1 Makkabeeen 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Toen Jonatan zag, dat het ogenblik gunstig was, wees hij enkele mannen aan en zond hen naar Rome, om de vriendschapsbetrekkingen met de Romeinen te versterken en te vernieuwen.
1And Jonathan saw that the time served him, and he chose certain men and sent them to Rome, to confirm and to renew the amity with them:
2Ook aan de Spartanen en andere landen zond hij brieven, die hetzelfde beoogden.
2And he sent letters to the Spartans, and to other places according to the same form.
3Zij vertrokken dus naar Rome, traden daar de Senaat binnen, en spraken: De hogepriester Jonatan en het volk der Joden hebben ons gezonden, om de vriendschappelijke betrekkingen en het bondgenootschap onder de vroegere voorwaarden te laten vernieuwen.
3And they went to Rome, and entered into the senate house, and said: Jonathan the high priest, and the nation of the Jews have sent us to renew the amity, and alliance as it was before.
4Hierop gaf men hun brieven mee voor de verschillende plaatselijke overheden met het verzoek, hun een vrijgeleide naar het land Juda te verstrekken.
4And they gave them letters to their governors in every place, to conduct them into the land of Juda with peace.
5Dit is het afschrift van de brief, die Jonatan aan de Spartanen schreef:
5And this is a copy of the letters which Jonathan wrote to the Spartans:
6De hogepriester Jonatan, de hoge raad van het volk, de priesters en het overige volk der Joden, aan hun broeders de Spartanen: heil!
6Jonathan the high priest, and the ancients of the nation, and the priests, and the rest of the people of the Jews, to the Spartans, their brethren, greeting.
7Reeds vroeger heeft de hogepriester Onias een brief ontvangen van Areios, een van uw koningen, waarin gezegd wordt, dat gij onze broeders zijt, zoals het ingesloten afschrift bewijst.
7There were letters sent long ago to Onias the high priest from Arius who reigned then among you, to signify that you are our brethren, as the copy here underwritten doth specify.
8Onias heeft den gezant eervol ontvangen en aanvaardde de brief, waarin uitdrukkelijk over een bondgenootschap en vriendschapsbetrekkingen werd gesproken.
8And Onias received the ambassador with honour: and received the letters wherein there was mention made of the alliance, and amity.
9Ofschoon geen noodzaak er ons toe dwingt, daar wij onze troost putten uit de heilige boeken, die wij bezitten,
9We, though we needed none of these things, having for our comfort the holy books that are in our hands,
10willen wij toch, om niet van u te vervreemden, een poging doen, om door middel van een gezantschap de wederzijdse banden van broeders en bondgenoten te vernieuwen. Want het is reeds lang geleden, dat gij uw laatste gezantschap naar ons hebt afgevaardigd.
10Chose rather to send to you to renew the brotherhood and friendship, lest we should become strangers to you altogether: for there is a long time passed since you sent to us.
11Wij van onze kant laten nooit een gelegenheid voorbijgaan, om op feesten en andere plechtige dagen bij onze offers en gebeden aan u te denken; want het is een heilige plicht, dat broeders elkander indachtig zijn.
11We therefore at all times without ceasing, both in our festivals, and other days, wherein it is convenient, remember you in the sacrifices that we offer, and in our observances, as it is meet, and becoming to remember brethren.
12Ook verheugen wij ons over de roem, die u ten deel is gevallen.
12And we rejoice at your glory.
13En wat ons zelf betreft: wij hebben ons temidden van veel verdrukkingen en oorlogen bevonden, omdat de koningen uit onze omgeving tegen ons te velde trokken.
13But we have had many troubles and wars on every side, and the kings that are round about us, have fought against us.
14In deze strijd echter hebben wij u, noch een van onze andere bondgenoten en vrienden willen lastig vallen.
14But we would not be troublesome to you, nor the rest of our allies and friends in these wars.
15Want wij hebben de hulp van de Hemel, die ons bijstaat; hierdoor werden wij van onze vijanden verlost, en werden onze tegenstanders vernederd.
15For we have had help from heaven, and we have been delivered, and our enemies are humbled.
16Nu hebben wij Noeménius, den zoon van Antiochus, en Antipater, den zoon van Jáson, uitgekozen en hen naar de Romeinen gezonden, om de vroegere vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap met hen te vernieuwen.
16We have chosen therefore Numenius the son of Antiochus, and Antipater the son of Jason, and have sent them to the Romans to renew with them the former amity and alliance.
17Tegelijkertijd droegen wij hun op, ook naar u te reizen, onze groeten aan u over te brengen en u onze brief te overhandigen, om onze vriendschap te vernieuwen.
17And we have commanded them to go also to you, and to salute you, and to deliver you our letters, concerning the renewing of our brotherhood.
18Gij zoudt ons ten zeerste verplichten, ons hierop een antwoord te zenden.
18And now you shall do well to give us an answer hereto.
19En dit is het afschrift van de brief, die aan Onias werd gezonden:
19And this is the copy of the letter which he had sent to Onias:
20Areios, koning der Spartanen, aan Onias den hogepriester: heil!
20Arius king of the Spartans to Onias the high priest, greeting.
21Uit een geschrift over de Spartanen en de Joden is komen vast te staan, dat zij broeders zijn en beiden van Abraham afstammen.
21It is found in writing concerning the Spartans, and the Jews, that they are brethren, and that they are of the stock of Abraham.
22Nu ons dit bekend is geworden, zoudt gij ons zeer verplichten, ons te berichten, hoe het u gaat.
22And now since this is come to our knowledge, you do well to write to us of your prosperity.
23Wij van onze kant stellen u voor: Uw vee en uw have is als van ons, en het onze van u. Wij hebben opdracht gegeven u hiervan in kennis te stellen.
23And we also have written back to you: That our cattle, and our possessions are yours: and yours, ours. We therefore have commanded that these things should be told you.
24Toen Jonatan hoorde, dat de aanvoerders van Demétrius met een veel groter leger dan vroeger waren teruggekomen, om hem te bestrijden,
24Now Jonathan heard that the generals of Demetrius were come again with a greater army than before to fight against him.
25verliet hij Jerusalem en trok hun in het gebied van Chamat tegemoet; want hij wilde hun de kans niet geven, zijn land binnen te rukken.
25So he went out from Jerusalem, and met them in the land of Amath: for he gave them no time to enter into his country.
26Hij zond spionnen naar hun kamp, die met het bericht terugkwamen, dat men voorbereidingen trof, om hen des nachts te overvallen.
26And he sent spies into their camp, and they came back and brought him word that they designed to come upon them in the night.
27Daarom gaf Jonatan bij zonsondergang zijn mannen bevel, wakker en gewapend te blijven, en de hele nacht klaar te staan voor het gevecht; tevens zette hij rondom het kamp wachtposten uit.
27And when the sun was set, Jonathan commanded his men to watch, and to be in arms all night long ready to fight, and he set sentinels round about the camp.
28Maar toen de vijanden hoorden, dat Jonatan en zijn mannen strijdvaardig stonden, werden zij door vrees overmand en verloren de moed; zij trokken weg, maar staken eerst in hun kamp de wachtvuren aan.
28And the enemies heard that Jonathan and his men were ready for battle, and they were struck with fear, and dread in their heart: and they kindled fires in their camp.
29Jonatan en zijn mannen, die deze vuren zagen branden, bemerkten er dus niets van, vóór het morgen werd.
29But Jonathan and they that were with him knew it not till the morning: for they saw the lights burning.
30Toen zette Jonatan ze wel achterna, maar kon ze niet meer inhalen, omdat zij reeds de rivier de Eleúterus waren overgetrokken.
30And Jonathan pursued after them, but overtook them not: for they had passed the river Eleutherus.
31Nu trok Jonatan naar de Arabieren, die men Zabadeërs noemde; hij versloeg hen en plunderde ze uit.
31And Jonathan turned upon the Arabians that are called Zabadeans: and he defeated them, and took the spoils of them.
32Vandaar rukte hij verder, ging naar Damascus en doorkruiste het hele gebied.
32And he went forward, and came to Damascus, and passed through all that country.
33Ook Sjimon was uitgerukt en tot Asjkalon en de naastbijgelegen vestingen doorgedrongen. Vandaar trok hij naar Jóppe en nam de stad in,
33Simon also went forth, and came as far as Ascalon, and the neighbouring fortresses, and he turned aside to Joppe, and took possession of it,
34omdat hij gehoord had, dat men de vesting aan de aanhangers van Demétrius wilde uitleveren. Hij liet er ter bewaking een bezetting achter.
34(For he heard that they designed to deliver the hold to them that took part with Demetrius,) and he put a garrison there to keep it.
35Toen Jonatan was teruggekeerd, riep hij de oudsten van het volk bijeen, en maakte met hen het besluit, vestingen in Judea te bouwen,
35And Jonathan came back, and called together the ancients of the people, and he took a resolution with them to build fortresses in Judea,
36de muren van Jerusalem te verhogen en tussen de burcht en de stad een hoge muur op te trekken, om de burcht volslagen van de stad af te sluiten, en hem zó te versperren, dat alle koop en verkoop zou worden afgesneden.
36And to build up walls in Jerusalem, and raise a mount between the castle and the city, to separate it from the city, that so it might have no communication, and that they might neither buy nor sell.
37Zij sloegen dus de handen ineen voor de bouw van de stad; en daar een gedeelte van de muur bij de beek in het oosten was ingestort, herstelden zij die en noemden hem Kafenáta.
37And they came together to build up the city: for the wall that was upon the brook towards the east was broken down, and he repaired that which is called Caphetetha:
38Sjimon werkte intussen aan de bouw en de versterking van Chadid in de Sjefela, en voorzag het van poorten en grendels.
38And Simon built Adiada in Sephela, and fortified it, and set up gates and bars.
39Intussen had Trúfon plannen beraamd, om koning van Azië te worden, zich de kroon op het hoofd te zetten en Antiochus uit de weg te ruimen.
39Now when Tryphon had conceived a design to make himself king of Asia, and to take the crown, and to stretch out his hand against king Antiochus:
40Daar hij echter vreesde dat Jonatan dit niet zou toelaten en hem zou tegenwerken, zocht hij naar een middel, om hem gevangen te nemen en te doden. Hij rukte dus uit, en ging naar Bet-Sjan.
40Fearing lest Jonathan would not suffer him, but would fight against him: he sought to seize upon him, and to kill him. So he rose up and came to Bethsan.
41Maar Jonatan trok met veertigduizend krijgshaftige soldaten tegen hem op, en bereikte Bet-Sjan eveneens.
41And Jonathan went out to meet him with forty thousand men chosen for battle, and came to Bethsan.
42Toen Trúfon zag, dat hij met een groot leger gekomen was, schrok hij ervoor terug, zich aan hem te vergrijpen.
42Now when Tryphon saw that Jonathan came with a great army, he durst not stretch forth his hand against him,
43Daarna ontving hij hem met hoge eerbewijzen, stelde hem voor aan al zijn vertrouwelingen, gaf hem geschenken, en beval zijn vertrouwelingen en zijn troepen, Jonatan te gehoorzamen juist als hemzelf.
43But received him with honour, and commended him to all his friends, and gave him presents: and he commanded his troops to obey him, as himself.
44Daarna sprak hij tot Jonatan: Waarom hebt ge heel dit leger afgetobd, daar we toch geen van beiden het plan hebben, oorlog te maken?
44And he said to Jonathan: Why hast thou troubled all the people, whereas we have no war?
45Stuur ze naar huis terug en kies u een paar mannen uit, om u te begeleiden, en ga met mij mee naar Ptolemáis. Daar zal ik de stad met de andere vestingen, de overige troepen en alle ambtenaren aan u overdragen. Dan trek ik mij terug en ga weg; want daarvoor alleen ben ik gekomen.
45Now therefore send them back to their own houses: and choose thee a few men that may be with thee, and come with me to Ptolemais, and I will deliver it to thee, and the rest of the strong holds, and the army, and all that have any charge, and I will return and go away: for this is the cause of my coming.
46Jonatan vertrouwde hem en deed, wat hij hem had gezegd. Hij zond de troepen weg, die naar het land Juda teruggingen.
46And Jonathan believed him, and did as he said: and sent away his army, and they departed into the land of Juda:
47Slechts drieduizend man hield hij bij zich, waarvan hij er nog tweeduizend naar Galilea zond, zodat er slechts duizend met hem meegingen.
47But he kept with him three thousand men: of whom he sent two thousand into Galilee, and one thousand went with him.
48Maar nauwelijks was Jonatan in Ptolemáis aangekomen, of de inwoners sloten de poorten, namen hem gevangen en joegen al zijn begeleiders over de kling.
48Now as soon as Jonathan entered into Ptolemais, they of Ptolemais shut the gates of the city, and took him: and all them that came in with him they slew with the sword.
49Bovendien zond Trúfon voetvolk en ruiters naar Galilea en naar de grote vlakte, om de gehele aanhang van Jonatan uit de weg te ruimen.
49Then Tryphon sent an army and horsemen into Galilee, and into the great plain to destroy all Jonathan’s company.
50Daar dezen echter hadden vernomen dat Jonatan en de zijnen zouden gevangen genomen zijn en vermoord, hitsten zij elkander op, en rukten in gesloten gelederen vooruit, gereed om te vechten.
50But they, when they understood that Jonathan and all that were with him were taken and slain, encouraged one another, and went out ready for battle.
51Toen de achtervolgers dus zagen, dat zij op leven en dood wilden strijden, keerden ze terug.
51Then they that had come after them, seeing that they stood for their lives, returned back.
52Zo konden zij allen behouden het land Juda bereiken, waar zij, met grote angst in het hart, Jonatan en zijn mannen beweenden. Ook Israël hield een grote dodenklacht.
52Whereupon they all came peaceably into the land of Juda. And they bewailed Jonathan, and them that had been with him, exceedingly: and Israel mourned with great lamentation.
53Maar alle heidenen uit de omtrek stelden nu pogingen in het werk, om hen te verdelgen. Want ze zeiden: Ze hebben geen enkelen aanvoerder meer, die hen helpt. Nu moeten wij hen bestrijden, en zelfs hun nagedachtenis bij de mensen verdelgen.
53Then all the heathens that were round about them, sought to destroy them. For they said:
no verse 54 in this text
54They have no prince, nor any to help them: now therefore let us make war upon them, and take away the memory of them from amongst men.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.