1 Makkabeeen 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1In het jaar 160 begon Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, een veldtocht en veroverde Ptolemáis, waar hij als koning erkend werd en optrad.
1Now in the hundred and sixtieth year Alexander the son of Antiochus, surnamed the Illustrious, came up and took Ptolemais, and they received him, and he reigned there.
2Toen koning Demétrius dit hoorde, riep hij een ontzaggelijk leger bijeen, en trok tegen hem op.
2And king Demetrius heard of it, and gathered together an exceeding great army, and went forth against him to fight.
3Daarom zond Demétrius een brief aan Jonatan, waarin hij hem sprak van vrede en van zijn hoogachting.
3And Demetrius sent a letter to Jonathan with peaceable words, to magnify him.
4Want hij dacht bij zichzelf: Wij moeten zo snel mogelijk vrede met hem sluiten, eer hij tegen ons de partij van Alexander kiest.
4For he said: Let us first make a peace with him, before he make one with Alexander against us.
5Want hij zal zeker al het kwaad niet vergeten zijn, dat wij hem, zijn broeders en zijn volk hebben berokkend.
5For he will remember all the evils that we have done against him, and against his brother, and against his nation.
6Hij machtigde hem dus, er een leger op na te houden, oorlogsmateriaal aan te schaffen en zijn bondgenoot te worden. Ook gaf hij bevel, hem de gijzelaars in de burcht uit te leveren.
6And he gave him authority to gather together an army, and to make arms, and that he should be his confederate: and the hostages that were in the castle, he commanded to be delivered to him.
7Daarop ging Jonatan naar Jerusalem, en las de brief voor ten aanhoren van heel het volk en van de burchtbezetting.
7And Jonathan came to Jerusalem, and read the letters in the hearing of all the people, and of them that were in the castle.
8De burchtbezetting werd zeer bevreesd, toen zij hoorde, dat de koning aan Jonatan machtiging had gegeven, er een leger op na te houden;
8And they were struck with great fear, because they heard that the king had given him authority to gather together an army.
9toch leverde zij hem de gijzelaars uit, en deze gaf ze aan hun ouders terug.
9And the hostages were delivered to Jonathan, and he restored them to their parents.
10Nu vestigde Jonatan zich in Jerusalem, en begon de stad weer op te bouwen en te herstellen.
10And Jonathan dwelt in Jerusalem, and began to build, and to repair the city.
11Hij beval de werklieden, de muren weer op te bouwen, en de Sionsberg aan alle kanten met gehouwen stenen te versterken. Zo geschiedde het ook.
11And he ordered workmen to build the walls, and mount Sion round about with square stones for fortification: and so they did.
12Toen vluchtten de vreemdelingen weg, die zich nog in de vestingen bevonden, welke door Bakchides waren gebouwd;
12And the strangers that were in the strong holds, which Bacchides had built, fled away.
13iedereen verliet zijn woonplaats, en trok naar zijn eigen land terug.
13And every man left his place, and departed into his own country:
14Alleen in Bet-Soer bleven enigen achter, die van wet en gebod waren afgevallen, omdat ze daar een veilige schuilplaats hadden gevonden.
14Only in Bethsura there remained some of them, that had forsaken the law, and the commandments of God: for this was a place of refuge for them.
15Toen koning Alexander hoorde, welke beloften Demétrius aan Jonatan had gedaan, en toen men hem vertelde van de oorlogen en heldendaden, die deze en zijn broeders hadden verricht en van de moeilijkheden, die zij hadden doorstaan,
15And king Alexander heard of the promises that Demetrius had made Jonathan: and they told him of the battles, and the worthy acts that he, and his brethren had done, and the labours that they had endured.
16zeide hij bij zichzelf: Zou er wel iemand te vinden zijn, zoals hij? Wij moeten hem tot onzen vriend en bondgenoot zien te maken.
16And he said: Shall we find such another man? now therefore we will make him our friend and our confederate.
17Hij schreef derhalve een brief en zond hem die toe. De inhoud luidde als volgt:
17So he wrote a letter, and sent it to him according to these words, saying:
18Koning Alexander aan zijn broeder Jonatan: heil!
18King Alexander to his brother Jonathan, greeting.
19Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig en invloedrijk man, en onze vriendschap waardig zijt.
19We have heard of thee, that thou art a man of great power, and fit to be our friend:
20Daarom stellen wij u bij deze aan tot hogepriester van uw volk, en bepalen, dat uw titel zal zijn: ”Vriend des konings”. (Ook zond hij hem een purperen kleed en een gouden kroon). Kies dus onze partij, en houd vast aan onze vriendschap,
20Now therefore we make thee this day high priest of thy nation, and that thou be called the king’s friend, (and he sent him a purple robe, and a crown of gold,) and that thou be of one mind with us in our affairs, and keep friendship with us.
21Daarom bekleedde Jonatan op het loofhuttenfeest in de zevende maand van het jaar 160 zich met het heilig gewaad. Ook bracht hij een leger op de been, en schafte veel oorlogsmateriaal aan.
21Then Jonathan put on the holy vestment in the seventh month, in the year one hundred and threescore, at the feast day of the tabernacles: and he gathered together an army, and made a great number of arms.
22Toen Demétrius dit alles vernam, zeide hij in diepe verslagenheid:
22And Demetrius heard these words, and was exceeding sorry, and said:
23Hoe konden wij het zo ver laten komen, dat Alexander ons te vlug is geweest, en de vriendschap en de steun der Joden heeft verworven?
23What is this that we have done, that Alexander hath prevented us to gain the friendship of the Jews to strengthen himself?
24Ook ik zal een afdoend schrijven tot hem richten met toezegging van waardigheden en geschenken, om mij van hun hulp te verzekeren.
24I also will write to them words of request, and offer dignities, and gifts: that they may be with me to aid me.
25Hij zond hun dus een brief van de volgende inhoud: Koning Demétrius aan het volk der Joden: heil!
25And he wrote to them in these words: King Demetrius to the nation of the Jews, greeting.
26Wij hebben met vreugde vernomen, dat gij de met ons gesloten verdragen zijt nagekomen, aan onze vriendschap hebt vastgehouden, en niet naar onze vijanden zijt overgelopen.
26Whereas you have kept covenant with us, and have continued in our friendship, and have not joined with our enemies, we have heard of it, and are glad.
27Wanneer gij dus ook in de toekomst in die trouw jegens ons blijft volharden, zullen wij u het goede vergelden, dat gij ons bewijst,
27Wherefore now continue still to keep fidelity towards us, and we will reward you with good things, for what you have done in our behalf.
28door u vrij te stellen van vele lasten en u geschenken te geven.
28And we will remit to you many charges, and will give you gifts.
29Hiermede onthef ik u, en stel ik alle Joden vrij van belasting, van accijns op zout en van de kroongelden.
29And now I free you, and all the Jews from tributes, and I release you from the customs of salt, and remit the crowns, and the thirds of the seed:
30Evenzo doe ik van nu af voor altijd afstand van het derde deel van de veldoogst en van de helft der boomvruchten, waarop ik rechtens beslag kan leggen; ik zal ze van nu af nimmer meer heffen van Juda en van de drie gewesten van Samaria, die daarbij zijn ingelijfd.
30And the half of the fruit of trees, which is my share, I leave to you from this day forward, so that it shall not be taken of the land of Juda, and of the three cities that are added thereto out of Samaria and Galilee, from this day forth and for ever:
31Jerusalem zelf met zijn gebied zal heilig zijn, en vrij van tienden en tollen.
31And let Jerusalem be holy and free, with the borders thereof: and let the tenths, and tributes be for itself.
32Ook doe ik afstand van de macht over de burcht in Jerusalem, en geef hem over aan den hogepriester, die hem met manschappen naar eigen keuze kan bezetten, om hem te bewaken.
32I yield up also the power of the castle that is in Jerusalem, and I give it to the high priest, to place therein such men as he shall choose to keep it.
33Aan alle Joden, die uit het land Juda naar welk deel ook van mijn rijk zijn verbannen, geef ik zonder enige losprijs de vrijheid; en onderweg moeten allen hen vrijstellen van tolgeld, ook van dat voor het vee.
33And every soul of the Jews that hath been carried captive from the land of Juda in all my kingdom, I set at liberty freely, that all be discharged from tributes even of their cattle.
34Verder zullen voor alle Joden in mijn rijk alle feesten: iedere sabbat en nieuwe maan, alle vastgestelde feestdagen, met de drie dagen, die aan zulk een feest voorafgaan en er op volgen, tolvrij zijn en onbelast;
34And I will that all the feasts, and the sabbaths, and the new moons, and the days appointed, and three days before the solemn day, and three days after the solemn day, be all days of immunity and freedom, for all the Jews that are in my kingdom:
35en niemand zal dan het recht hebben, een van hen aan te houden of lastig te vallen om welke zaak ook.
35And no man shall have power to do any thing against them, or to molest any of them, in any cause.
36Van hun kant zullen van de Joden ongeveer dertigduizend man in het leger van den koning worden ingelijfd. Maar aan hen zal dezelfde soldij worden uitgekeerd, als waarop alle koninklijke troepen recht hebben.
36And let there be enrolled in the king’s army to the number of thirty thousand of the Jews: and allowance shall be made them as is due to all the king’s forces, and certain of them shall be appointed to be in the fortresses of the great king:
37Een gedeelte van hen zal in de grote vestingen van den koning worden ondergebracht, en anderen weer zullen zich vertrouwensposten in het rijk zien toegewezen. Hun eigen mannen zullen hun aanvoerders en bevelhebbers zijn, en zij zullen mogen leven volgens hun wet, zoals de koning reeds voor het land Juda heeft vastgesteld.
37And some of them shall be set over the affairs of the kingdom, that are of trust, and let the governors be taken from among themselves, and let them walk in their own laws, as the king hath commanded in the land of Juda.
38De drie gewesten van Samaria, die bij Judea zijn getrokken, zullen als gebied van Judea worden beschouwd, zodat zij onder één leiding staan en geen ander gezag hebben te erkennen dan dat van den hogepriester.
38And the three cities that are added to Judea, out of the country of Samaria, let them be accounted with Judea: that they may be under one, and obey no other authority but that of the high priest:
39Ptolemáis met zijn gebied sta ik af als een geschenk voor de tempel te Jerusalem, om de onkosten van het heiligdom te bestrijden.
39Ptolemais, and the confines thereof, I give as a free gift to the holy places, that are in Jerusalem, for the necessary charges of the holy things.
40Bovendien zal ik jaarlijks uit de koninklijke schatkist vijftienduizend zilveren sikkels beschikbaar stellen, die verhaald moeten worden op die plaatsen, waar dit gevoegelijk gaat.
40And I give every year fifteen thousand sicles of silver out of the king’s accounts, of what belongs to me:
41Al het achterstallige geld, ook dat van de vorige jaren, dat de ambtenaren nog niet hebben afgedragen, moet van nu af aan worden afgegeven voor het onderhoud van de tempel.
41And all that is above, which they that were over the affairs the years before, had not paid, from this time they shall give it to the works of the house.
42Verder zullen de vijfduizend zilveren sikkels, die zij jaarlijks hieven op de tempelinkomsten, worden vrijgegeven, en ten goede komen aan de dienstdoende priesters.
42Moreover the five thousand sicles of silver which they received from the account of the holy places, every year, shall also belong to the priests that execute the ministry.
43Daarenboven zal iedereen, die zich aan de koninklijke rechten of waaraan ook heeft vergrepen, en gevlucht is naar de tempel van Jerusalem of ergens binnen het tempelgebied, onschendbaar zijn met al zijn have en goed, dat zich in mijn gebied bevindt.
43And whosoever shall flee into the temple that is in Jerusalem, and in all the borders thereof, being indebted to the king for any matter, let them be set at liberty, and all that they have in my kingdom, let them have it free.
44Ook zullen de kosten van het verbouwen en herstellen van de tempel uit de koninklijke schatkist worden bestreden.
44For the building also, or repairing the works of the holy places, the charges shall be given out of the king’s revenues:
45Evenzo zullen de kosten voor het optrekken en versterken van de muren rondom Jerusalem en voor de bouw van de muren in Judea door de koninklijke inkomsten worden gedekt.
45For the building also of the walls of Jerusalem, and the fortifying thereof round about, the charges shall be given out of the king’s account, as also for the building of the walls in Judea.
46Maar toen Jonatan en het volk deze voorstellen hoorden, vertrouwden zij ze niet; zij gingen er dus niet op in, omdat zij zich al te goed herinnerden, hoe groot onheil hij over Israël gebracht had, en hoezeer hij hen had verdrukt.
46Now when Jonathan, and the people heard these words, they gave no credit to them nor received them: because they remembered the great evil that he had done in Israel, for he had afflicted them exceedingly.
47Zij bleven het dus met Alexander houden, omdat hij hun het eerst vriendschap had aangeboden, en waren in het vervolg zijn bondgenoten.
47And their inclinations were towards Alexander, because he had been the chief promoter of peace in their regard, and him they always helped.
48Nu bracht koning Alexander een groot leger op de been, en stelde zich tegen Demétrius op.
48And king Alexander gathered together a great army, and moved his camp near to Demetrius.
49Beide koningen raakten slaags met elkander; het leger van Demétrius sloeg op de vlucht en Alexander achtervolgde hem.
49And the two kings joined battle, and the army of Demetrius fled away, and Alexander pursued after him, and pressed them close.
50Ofschoon hij hem reeds had overwonnen, zette hij toch de strijd hardnekkig voort tot zonsondergang, met het gevolg dat Demétrius nog diezelfde dag sneuvelde.
50And the battle was hard fought till the sun went down: and Demetrius was slain that day.
51Daarop zond Alexander een gezantschap naar Ptoleméus, den koning van Egypte, met de volgende boodschap:
51And Alexander sent ambassadors to Ptolemee king of Egypt, with words to this effect, saying:
52Nu ik weer in mijn rijk ben teruggekeerd, heb ik de troon van mijn vaderen bestegen en het bestuur in handen genomen. Demétrius heb ik overwonnen en ons land in bezit gekregen.
52Forasmuch as I am returned into my kingdom, and am set in the throne of my ancestors and have gotten the dominion, and have overthrown Demetrius, and possessed our country,
53Want wij zijn met hem slaags geraakt, hebben zijn leger verpletterd, en bezit genomen van zijn koningstroon.
53And have joined battle with him, and both he and his army have been destroyed by us, and we are placed in the throne of his kingdom:
54Laat ons dus vriendschap met elkander sluiten. Geef mij uw dochter tot vrouw, zodat ik uw schoonzoon word; ik zal u en haar geschenken aanbieden, die u waardig zijn.
54Now therefore let us make friendship one with another: and give me now thy daughter to wife, and I will be thy son in law, and I will give both thee and her gifts worthy of thee.
55Hierop antwoordde koning Ptoleméus als volgt: Gelukkig de dag, waarop gij in het land uwer vaderen zijt teruggekeerd en bezit hebt genomen van hun koningstroon.
55And king Ptolemee answered, saying: Happy is the day wherein thou didst return to the land of thy fathers, and sattest in the throne of their kingdom.
56Ik sta u toe, waarover gij hebt geschreven. Kom mij echter in Ptolemáis tegemoet; dan kunnen wij elkander leren kennen en ik zal u tot mijn schoonzoon maken, zoals ge gevraagd hebt.
56And now I will do to thee as thou hast written: but meet me at Ptolemais, that we may see one another, and I may give her to thee as thou hast said.
57Vergezeld van zijn dochter Kleópatra verliet dus Ptoleméus Egypte, en kwam in het jaar 162 te Ptolemáis aan,
57So Ptolemee went out of Egypt, with Cleopatra his daughter, and he came to Ptolemais in the hundred and sixty-second year.
58waar koning Alexander hem tegemoet was gereisd. Hij gaf hem zijn dochter Kleópatra tot vrouw, en vierde daar in Ptolemáis haar huwelijksfeest op koninklijke wijze met pracht en praal.
58And king Alexander met him, and he gave him his daughter Cleopatra: and he celebrated her marriage at Ptolemais, with great glory, after the manner of kings.
59Intussen had koning Alexander aan Jonatan een brief geschreven, om hem uit te nodigen bij hem te komen.
59And king Alexander wrote to Jonathan, that he should come and meet him.
60Rijk uitgedost vertrok deze dus naar Ptolemáis, en trof er de beide koningen aan. Hij bood hun en hun vertrouwelingen goud en zilver en allerlei andere geschenken aan, en wist daardoor hun gunst te winnen.
60And he went honourably to Ptolemais, and he met there the two kings, and he gave them much silver, and gold, and presents: and he found favour in their sight.
61Bij die gelegenheid staken kwaadwillige en afvallige Israëlieten de hoofden bijeen, en klaagden hem aan. Maar de koning sloeg er geen acht op.
61And some pestilent men of Israel, men of a wicked life, assembled themselves against him to accuse him: and the king gave no heed to them.
62Integendeel, de koning gaf bevel, dat men Jonatan zijn gewaad zou doen afleggen en hem in purper zou kleden; en zo geschiedde.
62And he commanded that Jonathan’s garments should be taken off, and that he should be clothed with purple: and they did so. And the king made him sit by himself.
63Daarop liet de koning hem naast zich plaats nemen, en beval zijn bevelhebbers: Gaat met hem midden door de stad, en maakt bekend, dat niemand het wage, hem van iets te beschuldigen, of hem om iets lastig te vallen.
63And he said to his princes: Go out with him into the midst of the city, and make proclamation, that no man complain against him of any matter, and that no man trouble him for any manner of cause.
64Toen dus de aanklagers bemerkten, hoe hij openlijk gehuldigd werd en hem in purper zagen gekleed, namen zij allen de vlucht.
64So when his accusers saw his glory proclaimed, and him clothed with purple, they all fled away.
65De koning bewees hem hoge eer, nam hem op onder zijn eerste vrienden, en stelde hem aan tot veldheer en stadhouder.
65And the king magnified him, and enrolled him amongst his chief friends, and made him governor and partaker of his dominion.
66Zo keerde Jonatan behouden en geheel voldaan naar Jerusalem terug.
66And Jonathan returned into Jerusalem with peace and joy.
67In het jaar 165 ging Demétrius, de zoon van Demétrius, van Kreta naar het land zijner vaderen.
67In the year one hundred and sixty-five Demetrius the son of Demetrius came from Crete into the land of his fathers.
68Toen koning Alexander dit vernam, keerde hij vol bekommering naar Antiochië terug.
68And king Alexander heard of it, and was much troubled, and returned to Antioch.
69Demétrius stelde Apollónius Táos tot stadhouder van Celesyrië aan. Deze bracht een groot leger op de been, en sloeg zijn kamp bij Jámnia op. En hij liet Jonatan, den hogepriester, weten:
69And king Demetrius made Apollonius his general, who was governor of Celesyria: and he gathered together a great army, and came to Jamnia: and he sent to Jonathan the high priest,
70Gij zijt de enige, die zich tegen ons verzet; door uw toedoen word ik uitgelachen en bespot. Waarom durft gij u tegen ons in de bergen verzetten?
70Saying: Thou alone standest against us, and I am laughed at, and reproached, because thou shewest thy power against us in the mountains.
71Wanneer gij werkelijk op uw troepen vertrouwt, kom dan omlaag, bij ons in de vlakte; dan kunnen wij ons met elkander meten. Aan mijn kant staat de legermacht der steden.
71Now therefore if thou trustest in thy forces, come down to us into the plain, and there let us try one another: for with me is the strength of war.
72Vraag maar na, dan zult ge wel horen, wie ik ben, en wie onze hulptroepen zijn. Men zal u zeggen, dat gij onmogelijk tegen ons stand kunt houden. Want uw vaderen werden tot twee maal toe door ons in hun eigen land verslagen:
72Ask, and learn who I am, and the rest that help me, who also say that your foot cannot stand before our face, for thy fathers have twice been put to flight in their own land:
73dus gij zult thans nog veel minder bestand zijn tegen zo'n geweldige ruiterij en troepenmacht, en zeker niet in de vlakte, waar steen noch kiezel, noch schuilplaats is.
73And now how wilt thou be able to abide the horsemen, and so great an army in the plain, where there is no stone, nor rock, nor place to flee to?
74Toen Jonatan deze grootspraak van Apollónius vernam, voelde hij zich diep gegriefd. Hij koos tienduizend soldaten uit en verliet Jerusalem; en zijn broer Sjimon sloot zich bij hem aan, om hem te helpen.
74Now when Jonathan heard the words of Apollonius, he was moved in his mind: and he chose ten thousand men, and went out of Jerusalem, and Simon his brother met him to help him.
75Zij sloegen hun kamp op voor Jóppe; maar de inwoners hielden de stad gesloten, omdat er in Jóppe een bezetting van Apollónius lag. Toen zij echter de stad bestormden,
75And they pitched their tents near Joppe, but they shut him out of the city: because a garrison of Apollonius was in Joppe, and he laid siege to it.
76deden de bang geworden inwoners hun open, en zo werd Jonatan heer en meester in Jóppe.
76And they that were in the city being affrighted, opened the gates to him: so Jonathan took Joppe.
77Zodra Apollónius dit hoorde, rukte hij met drieduizend ruiters en een grote legermacht uit, en trok in de richting van Asjdod, alsof hij daarheen wilde gaan. Maar vertrouwend op zijn sterke ruiterij, rukte hij eensklaps de vlakte in,
77And Apollonius heard of it, and he took three thousand horsemen, and a great army.
78terwijl Jonatan hem achterna trok naar Asjdod. Zo raakten de legers slaags.
78And he went to Azotus as one that was making a journey, and immediately he went forth into the plain: because he had a great number of horsemen, and he trusted in them. And Jonathan followed after him to Azotus, and they joined battle.
79Apollónius had achter de linie der Joden duizend ruiters gelaten, die verdekt waren opgesteld;
79And Apollonius left privately in the camp a thousand horsemen behind them.
80maar Jonatan wist, dat hem een hinderlaag was gelegd. Nu sloten de Syriërs zijn leger in, en beschoten zijn volk met pijlen van de morgen tot de avond.
80And Jonathan knew that there was an ambush behind him, and they surrounded his army, and cast darts at the people from morning till evening.
81Maar het volk hield stand, zoals Jonatan hun bevolen had. Toen echter de vijandelijke ruiterij uitgeput raakte,
81But the people stood still, as Jonathan had commanded them: and so their horses were fatigued.
82trok Sjimon zijn leger samen, en stormde op het voetvolk los. En daar de ruiterij machteloos was, werden zij door hem verslagen en gingen op de vlucht.
82Then Simon drew forth his army, and attacked the legion: for the horsemen were wearied: and they were discomfited by him, and fled.
83Ook de ruiterij werd in de vlakte uit elkaar gedreven. Zij vluchtten naar Asjdod, en gingen het huis van Dagon binnen, om in hun afgodstempel redding te zoeken.
83And they that were scattered about the plain, fled into Azotus, and went into Bethdagon their idol’s temple, there to save themselves.
84Maar Jonatan stak Asjdod en de omliggende plaatsen in brand, maakte zich meester van de oorlogsbuit, en gaf de tempel van Dagon met allen, die er een toevlucht hadden gezocht, aan de vlammen prijs.
84But Jonathan set fire to Azotus, and the cities that were around it, and took the spoils of them, and the temple of Dagon: and all them that were fled into it, he burnt with fire.
85Het getal van hen, die door het zwaard en het vuur waren omgekomen, bedroeg ongeveer achtduizend man.
85So they that were slain by the sword, with them that were burnt, were almost eight thousand men.
86Toen trok Jonatan verder, en legerde zich bij Asjkalon, waar de inwoners hem met hoge eerbewijzen ontvingen.
86And Jonathan removed his army from thence, and camped against Ascalon: and they went out of the city to meet him with great honour.
87Daarna keerde Jonatan met zijn mannen en een grote buit naar Jerusalem terug.
87And Jonathan returned into Jerusalem with his people, having many spoils.
88Toen koning Alexander dit hoorde, bewees hij Jonatan nog hoger eer. Hij zond hem een gouden gesp, waarmede anders slechts personen van koninklijken bloede werden begiftigd. Verder gaf hij hem Akkaron en het daarbij behorende gebied in bezit.
88And it came to pass: When Alexander the king heard these words, that he honoured Jonathan yet more.
no verse 89 in this text
89And he sent him a buckle of gold, as the custom is, to be given to such as are of the royal blood. And he gave him Accaron and all the borders thereof in possession.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.