1 Makkabeeen 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1In het jaar 151 wist Demétrius, de zoon van Seleúkus, uit Rome te ontsnappen. Hij landde met een klein gevolg bij een kustplaats, en begon daar als koning op te treden.
1In the hundred and fifty-first year Demetrius the son of Seleucus departed from the city of Rome, and came up with a few men into a city of the sea coast, and reigned there.
2Toen hij nu het paleis van zijn voorvaderen was binnengetrokken, namen de troepen Antiochus en Lúsias gevangen en wilden hen voor hem brengen.
2And it came to pass, as he entered into the house of the kingdom of his fathers, that the army seized upon Antiochus, and Lysias, to bring them unto him.
3Maar toen men hem dit berichtte, zeide hij: Ik wil hun gezicht niet zien!
3And when he knew it, he said: Let me not see their face.
4Daarop brachten zijn troepen hen om het leven, en besteeg Demétrius zijn koningstroon.
4So the army slew them. And Demetrius sat upon the throne of his kingdom:
5Nu gingen alle afvallige en goddeloze Israëlieten naar hem toe, met Alkimus aan het hoofd, die het er op aanlegde, hogepriester te worden.
5And there came to him the wicked and ungodly men of Israel: And Alcimus was at the head of them, who desired to be made high priest.
6Zij klaagden het volk bij den koning aan, en zeiden: Judas en zijn broers hebben al uw vrienden omgebracht en ons uit ons land verjaagd.
6And they accused the people to the king, saying: Judas and his brethren have destroyed all thy friends, and he hath driven us out of our land.
7Zend derhalve een vertrouwd iemand, om de gehele ontreddering te komen opnemen, die zij over ons en in het gebied van den koning hebben aangericht, en om hen te straffen met allen, die ze hebben geholpen.
7Now therefore send some man whom thou trustest, and let him go, and see all the havock he hath made amongst us, and in the king’s lands: and let him punish all his friends and their helpers.
8Daarom wees de koning onder zijn vertrouwelingen Bakchides aan, die landvoogd was aan de overkant der Rivier, grote invloed had in het rijk en den koning zeer verknocht was.
8Then the king chose Bacchides, one of his friends that ruled beyond the great river in the kingdom, and was faithful to the king: and he sent him,
9Hem zond hij nu op de Israëlieten af tegelijk met den goddelozen Alkimus, dien hij als hogepriester aanstelde, en beval hem, wraak op hen te nemen.
9To see the havock that Judas had made: and the wicked Alcimus he made high priest, and commanded him to take revenge upon the children of Israel.
10Ze rukten dus op, en drongen met een groot leger in het land van Juda binnen. Nu zond hij boden naar Judas en diens broers met vredelievende, maar listige voorstellen.
10And they arose, and came with a great army into the land of Juda: and they sent messengers, and spoke to Judas and his brethren with peaceable words deceitfully.
11Dezen gingen er echter niet op in, omdat zij heel goed wisten, dat hij met een groot leger was binnengetrokken.
11But they gave no heed to their words: for they saw that they were come with a great army.
12Maar een groep schriftgeleerden ging met Alkimus en Bakchides besprekingen voeren, om de rechtsvraag te onderzoeken, en
12Then there assembled to Alcimus and Bacchides a company of the scribes to require things that are just:
13de chasidéen waren thans de eersten onder de Israëlieten, die hun om vrede verzochten.
13And first the Assideans that were among the children of Israel, and they sought peace of them.
14Want ze dachten: Er is een priester uit het geslacht van Aäron met dit leger meegekomen; die zal ons zeker geen onrecht doen.
14For they said: One that is a priest of the seed of Aaron is come, he will not deceive us.
15Toen Bakchides hun dan ook de vrede beloofde, en hun onder ede verzekerde, dat zij hun en hun vrienden niet het minste kwaad zouden doen,
15And he spoke to them peaceably: and he swore to them, saying: We will do you no harm nor your friends.
16vertrouwden zij hem. Hij liet echter zestig van hen gevangen nemen en op één dag vermoorden, naar het woord dat geschreven staat:
16And they believed him. And he took threescore of them, and slew them in one day, according to the word that is written:
17Het vlees uwer heiligen en hun bloed Hebben zij rondom Jerusalem geworpen; En er was niemand, die hen begroef.
17The flesh of thy saints, and the blood of them they have shed round about Jerusalem, and there was none to bury them.
18En het gehele volk werd van angst en schrik voor hen vervuld; want ze zeiden: Er is bij hen geen waarheid en recht; want ze verbreken de belofte en de eed, die ze hebben gezworen.
18Then fear and trembling fell upon all the people: for they said: There is no truth, nor justice among them: for they have broken the covenant, and the oath which they made.
19Daarna trok Bakchides van Jerusalem weg, en sloeg zijn legerplaats bij Bezet op. Hier liet hij vele overlopers en verschillende burgers gevangen nemen, hen vermoorden en in de grote put werpen.
19And Bacchides removed the camp from Jerusalem, and pitched in Bethzecha: and he sent, and took many of them that were fled away from him, and some of the people he killed, and threw them into a great pit.
20En nadat Bakchides het land onder het bestuur van Alkimus had gesteld, en een legermacht bij hem had achtergelaten, om hem te steunen, keerde hij naar den koning terug.
20Then he committed the country to Alcimus, and left with him troops to help him. So Bacchides went away to the king:
21Nu spande Alkimus al zijn krachten in, om zich als hogepriester te laten gelden,
21But Alcimus did what he could to maintain his chief priesthood.
22en allen, die hun eigen volk hadden gekweld, sloten zich bij hem aan; zij bemachtigden het land Juda, en richtten een grote slachting onder de Israëlieten aan.
22And they that disturbed the people resorted to him, and they got the land of Juda into their power, and did much hurt in Israel.
23Bij het zien van al de ellende, die Alkimus en zijn aanhang, nog meer dan de heidenen, over de zonen van Israël hadden gebracht.
23And Judas saw all the evils that Alcimus, and they that were with him, did to the children of Israel, much more than the Gentiles.
24trok Judas heel het gebied van Judea rond, wreekte zich op de overlopers, en maakte het hun onmogelijk, zich in het land te bewegen.
24And he went out into all the coasts of Juda round about, and took vengeance upon the men that had revolted, and they ceased to go forth any more into the country.
25Toen Alkimus dus bemerkte, dat Judas en zijn aanhang weer sterker waren geworden, en het hem bleek, dat hij hun geen tegenstand zou kunnen bieden, ging hij naar den koning terug, en bracht gemene beschuldigingen tegen hen in.
25And Alcimus saw that Judas, and they that were with him prevailed: and he knew that he could not stand against them, and he went back to the king, and accused them of many crimes.
26Daarom zond de koning een van zijn beste veldheren, Nikánor die een ingekankerde haat tegen de Joden had, en beval hem, het volk te vernietigen.
26And the king sent Nicanor one of his principal lords, who was a great enemy to Israel: and he commanded him to destroy the people.
27Maar toen Nikánor met een groot leger tot Jerusalem was doorgedrongen, zond hij Judas en zijn broeders het volgende vredesaanbod vol huichelarij:
27And Nicanor came to Jerusalem with a great army, and he sent to Judas and to his brethren deceitfully with friendly words,
28Laat er toch geen oorlog zijn tussen u en mij; ik zal met een klein gevolg naar u toe komen, om vriendschappelijk met u de zaken te regelen.
28Saying: Let there be no fighting between me and you: I will come with a few men to see your faces with peace.
29Hij kwam dus bij Judas, en zij begroetten elkander vriendschappelijk; maar de vijanden stonden al klaar, om Judas te ontvoeren.
29And he came to Judas, and they saluted one another peaceably: and the enemies were prepared to take away Judas by force.
30Judas doorzag de opzet, en begreep, dat zijn komst louter veinzerij was geweest. Daarom vermeed hij hem in de toekomst angstvallig, en wilde hem niet meer ontmoeten.
30And the thing was known to Judas that he was come to him with deceit: and he was much afraid of him, and would not see his face any more.
31Toen Nikánor dan ook begreep, dat zijn toeleg ontdekt was, rukte hij tegen Judas op, en stiet op hem bij Kafarsalama.
31And Nicanor knew that his counsel was discovered: and he went out to fight against Judas near Capharsalama.
32Maar van Nikánors leger vielen er ongeveer vijfhonderd man, terwijl de overigen naar de Davidstad vluchtten.
32And there fell of Nicanor’s army almost five thousand men, and they fled into the city of David.
33Enige tijd later ging Nikánor eens naar de Sionsberg, waar enkele priesters en ouderlingen van het volk uit de tempel kwamen, om hem vriendschappelijk te begroeten en hem te wijzen op het brandoffer, dat voor den koning gebracht werd.
33And after this Nicanor went up into mount Sion: and some of the priests and the people came out to salute him peaceably, and to shew him the holocausts that were offered for the king.
34Maar hij spotte met hen en lachte ze uit; hij durfde hen zelfs onteren en brutaal bejegenen,
34But he mocked them and despised them, and abused them: and he spoke proudly,
35en zwoer vol woede: Wanneer Judas en zijn leger mij niet onmiddellijk worden uitgeleverd, steek ik deze tempel in brand, zodra ik als overwinnaar ben teruggekeerd. En hij ging woedend heen.
35And swore in anger, saying: Unless Judas and his army be delivered into my hands, as soon as ever I return in peace, I will burn this house. And he went out in a great rage.
36Nu gingen de priesters naar binnen, stelden zich op voor het altaar en het tempelgebouw, en begonnen wenend te bidden:
36And the priests went in, and stood before the face of the altar and the temple: and weeping, they said:
37Gij zelf hebt deze tempel uitverkoren, om uw Naam te dragen en voor uw volk een huis te zijn, waar het kan bidden en smeken.
37Thou, O Lord, hast chosen this house for thy name to be called upon therein, that it might be a house of prayer and supplication for thy people.
38Wreek U dus op dezen man met zijn leger, en laat hen vallen door het zwaard; gedenk hun godslasteringen, en laat hen niet langer in leven!
38Be avenged of this man, and his army, and let them fall by the sword: remember their blasphemies, and suffer them not to continue any longer.
39Daarop trok Nikánor van Jerusalem weg. Hij sloeg zijn legerplaats op bij Bet-Choron, waar een syrisch leger zich bij hem aansloot,
39Then Nicanor went out from Jerusalem, and encamped near to Bethoron: and an army of Syria joined him.
40terwijl Judas met drieduizend man bij Adasa lag. Nu bad Judas:
40But Judas pitched in Adarsa with three thousand men: and Judas prayed, and said:
41Toen de gezanten van den koning der Assyriërs eens lastertaal hadden uitgebraakt, trok uw engel uit, en sloeg honderd vijf en tachtigduizend man van hen neer
41O Lord, when they that were sent by king Sennacherib blasphemed thee, an angel went out, and slew of them a hundred and eighty-five thousand:
42Verpletter zo ook vandaag dit leger voor onze ogen, opdat de overigen mogen erkennen, dat hij uw heiligdom heeft gelasterd; straf hem, zoals zijn boosheid verdient.
42Even so destroy this army in our sight today, and let the rest know that he hath spoken ill against thy sanctuary: and judge thou him according to his wickedness.
43Op de dertiende Adar werden de legers handgemeen. Nikánors leger werd totaal verslagen, en hijzelf viel het eerst in de slag.
43And the armies joined battle on the thirteenth day of the month Adar: and the army of Nicanor was defeated, and he himself was first slain in the battle.
44Toen Nikánors leger zag, dat hij gesneuveld was, wierpen zij hun wapens weg en sloegen op de vlucht.
44And when his army saw that Nicanor was slain, they threw away their weapons, and fled:
45Maar de Joden vervolgden hen een dagreis ver, van Adasa af tot in de omgeving van Gézer, en bliezen de alarmbazuinen bij hun achtervolging.
45And they pursued after them one day’s journey from Adazer, even till ye come to Gazara, and they sounded the trumpets after them with signals.
46Daarom kwam men uit alle naburige dorpen van Judea te voorschijn en omsingelde hen. Zij poogden nog, zich tegen hen te verweren, maar zij vielen allen door het zwaard; niet één van hen bleef er over.
46And they went forth out of all the towns of Judea round about, and they pushed them with the horns, and they turned again to them, and they were all slain with the sword, and there was not left of them so much as one.
47Nu maakte men zich meester van de buit en van wat er geroofd was; ze onthoofden Nikánor en kapten hem de rechterhand af, die hij brutaal had uitgestoken, brachten die naar Jerusalem, en hingen ze daar op.
47And they took the spoils of them for a booty, and they cut off Nicanor’s head, and his right hand, which he had proudly stretched out, and they brought it, and hung it up over against Jerusalem.
48Het volk was uitbundig van blijdschap, en vierde die dag als een plechtige jubeldag.
48And the people rejoiced exceedingly, and they spent that day with great joy.
49En men besloot, deze dag elk jaar op de dertiende Adar te vieren.
49And he ordained that this day should be kept every year, being the thirteenth of the month of Adar.
50Het land Juda genoot nu voor korte tijd rust.
50And the land of Juda was quiet for a short time.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.