judas, that the wicked began to put forth their heads in all the confines of Israel, and all the workers of iniquity rose up.
24En omdat met hen nu ook het land afviel van God, begon er in die tijd een ontzettende hongersnood te woeden.
24In those days there was a very great famine, and they and all their country yielded to Bacchides.
25Bakchides deed een keuze uit die goddeloze mannen, en stelde hen aan, om het land te besturen.
25And Bacchides chose the wicked men, and made them lords of the country:
26Dezen gingen op zoek naar de vrienden van Judas, en brachten ze voor Bakchides, die hen bestrafte en hoonde.
26And they sought out, and made diligent search after the friends of Judas, and brought them to Bacchides, and he took vengeance of them, and abused them.
27Zo brak er een heftige vervolging in Israël uit, zoals er sinds het optreden van den laatsten profeet niet meer was geweest.
27And there was a great tribulation in Israel, such as was not since the day, that there was no prophet seen in Israel.
28Daarom sloten alle aanhangers van Juda zich aaneen, en zeiden tot Jonatan:
28And all the friends of Judas came together, and said to Jonathan:
29Sinds de dood van uw broer Judas is er niemand, die evenals hij te velde kan trekken tegen de vijanden, tegen Bakchides en allen, die ons volk haten.
29Since thy brother Judas died, there is not a man like him to go forth against our enemies, Bacchides, and them that are the enemies of our nation.
30Daarom kiezen wij heden u, om in zijn plaats ons opperhoofd en onze aanvoerder te zijn en onze oorlog uit te vechten.
30Now therefore we have chosen thee this day to be our prince, and captain in his stead to fight our battles.
31Zo nam Jonatan toen de leiding op zich, en trad in de plaats van zijn broer Judas.
31So Jonathan took upon him the government at that time, and rose up in the place of Judas his brother.
32Toen Bakchides hiervan kennis kreeg, stelde hij alle pogingen in het werk, om hem te doden.
32And Bacchides had knowledge of it, and sought to kill him.
33Maar zodra Jonatan en zijn broer Sjimon met heel zijn aanhang dit vernamen, vluchtten zij naar de woestijn van Tekóa en legerden zich bij de waterput Asfar.
33And Jonathan and Simon his brother, knew it, and all that were with them: and they fled into the desert of Thecua, and they pitched by the water of the lake of Asphar,
no verse 34 in this text
34And Bacchides understood it, and he came himself with all his army over the Jordan on the sabbath day.
35Hij liet echter zijn broer Johannes aan het hoofd van de tros wegtrekken, om de Nabateërs, zijn vrienden, te verzoeken, hun omvangrijke bagage bij hen in veiligheid te mogen brengen.
35And Jonathan sent his brother a captain of the people, to desire the Nabutheans his friends, that they would lend them their equipage, which was copious.
36Maar de zonen van Jámbri rukten uit Medeba op, namen Johannes met heel zijn tros gevangen en trokken er mee weg.
36And the children of Jambri came forth out of Madaba, and took John, and all that he had, and went away with them.
37Enige tijd later berichtte men Jonatan en zijn broer Sjimon, dat de zonen van Jámbri een grote bruiloft zouden vieren, en dat zij de bruid, de dochter van een vooraanstaanden Kanaäniet, met groot gevolg van Nadabat zouden komen afhalen.
37After this it was told Jonathan, and Simon his brother, that the children of Jambri made a great marriage, and were bringing the bride out of Madaba, the daughter of one of the great princes of Chanaan, with great pomp.
38Toen dachten zij aan het bloed van hun broer Johannes, trokken op en verscholen zich in een bergspleet.
38And the remembered the blood of John their brother: and they went up, and hid themselves under the covert of the mountain.
39Zij bleven daar op de uitkijk liggen, en zie: daar naderde een grote rumoerige stoet; daar kwam de bruidegom aan met zijn vrienden en broers, en ging rijk uitgedost de anderen tegemoet met pauken en andere muziekinstrumenten.
39And they lifted up their eyes, and saw: and behold a tumult, and great preparation: and the bridegroom came forth, and his friends, and his brethren to meet them with timbrels, and musical instruments, and many weapons.
40Nu sprongen zij uit hun schuilplaats op hen af, en sloegen hen neer; velen bleven zwaargewond liggen, terwijl de overigen naar de bergen vluchtten. Daarna maakten zij zich meester van al hun have en goed.
40And they rose up against them from the place where they lay in ambush, and slew them, and there fell many wounded, and the rest fled into the mountains, and they took all their spoils:
41De bruiloft was in droefheid veranderd, de tonen van hun muziek in gejammer!
41And the marriage was turned into mourning, and the noise of their musical instruments into lamentation.
42Zo wreekten zij het bloed van hun broer. Daarna trokken ze terug naar het moeras van de Jordaan.
42And they took revenge for the blood of their brother: and they returned to the bank of the Jordan.
43Op het bericht hiervan begaf Bakchides zich met een aanzienlijke legermacht naar de oevers van de Jordaan, juist op een sabbat.
43And Bacchides heard it, and he came on the sabbath day even to the bank of the Jordan with a great power.
44Toch sprak Jonatan tot zijn mannen: Op, we moeten vandaag voor ons leven vechten; want het ziet er heden slechter uit dan ooit.
44And Jonathan said to his company: Let us arise, and fight against our enemies: for it is not now as yesterday, and the day before.
45Ziet, van voren en van achteren bedreigt ons de strijd; links en rechts hebben we de Jordaan met zijn water, en de moerassen met struiken. Er is geen ontkomen meer aan!
45And behold the battle is before us, and the water of the Jordan on this side and on that side, and banks, and marshes, and woods: and there is no place for us to turn aside.
46Roept dus luid de Hemel aan, opdat gij uit de handen van onze vijanden moogt worden gered!
46Now therefore cry ye to heaven, that ye may be delivered from the hand of your enemies. And they joined battle.
47En de strijd brandde los; en reeds strekte Jonatan zijn hand uit, om Bakchides te treffen, toen deze door een achterwaartse beweging hem wist te ontwijken.
47And Jonathan stretched forth his hand to strike Bacchides, but he turned away from him backwards.
48Daarop sprongen Jonatan en zijn mannen in de Jordaan en zwommen naar de overzijde; maar de Syriërs durfden hen niet over de Jordaan achtervolgen.
48And Jonathan, and they that were with him leaped into the Jordan, and swam over the Jordan to them:
49Op die dag vielen er aan de kant van Bakchides ongeveer duizend man.
49And there fell of Bacchides’ side that day a thousand man: and they returned to Jerusalem,
50Daarop keerde deze naar Jerusalem terug. Nu begon hij in Judea versterkte steden te bouwen: de vestingen namelijk te Jericho, Emmaus, Bet-Choron, Betel, Timnata, Faraton en Tefon, alle voorzien van hoge muren, poorten en grendels;
50And they built strong cities in Judea, the fortress that was in Jericho, and in Ammaus, and in Bethoron, and in Bethel, and Thamnata, and Phara, and Thopo, with high walls, and gates, and bars.
51en in elk daarvan legde hij een bezetting, om Israël te bestoken.
51And he placed garrisons in them, that they might wage war against Israel:
52Daarenboven versterkte hij de stad Bet-Soer, Gézer en de burcht, die hij van troepen en proviand voorzag.
52And he fortified the city of Bethsura, and Gazara, and the castle, and set garrisons in them, and provisions of victuals:
53Vervolgens liet hij de zonen van de voornaamste inwoners als gijzelaars pakken, en in de burcht van Jerusalem in verzekerde bewaring houden.
53And he took the sons of the chief men of the country for hostages, and put them in the castle in Jerusalem in custody.
54In de tweede maand van het jaar 153 gaf Alkimus bevel, de muur van de binnenste tempelvoorhof neer te halen, en daardoor het werk der profeten te vernielen. En juist was men met het slopingswerk begonnen,
54Now in the year one hundred and fifty-three, the second month, Alcimus commanded the walls of the inner court of the sanctuary to be thrown down, and the works of the prophets to be destroyed: and he began to be destroyed: and he began to destroy.
55toen Alkimus door een beroerte werd getroffen, zodat zijn onderneming mislukte. Door verlamming werd hem het spreken belet, zodat hij geen woord meer kon zeggen, of beschikkingen treffen over zijn huis.
55At that time Alcimus was struck: and his works were hindered, and his mouth was stopped, and he was taken with a palsy, so that he could no more speak a word, nor give order concerning his house.
56Zo vond Alkimus toen onder hevige pijnen de dood.
56And Alcimus died at that time in great torment.
57En toen Bakchides vernam, dat Alkimus was gestorven, keerde hij naar den koning terug. Het land van Juda genoot nu twee jaren rust.
57And Bacchides saw that Alcimus was dead: and he returned to the king, and the land was quiet for two years.
58Daarna echter smeedden alle afvalligen het volgende plan: Jonatan en zijn aanhang wonen thans rustig en voelen zich onbezorgd, zoals ge ziet. Wij moeten Bakchides laten komen, om hen allen in één nacht gevangen te nemen.
58And all the wicked held a council, saying: Behold Jonathan, and they that are with him, dwell at ease, and without fear: now therefore let us bring Bacchides hither, and he shall take them all in one night.
59Zij gingen dus naar hem toe, en legden hem hun plannen voor.
59So they went, and gave him counsel.
60Toen rukte hij met een groot leger binnen, en zond in het geheim brieven aan al zijn bondgenoten in Judea, om Jonatan en zijn aanhang gevangen te nemen. Zij slaagden er echter niet in, omdat hun plan bekend was geworden.
60And he arose to come with a great army: and he sent secretly letters to his adherents that were in Judea, to seize upon Jonathan, and them that were with him: but they could not, for their design was known to them.
61Maar de Joden namen ongeveer vijftig landgenoten, die het kwaad hadden aangestookt, gevangen en doodden hen.
61And he apprehended of the men of the country, that were the principal authors of the mischief, fifty men, and slew them.
62Daarop nam Jonatan met Sjimon en hun aanhang de wijk naar Bet-Bassi in de woestijn; wat er verwoest was bouwde hij weer op, en versterkte de stad.
62And Jonathan, and Simon, and they that were with him retired into Bethbessen, which is in the desert: and he repaired the breaches thereof, and they fortified it.
63Toen Bakchides dit vernam, verzamelde hij zijn gehele legermacht, en riep ook zijn aanhang in Judea onder de wapenen.
63And when Bacchides knew it, he gathered together all his multitude: and sent word to them that were of Judea.
64Hij trok op, sloeg het beleg om Bet-Bassi en bestormde het lange tijd, waarbij hij gebruik maakte van belegeringswerktuigen.
64And he came, and camped above Bethbessen, and fought against it many days, and made engines.
65Maar Jonatan liet zijn broer Sjimon in de stad achter, en doorkruiste met een klein troepje het land.
65But Jonathan left his brother Simon in the city, and went forth into the country: and came with a number of men.
66Hij versloeg Odomera met diens broeders, en de zonen van Fasiron in hun kampementen. Door dit aanvankelijk succes nam zijn leger in aantal toe.
66And struck Odares, and his brethren, and the children of Phaseron in their tents, and he began to slay, and to increase in forces.
67Intussen had Sjimon met zijn mannen een uitval uit de stad gedaan, en de belegeringswerktuigen in brand gestoken.
67But Simon and they that were with him, sallied out of the city, and burnt the engines.
68Nu vielen zij Bakchides aan, en hij werd door hen verslagen. In zijn ergernis over de mislukking van zijn beraamde veldtocht,
68And they fought against Bacchides, and he was discomfited by them: and they afflicted him exceedingly, for his counsel, and his enterprise was in vain.
69werd hij woedend op de afvalligen, die hem hadden aangeraden, het land binnen te rukken, en doodde velen van hen. En hij besloot, naar zijn land terug te trekken.
69And he was angry with the wicked men that had given him counsel to come into their country, and he slew many of them: and he purposed to return with the rest into their country.
70Toen Jonatan dit hoorde, zond hij gezanten naar hem toe, om vrede met hem te sluiten en uitlevering der gevangenen te verkrijgen.
70And Jonathan had knowledge of it, and he sent ambassadors to him to make peace with him, and to restore to him the prisoners.
71Bakchides stemde toe, willigde zijn voorstel in, en gaf hem de verzekering onder ede, dat hij hem zijn leven lang geen kwaad meer zou doen.
71And he accepted it willingly, and did according to his words, and swore that the would do him no harm all the days of his life.
72Ook gaf hij hem de krijgsgevangenen terug, die hij vroeger uit het land Juda had weggevoerd. Daarop keerde hij terug naar zijn land, en betrad nooit meer hun gebied.
72And he restored to him the prisoners which he before had taken out of the land of Juda: and he returned and went away into his own country, and he came no more into their borders.
73Nu rustte het zwaard in Israël. Jonatan vestigde zich in Mikmas; hij begon zijn volk te besturen, en de goddelozen uit Israël te verdrijven.
73So the sword ceased from Israel: and Jonathan dwelt in Machmas, and Jonathan began there to judge the people, and he destroyed the wicked out of Israel.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.