1 Makkabeeen 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Intussen doorkruiste koning Antiochus de hoger gelegen gebieden. Daar hoorde hij, dat er in Elumáis van Perzië een stad moest liggen, die beroemd was om haar rijkdom, haar zilver en goud.
1Now king Antiochus was going through the higher countries, and he heard that the city of Elymais in Persia was greatly renowned, and abounding in silver and gold.
2Ook haar tempel moest buitengewoon rijk zijn, en in het bezit van gouden wapenrustingen, pantsers en zwaarden, die de macedonische koning Alexander, de zoon van Filippus en eerste koning der Grieken, daar had achtergelaten.
2And that there was in it a temple, exceeding rich: and coverings of gold, and breastplates, and shields which king Alexander, son of Philip the Macedonian that reigned first in Greece, had left there.
3Hij trok er derhalve op af, en trachtte de stad in te nemen en leeg te plunderen. Maar het gelukte hem niet, omdat zijn plan aan de inwoners verraden werd.
3Lo, he came, and sought to take the city and to pillage it: But he was not able, because the design was known to them that were in the city.
4Integendeel, zij rukten tegen hem op; hij moest de vlucht nemen, en trok hevig teleurgesteld vandaar naar Babylonië terug.
4And they rose up against him in battle, and he fled away from thence, and departed with great sadness, and returned towards Babylonia.
5Bovendien kwam men hem in Perzië berichten, dat de legers, die tegen het land Juda waren opgetrokken, de nederlaag hadden geleden;
5And whilst he was in Persia, there came one that told him, how the armies that were in the land of Juda were put to flight:
6dat ook Lúsias aan het hoofd van een machtig leger was opgerukt, maar eveneens door de Joden verslagen was; dat de Joden hun bewapening hadden versterkt door de grote buit, die zij op het verslagen leger hadden behaald;
6And that Lysias went with a very great power, and was put to flight before the face of the Jews, and that thy were grown strong by the armour, and power, and store of spoils, which they had gotten out of the camps which they had destroyed:
7dat zij de gruwel hadden neergehaald, die hij op het brandofferaltaar te Jerusalem had opgericht, en evenals vroeger het heiligdom aan alle kanten met hoge muren hadden omringd; en dat zij hetzelfde met zijn stad Bet-Soer hadden gedaan.
7And that they had thrown down the abomination which he had set up upon the altar in Jerusalem, and that they had compassed about the sanctuary with high walls as before, and Bethsura also his city.
8Bij het horen van deze berichten stond de koning verbijsterd en hevig geschokt. Hij moest zich te bed leggen en werd ziek van ergernis, omdat het hem niet was gegaan, zoals hij verwacht had.
8And it came to pass when the king heard these words, that he was struck with fear, and exceedingly moved: and he laid himself down upon his bed, and fell sick for grief, because it had not fallen out to him as he imagined.
9Zo lag hij daar vele dagen lang, telkens opnieuw door grote ergernis verbitterd. Toen hij dacht, dat hij sterven ging,
9And he remained there many days: for great grief came more and more and more upon him, and he made account that he should die.
10ontbood hij al zijn vertrouwelingen, en sprak tot hen: De slaap is van mijn ogen geweken, en van kommer is mij de moed ontzonken.
10And he called for all his friends, and said to them: Sleep is gone from my eyes, and I am fallen away, and my heart is cast down for anxiety.
11Ik denk bij mijzelf: In wat een ellende ben ik geraakt, en hoe groot is de rampspoed, waarin ik mij nu bevind: ik die heel mijn regering in aanzien stond en bemind was.
11And I said in my heart: Into how much tribulation am I come, and into what floods of sorrow, wherein now I am: I that was pleasant and beloved in my power!
12Nu eerst herinner ik mij al het leed, dat ik Jerusalem heb berokkend: hoe ik daar al de gouden en zilveren vaten heb weggeroofd, en soldaten heb afgezonden, om de bewoners van Juda eenvoudig te vermoorden.
12But now I remember the evils that I have done in Jerusalem, from whence also I took away all the spoils of gold, and of silver that were in it, and I sent to destroy the inhabitants of Juda without cause.
13Nu zie ik in, dat dit de reden is, waarom deze rampen mij treffen, en waarom ik van grote ellende in een vreemd land zal moeten sterven.
13I know therefore that for this cause these evils have found me: and behold I perish with great grief in a strange land.
14Daarna ontbood hij Filippus, een van zijn vertrouwelingen, en stelde hem aan over heel zijn rij;
14Then he called Philip, one of his friends, and he made him regent over all his kingdom.
15hij reikte hem de diadeem, zijn mantel en de zegelring over, daar hij zijn zoon Antiochus moest opvoeden en nog op het koningschap moest voorbereiden.
15And he gave him the crown, and his robe, and his ring, that he should go to Antiochus his son, and should bring him up for the kingdom.
16Zo stierf koning Antiochus daar in het jaar 6:149.
16So king Antiochus died there in the year one hundred and forty-nine.
17Maar toen Lúsias hoorde, dat de koning gestorven was, riep hij diens zoon Antiochus, dien hij in zijn jeugd had opgevoed, tot koning uit, en gaf hem de bijnaam Eúpator.
17And Lysias understood that the king was dead, and he set up Antiochus his son to reign, whom he brought up young: and he called his name Eupator.
18Ondertussen bleef de burchtbezetting rondom het heiligdom Israël lastig vallen; ze waren er op uit, hun op alle mogelijke manieren schade toe te brengen en de heidenen te beschermen.
18Now they that were in the castle, had shut up the Israelites round about the holy places: and they were continually seeking their hurt, and to strengthen the Gentiles.
19Daarom besloot Judas, hen uit de weg te ruimen, en riep hij het gehele volk op, om hen te gaan belegeren.
19And Judas purposed to destroy them: and he called together all the people, to besiege them.
20Ze sloten zich dus aaneen, en begonnen met de belegering in het jaar 150, waarbij gebruik werd gemaakt van schiettorens en belegeringswerktuigen.
20And they came together, and besieged them in the year one hundred and fifty, and they made battering slings and engines.
21Toch wisten enkelen door de omsingeling heen te breken. Bij hen sloten zich ook enige afvallige Israëlieten aan,
21And some of the besieged got out: and some wicked men of Israel joined themselves unto them.
22en samen reisden ze naar den koning, en zeiden: Hoe lang nog talmt gij, om recht te doen, en laat gij onze broeders ongewroken?
22And they went to the king, and said: How long dost thou delay to execute the judgment, and to revenge our brethren?
23Wij hebben uw vader graag gediend; we hielden ons aan zijn voorschriften en volgden zijn bevelen op.
23We determined to serve thy father and to do according to his orders, and obey his edicts:
24Maar hierom zijn onze volksgenoten ons vijandig geworden; meer nog: al de onzen, die hun in handen vielen, werden vermoord, en onze bezittingen hebben ze in beslag genomen.
24And for this they of our nation are alienated from us, and have slain as many of us as they could find, and have spoiled our inheritances.
25En niet alleen naar ons, maar ook naar alle grensgebieden hebben ze de hand uitgestoken.
25Neither have they put forth their hand against us only, but also against all our borders.
26En nu zijn ze weer begonnen, de burcht van Jerusalem te belegeren, om hem in te nemen, nadat ze de tempel en Bet-Soer al hebben versterkt.
26And behold they have approached this day to the castle of Jerusalem to take it, and they have fortified the stronghold of Bethsura:
27Wanneer gij niet onmiddellijk ingrijpt, zullen zij nog erger dingen doen, en zult gij hen niet kunnen tegenhouden.
27And unless thou speedily prevent them, they will do greater things than these, and thou shalt not be able to subdue them.
28Toen de koning dit hoorde, werd hij woedend, en riep al zijn rijksgroten op met de bevelhebbers van het voetvolk en van de ruiterij.
28Now when the king heard this, he was angry: and he called together all his friends, and the captains of his army, and them that were over the horsemen.
29Ook uit het buitenland en van de eilanden stroomden hem huurtroepen toe;
29There came also to him from other realms, and from the islands of the sea hired troops.
30het getal van zijn leger bedroeg honderdduizend man voetvolk, twintigduizend ruiters en twee en dertig olifanten, die voor de oorlog waren afgericht.
30And the number of his army was an hundred thousand footmen, and twenty thousand horsemen, and thirty-two elephants, trained to battle.
31Dezen trokken door Iduméa, en begonnen Bet-Soer te belegeren. Lang duurde de strijd, waarbij men gebruik maakte van belegeringswerktuigen; maar de Joden deden telkens een uitval, staken ze in brand en streden moedig.
31And they went through Idumea, and approached to Bethsura, and fought many days, and they made engines: but they sallied forth and burnt them with fire, and fought manfully.
32Daarom liet Judas de burcht maar liggen, trok het leger van den koning tegemoet, en sloeg bij Bet-Zekarja zijn legerplaats op.
32And Judas departed from the castle, and removed the camp to Bethzacharam, over against the king’s camp.
33Maar voor dag en dauw brak de koning op, en liet zijn leger in allerijl naar Bet-Zekarja trekken, waar de troepen onder het schetteren der trompetten zich in slagorde stelden.
33And the king rose before it was light, and made his troops march on fiercely towards the way of Bethzacharam: and the armies made themselves ready for the battle, and they sounded the trumpets:
34Ook maakte men de olifanten dronken met druivennat en moerbeiensap, om ze strijdlustig te maken.
34And they shewed the elephants the blood of grapes, and mulberries to provoke them to fight.
35Daarna deelde men de dieren bij de verschillende afdelingen in. Bij elken olifant stelde men duizend man op, die met schubbenpantsers waren bedekt en koperen helmen droegen. Bovendien werd bij elk dier nog een afdeling van vijfhonderd uitstekende ruiters gevoegd,
35And they distributed the beasts by the legions: and there stood by every elephant a thousand men in coats of mail, and with helmets of brass on their heads: and five hundred horsemen set in order were chosen for every beast.
36die het dier reeds enige tijd overal hadden vergezeld, en er overal mee waren opgetrokken, zonder zich er ooit van te scheiden.
36These before the time wheresoever the beast was, the were there: and withersoever it went, they went, and they departed not from it.
37Op elk dier bevond zich een sterke, goed beschutte houten toren, die er op een bijzondere wijze op was vastgemaakt, en waarin zich, behalve een Indiër als drijver, twee of drie mannen bevonden, die erop moesten vechten.
37And upon the beast, there were strong wooden towers, which covered every one of them: and engines upon them: and upon every one thirty-two valiant men, who fought from above; and an Indian to rule the beast.
38De rest van de ruiterij stelde hij op aan weerskanten van de beide legervleugels, met het doel, om verwarring te stichten en de legerkorpsen te dekken.
38And the rest of the horsemen he placed on this side and on that side at the two wings, with trumpets to stir up the army, and to hasten them forward that stood thick together in the legions thereof.
39Toen nu de zon op de gouden en koperen schilden schitterde, weerkaatste het licht op de bergen, die als vlammende fakkels begonnen te gloeien.
39Now when the sun shone upon the shields of gold, and of brass, the mountains glittered therewith, and they shone like lamps of fire.
40Een gedeelte van het koninklijk leger verspreidde zich over de bergen en een ander over de vlakte; zo rukten zij zelfverzekerd en in volmaakte orde vooruit.
40And part of the king’s army was distinguished by the high mountains, and the other part by the low places: and they marched on warily and orderly.
41En allen, die de dreun dezer drommen, de opmars dezer massa en het wapengekletter hoorden, begonnen te sidderen. Want het leger was buitengewoon groot en sterk.
41And all the inhabitants of the land were moved at the noise of their multitude, and the marching of the company, and the rattling of the armour, for the army was exceeding great and strong.
42Nu rukte Judas ook met zijn leger vooruit, en begon de strijd; en van het koninklijk leger sneuvelden zeshonderd man.
42And Judas and his army drew near for battle: and there fell of the king’s army six hundred men.
43Intussen had Elazar, ook Hauran genoemd, bemerkt, hoe een der dieren met de koninklijke pantserversiering was opgetuigd en boven de andere dieren uitstak. Hij besloot er uit, dat de koning zich daarop moest bevinden.
43And Eleazar the son of Saura saw one of the beasts harnessed with the king’s harness: and it was higher than the other beasts: and it seemed to him that the king was on it:
44Toen offerde hij zich op, om zijn volk te redden en zichzelf voor altijd beroemd te maken.
44And he exposed himself to deliver his people and to get himself an everlasting name.
45Moedig stormde hij er op af, midden door de slaglinie heen; links en rechts sloeg hij er neer, zodat men aan beide kanten voor hem moest wijken.
45And he ran up to it boldly in the midst of the legion, killing on the right hand, and on the left, and they fell by him on this side and that side.
46Nu kroop hij onder den olifant, doorstak hem van onderen, en doodde hem. Het dier zakte bovenop hem in elkaar, en hij vond hier de dood.
46And he went between the feet of the elephant, and put himself under it: and slew it, and it fell to the ground upon him, and he died there.
47Toen zij nu echter de kracht van het koninklijk leger en de druk van de troepen gewaar werden, weken ze voor hen terug.
47Then they seeing the strength of the king and the fierceness of his army, turned away from them.
48Het koninklijk leger trok nu naar Jerusalem op, om hen onder schot te krijgen, en de koning sloeg daar zijn kamp op, om tegen Judea en de berg Sion te strijden.
48But the king’s army went up against them to Jerusalem: and the king’s army pitched their tents against Judea and mount Sion.
49Hij had vrede gesloten met de bevolking van Bet-Soer, die de stad had moeten verlaten, omdat ze geen voedsel meer had, om de belegering uit te houden, daar het een sabbatjaar was voor het bouwland.
49And he made peace with them that were in Bethsura: and they came forth out of the city, because they had no victuals, being shut up there, for it was the year of rest to the land.
50Zo alleen was de koning in het bezit van Bet-Soer gekomen, en had hij er een bezetting in kunnen leggen, om het te bewaken.
50And the king took Bethsura: and he placed there a garrison to keep it.
51Nu belegerde hij gedurende lange tijd het heiligdom, en stelde er schiettorens tegen op en andere belegeringswerktuigen: toestellen, om brandpijlen en steenblokken te schieten, en katapulten voor speren en slingers.
51And he turned his army against the sanctuary for many days: and he set up there battering slings, and engines and instruments to cast fire, and engines to cast stones and javelins, and pieces to shoot arrows, and slings.
52Maar ook de Joden stelden werktuigen tegen de hunne op, en verdedigden zich lange tijd.
52And they also made engines against their engines, and they fought for many days.
53Intussen echter waren de levensmiddelen in de opslagplaatsen opgeraakt, omdat men in het sabbatjaar was, en het overschot van de vroegere oogst was opgeteerd door hen, die uit vrees voor de heidenen in Judea een onderkomen hadden gevonden.
53But there were no victuals in the city, because it was the seventh year: and such as had stayed in Judea of them that came from among the nations, had eaten the residue of all that which had been stored up.
54Zo waren er nog maar weinig mannen in het heiligdom achtergebleven; want de hongersnood had hen gedwongen, uit elkaar te gaan, iedereen naar zijn eigen woonplaats.
54And there remained in the holy places but a few, for the famine had prevailed over them: and they were dispersed every man to his own place.
55Toen Lúsias echter vernam, dat Filippus, dien koning Antiochus nog bij zijn leven had aangewezen, om zijn zoon Antiochus voor het koningschap op te leiden,
55Now Lysias heard that Philip, whom king Antiochus while he lived had appointed to bring up his son Antiochus, and to reign, to be king,
56uit Perzië en Medië was teruggekomen met de troepen, die den koning waren gevolgd, en nu probeerde, de regering in handen te krijgen,
56Was returned from Persia, and Media, with the army that went with him, and that he sought to take upon him the affairs of the kingdom:
57zette hij er alles op, om zo spoedig mogelijk weg te trekken. Daarom sprak hij tot den koning, de legerbevelhebbers en manschappen: Wij worden met de dag zwakker en hebben maar weinig levensmiddelen meer; en de plaats, die wij belegeren, is sterk. Bovendien vraagt het rijk zelf al onze zorgen.
57Wherefore he made haste to go, and say to the king and to the captains of the army: We decay daily, and our provision of victuals is small, and the place that we lay siege to is strong, and it lieth upon us to take order for the affairs of the kingdom.
58Laat ons daarom deze mensen de hand bieden, vrede met hen sluiten en met geheel hun volk,
58Now therefore let us come to an agreement with these men, and make peace with them and with all their nation.
59en hun verlof geven volgens hun eigen zeden te leven evenals vroeger. Want omdat wij hun gebruiken hebben afgeschaft, zijn zij woedend geworden, en hebben al deze dingen gedaan.
59And let us covenant with them, that they may live according to their own laws as before. For because of our despising their laws, they have been provoked, and have done all these things.
60Dit voorstel beviel den koning en zijn legeraanvoerders, en hij liet hun dus de vrede aanbieden. Zij namen hem aan;
60And the proposal was acceptable in the sight of the king, and of the princes: and he sent to them to make peace: and they accepted of it.
61en omdat de koning en zijn veldheren hem met een eed hadden bekrachtigd, verlieten zij de vesting,
61And the king and the princes swore to them: and they came out of the stronghold.
62en hield de koning zijn intocht op de Sionsberg. Maar toen hij zag, hoe sterk dit punt was verdedigd, verbrak hij de eed, die hij gezworen had, en gaf bevel, de muren aan alle kanten te slechten.
62Then the king entered into mount Sion, and saw the strength of the place: and he quickly broke the oath that he had taken, and gave commandment to throw down the wall round about.
63Daarop trok hij haastig weg, en keerde naar Antiochië terug; daar vond hij Filippus, die de stad in zijn macht hield; hij viel hem aan, en nam de stad met geweld in.
63And he departed in haste, and returned to Antioch, where he found Philip master of the city: and he fought against him, and took the city.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.