1 Makkabeeen 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Nu zond Antiochus, de zoon van koning Demétrius, van de eilanden in de Middellandse Zee een brief aan Sjimon, den priester en vorst der Joden, en aan heel het volk.
1And king Antiochus the son of Demetrius sent letters from the isles of the sea to Simon the priest, and prince of the nation of the Jews, and to all the people:
2De inhoud luidde als volgt: Koning Antiochus aan Sjimon, den hogepriester en vorst, en aan het volk der Joden: heil!
2And the contents were these: King Antiochus to Simon the high priest, and to the nation of the Jews, greeting.
3Nadat enige booswichten zich van het rijk onzer vaderen hadden meester gemaakt, ben ik besloten, de heerschappij weer aan mij te trekken en deze in de vroegere staat te herstellen.
3Forasmuch as certain pestilent men have usurped the kingdom of our fathers, and my purpose is to challenge the kingdom, and to restore it to its former estate: and I have chosen a great army, and have built ships of war.
4Daarom heb ik veel troepen aangeworven en oorlogsschepen uitgerust. Ik ben van plan, aan land te komen en allen te vervolgen, die ons land hebben verwoest en vele steden in mijn rijk hebben vernield.
4And I design to go through the country that I may take revenge of them that have destroyed our country, and that have made many cities desolate in my realm.
5En hiermede bekrachtig ik de vrijstelling van al de lasten, die mijn koninklijke voorgangers u hebben verleend, met alle andere vrijstellingen, die zij u hebben toegestaan.
5Now therefore I confirm unto thee all the oblations which all the kings before me remitted to thee, and what other gifts soever they remitted to thee:
6Ik geef u verder verlof, eigen munten voor uw land te slaan.
6And I give thee leave to coin thy own money in thy country:
7Jerusalem en het heiligdom zullen vrij zijn; alle wapens, die gij hebt aangeschaft, en de vestingen, die gij hebt gebouwd en die in uw bezit zijn, moogt gij in de toekomst behouden.
7And let Jerusalem be holy and free, and all the armour that hath been made, and the fortresses which thou hast built, and which thou keepest in thy hands, let them remain to thee.
8Van al wat gij aan de kroon zijt verschuldigd en van alle andere toekomstige rijksbelastingen zijt gij van heden af voor altijd vrijgesteld.
8And all that is due to the king, and what should be the king’s hereafter, from this present and for ever, is forgiven thee.
9Zodra wij ons rijk weer hebben bemachtigd, zullen wij u, uw volk en de tempel op bijzondere wijze eren, zodat uw roem over geheel de aarde bekend wordt.
9And when we shall have recovered our kingdom, we will glorify thee, and thy nation, and the temple with great glory, so that your glory shall be made manifest in all the earth.
10In het jaar 174 trok Antiochus dus het rijk van zijn vaderen binnen, en zoveel troepen sloten zich bij hem aan, dat er maar weinigen bij Trúfon bleven.
10In the year one hundred and seventy-four Antiochus entered into the land of this fathers, and all the forces assembled to him, so that few were left with Tryphon.
11Deze werd door koning Antiochus achtervolgd, en vluchtte naar Dora, dat aan de zee is gelegen.
11And king Antiochus pursued after him, and he fled along by the sea coast and came to Dora.
12Want hij begreep, dat hem onheil dreigde, nu de troepen hem hadden verlaten.
12For he perceived that evils were gathered together upon him, and his troops had forsaken him.
13Daarom sloeg Antiochus het beleg om Dora met honderd twintigduizend man voetvolk en achtduizend ruiters.
13And Antiochus camped above Dora with a hundred and twenty thousand men of war, and eight thousand horsemen:
14Hij omsingelde de stad, terwijl de schepen aan de zeekant aanvielen. Zo bracht hij de stad aan de zee- en de landzijde in het nauw, en maakte het iedereen onmogelijk, er in of er uit te komen.
14And he invested the city, and the ships drew near by sea: and they annoyed the city by land, and by sea, and suffered none to come in, or to go out.
15En Noeménius kwam met zijn begeleiders van Rome terug met brieven voor de koningen en de landen, van de volgende inhoud:
15And Numenius, and they that had been with him, came from the city of Rome, having letters written to the kings, and countries, the contents whereof were these:
16Lúcius, romeins consul, aan koning Ptoleméus: heil!
16Lucius the consul of the Romans, to king Ptolemee, greeting.
17De gezanten der Joden zijn bij ons gekomen als onze vrienden en bondgenoten, om de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap van vroeger te vernieuwen. Ze waren gezonden door den hogepriester Sjimon en het joodse volk,
17The ambassadors of the Jews our friends came to us, to renew the former friendship and alliance, being sent from Simon the high priest, and the people of the Jews.
18en brachten een gouden schild mee ter waarde van duizend pond.
18And they brought also a shield of gold of a thousand pounds.
19Daarop hebben wij besloten, aan alle koningen en landen schriftelijk bevel te geven, niets kwaads tegen hen te beramen, hen niet aan te vallen, noch hun steden noch hun gebied, en zich niet bij hun vijanden aan te sluiten.
19It hath seemed good therefore to us to write to the kings, and countries, that they should do them no harm, nor fight against them, their cities, or countries: and that they should give no aid to them that fight against them.
20Want het heeft ons behaagd, het schild van hen te aanvaarden.
20And it hath seemed good to us to received the shield of them.
21En mochten enkele onruststokers uit hun land naar u zijn gevlucht, dan moet gij hen uitleveren aan den hogepriester Sjimon, die hen volgens hun eigen wet zal bestraffen.
21If therefore any pestilent men are fled out of their country to you, deliver them to Simon the high priest, that he may punish them according to their law.
22Hetzelfde schreef Lúcius aan de koningen Demétrius, Attalus, Ariarátes, en Arsakes;
22These same things were written to king Demetrius, and to Attalus, and to Ariarathes, and to Arsaces,
23aan alle landen: aan Sámpsame, de Spartanen, Délos, Múndos, Sikuon, Kárië, Samos, Pamfúlië, Lúcië, Halikarnásses, Rodus, Fasélis, Kos, Side, Aradus, Górtuna, Knidus, Cyprus en Cyréne.
23And to all the countries; and to Lampsacus, and to the Spartans, and to Delus, and Myndus, and Sicyon, and Caria, and Samus, and Pamphylia, and Lycia, and Alicarnassus, and Cos, and Side, and Aradus, and Rhodes, and Phaselis, and Gortyna, and Gnidus, and Cyprus, and Cyrene.
24En een afschrift hiervan liet hij voor Sjimon, den hogepriester maken.
24And they wrote a copy thereof to Simon the high priest, and to the people of the Jews.
25Terwijl koning Antiochus dus Dora aan beide zijden belegerde, steeds nieuwe troepen deed aanrukken, belegeringswerktuigen liet opstellen, en Trúfon iedere toegang en uitgang belette,
25But king Antiochus moved his camp to Dora the second time, assaulting it continually, and making engines: and shut up Tryphon, that he could not go out.
26zond Sjimon hem tweeduizend uitstekende soldaten om hem te helpen, met zilver, goud en veel oorlogsmateriaal.
26And Simon sent to him two thousand chosen men to aid him, silver also, and gold, and abundance of furniture.
27Maar hij wilde het niet aannemen; hij verklaarde zelfs, dat alle verdragen, die hij vroeger met hem had gesloten, ongeldig waren, en dat hij met hem had gebroken.
27And he would not receive them, but broke all the covenant that he had made with him before, and alienated himself from him.
28Hij zond zijn vertrouweling Atenóbius naar hem toe, om met hem te onderhandelen. Hij moest hem zeggen: Gij houdt Jóppe, Gézer en de burcht van Jerusalem in uw macht, steden, die tot mijn rijk behoren.
28And he sent to him Athenobius one of his friends, to treat with him, saying: You hold Joppe, and Gazara, and the castle that is in Jerusalem, which are cities of my kingdom:
29Gij hebt hun gebied verwoest, het land grote schade toegebracht, en u van veel plaatsen in mijn rijk meester gemaakt.
29Their borders you have wasted, and you have made great havock in the land, and have got the dominion of many places in my kingdom.
30Gij hebt dus de steden terug te geven, die gij bezet hebt, tegelijk met de belastingen van die plaatsen, waarvan gij u buiten het gebied van Judea hebt meester gemaakt.
30Now therefore deliver up the cities that you have taken, and the tributes of the places whereof you have gotten the dominion without the borders of Judea.
31Doet gij dit niet, dan moet gij inplaats daarvan vijfhonderd talenten zilver betalen, en verder nog vijfhonderd talenten voor de schade, die gij hebt aangericht en voor de achterstallige belastingen dezer steden. Blijft gij in gebreke, dan zullen wij komen, om u te beoorlogen.
31But if not, give me for them five hundred talents of silver, and for the havock that you have made, and the tributes of the cities other five hundred talents: or else we will come and fight against you.
32Atenóbius, de vriend van den koning, ging dus naar Jerusalem. En toen hij de praal van Sjimon zag, de schenktafel met de gouden en zilveren schalen en de talrijke bedienden, stond hij verbaasd. Maar toen hij Sjimon de boodschap van den koning had overgebracht,
32So Athenobius the king’s friend came to Jerusalem, and saw the glory of Simon and his magnificence in gold, and silver, and his great equipage, and he was astonished, and told him the king’s words.
33gaf deze ten antwoord: Wij hebben ons niet meester gemaakt van andermans land of goed, maar wel van het erfdeel onzer vaderen, dat onze vijanden, toen ze er de kans toe zagen, wederrechtelijk hebben bemachtigd.
33And Simon answered him, and said to him: We have neither taken other men’s land, neither do we hold that which is other men’s: but the inheritance of our fathers, which was for some time unjustly possessed by our enemies.
34En nu de kans ons gunstig is, houden we vast aan het erfdeel onzer vaderen.
34But we having opportunity claim the inheritance of our fathers.
35Wat echter uw eisen aangaande Jóppe en Gézer betreft: zij hebben ons volk en ons land grote schade toegebracht; toch willen wij u daarvoor honderd talenten geven.
35And as to thy complaints concerning Joppe and Gazara, they did great harm to the people, and to our country: yet for these we will give a hundred talents. And Athenobius answered him not a word:
36Atenóbius gaf hierop geen antwoord, maar ging woedend naar den koning terug, en stelde hem op de hoogte van Sjimons beslissing, van zijn praal en pracht en van alles, wat hij gezien had. Toen barstte de koning in woede uit.
36But returning in a rage to the king, made report to him of these words, and of the glory of Simon, and of all that he had seen, and the king was exceeding angry.
37Intussen had Trúfon toch scheep kunnen gaan en was naar Ortósia gevlucht.
37And Tryphon fled away by ship to Orthosias.
38Nu stelde de koning Kendebéus tot onderbevelhebber over de zeekust aan, voorzag hem van voetvolk en ruiters,
38And the king appointed Cendebeus captain of the sea coast, and gave him an army of footmen and horsemen.
39en gaf hem bevel, zich tegen Judea te keren, Kedron tot vesting te verbouwen, de andere steden te versterken, en het volk te beoorlogen. De koning zelf zou Trúfon achtervolgen.
39And he commanded him to march with his army towards Judea: and he commanded him to build up Gedor, and to fortify the gates of the city, and to war against the people. But the king himself pursued after Tryphon.
40Kendebéus trok dus naar Jámnia, en begon het volk te verontrusten door telkens Judea binnen te vallen, en de mensen gevangen te nemen en te vermoorden.
40And Cendebeus came to Jamnia, and began to provoke the people, and to ravage Judea, and to take the people prisoners, and to kill, and to build Gedor.
41Ook bouwde hij Kedron tot vesting om, en legde er ruiterij en voetvolk in, om volgens het bevel van den koning uitvallen te kunnen doen langs de wegen van Judea.
41And he placed there horsemen, and an army: that they might issue forth, and make incursions upon the ways of Judea, as the king had commanded him.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.