Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Toen Jonatan zag, dat het ogenblik gunstig was, wees hij enkele mannen aan en zond hen naar Rome, om de vriendschapsbetrekkingen met de Romeinen te versterken en te vernieuwen.
1Jônatas viu que o momento lhe era favorável. Escolheu alguns homens e os enviou a Roma para confirmar e renovar a amizade que mantinham com os romanos.
2Ook aan de Spartanen en andere landen zond hij brieven, die hetzelfde beoogden.
2Enviou também cartas semelhantes aos espartanos e a outros lugares.
3Zij vertrokken dus naar Rome, traden daar de Senaat binnen, en spraken: De hogepriester Jonatan en het volk der Joden hebben ons gezonden, om de vriendschappelijke betrekkingen en het bondgenootschap onder de vroegere voorwaarden te laten vernieuwen.
3Eles foram a Roma, entraram na casa do senado e disseram: “Jônatas, o sumo sacerdote, e a nação dos judeus nos enviaram para renovar com vocês a amizade e a aliança, como anteriormente.”
4Hierop gaf men hun brieven mee voor de verschillende plaatselijke overheden met het verzoek, hun een vrijgeleide naar het land Juda te verstrekken.
4Os romanos lhes deram cartas dirigidas às autoridades de cada lugar, para que lhes concedessem passagem segura no caminho de volta à terra de Judá.
5Dit is het afschrift van de brief, die Jonatan aan de Spartanen schreef:
5Esta é a cópia da carta que Jônatas escreveu aos espartanos:
6De hogepriester Jonatan, de hoge raad van het volk, de priesters en het overige volk der Joden, aan hun broeders de Spartanen: heil!
6“Jônatas, o sumo sacerdote, o senado da nação, os sacerdotes e o restante do povo dos judeus, aos espartanos, seus irmãos, saudações.
7Reeds vroeger heeft de hogepriester Onias een brief ontvangen van Areios, een van uw koningen, waarin gezegd wordt, dat gij onze broeders zijt, zoals het ingesloten afschrift bewijst.
7Já anteriormente foram enviadas cartas ao sumo sacerdote Onias, da parte de Ário, que reinava entre vocês, declarando que vocês são nossos irmãos, como mostra a cópia apresentada abaixo.
8Onias heeft den gezant eervol ontvangen en aanvaardde de brief, waarin uitdrukkelijk over een bondgenootschap en vriendschapsbetrekkingen werd gesproken.
8Onias recebeu com honra o homem que havia sido enviado e recebeu as cartas nas quais se declarava a aliança e a amizade.
9Ofschoon geen noodzaak er ons toe dwingt, daar wij onze troost putten uit de heilige boeken, die wij bezitten,
9Nós, portanto, embora não tenhamos necessidade dessas coisas, pois temos como encorajamento os livros santos que estão em nossas mãos,
10willen wij toch, om niet van u te vervreemden, een poging doen, om door middel van een gezantschap de wederzijdse banden van broeders en bondgenoten te vernieuwen. Want het is reeds lang geleden, dat gij uw laatste gezantschap naar ons hebt afgevaardigd.
10decidimos enviar mensageiros para renovar nossa fraternidade e amizade com vocês, para que não nos tornemos completamente estranhos uns aos outros, pois já passou muito tempo desde que nos enviaram sua carta.
11Wij van onze kant laten nooit een gelegenheid voorbijgaan, om op feesten en andere plechtige dagen bij onze offers en gebeden aan u te denken; want het is een heilige plicht, dat broeders elkander indachtig zijn.
11Em todo tempo, sem cessar, tanto em nossas festas como nos outros dias apropriados, lembramo-nos de vocês nos sacrifícios que oferecemos e em nossas orações, pois é justo e apropriado lembrar-nos de nossos irmãos.
12Ook verheugen wij ons over de roem, die u ten deel is gevallen.
12Além disso, nós nos alegramos com sua glória.
13En wat ons zelf betreft: wij hebben ons temidden van veel verdrukkingen en oorlogen bevonden, omdat de koningen uit onze omgeving tegen ons te velde trokken.
13Quanto a nós, muitas aflições e muitas guerras nos cercaram, e os reis ao nosso redor lutaram contra nós.
14In deze strijd echter hebben wij u, noch een van onze andere bondgenoten en vrienden willen lastig vallen.
14Não quisemos incomodar vocês nem os demais aliados e amigos por causa dessas guerras,
15Want wij hebben de hulp van de Hemel, die ons bijstaat; hierdoor werden wij van onze vijanden verlost, en werden onze tegenstanders vernederd.
15pois temos o auxílio que vem do céu para nos ajudar. Fomos livrados de nossos inimigos, e eles foram humilhados.
16Nu hebben wij Noeménius, den zoon van Antiochus, en Antipater, den zoon van Jáson, uitgekozen en hen naar de Romeinen gezonden, om de vroegere vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap met hen te vernieuwen.
16Por isso escolhemos Numênio, filho de Antíoco, e Antípatro, filho de Jasão, e os enviamos aos romanos para renovar a amizade que mantínhamos com eles e a antiga aliança.
17Tegelijkertijd droegen wij hun op, ook naar u te reizen, onze groeten aan u over te brengen en u onze brief te overhandigen, om onze vriendschap te vernieuwen.
17Ordenamos-lhes também que fossem até vocês, os saudassem e lhes entregassem nossas cartas a respeito da renovação de nossa amizade e fraternidade.
18Gij zoudt ons ten zeerste verplichten, ons hierop een antwoord te zenden.
18Agora farão bem se nos enviarem uma resposta.”
19En dit is het afschrift van de brief, die aan Onias werd gezonden:
19Esta é a cópia da carta que eles enviaram a Onias:
20Areios, koning der Spartanen, aan Onias den hogepriester: heil!
20“Ário, rei dos espartanos, a Onias, o sumo sacerdote, saudações.
21Uit een geschrift over de Spartanen en de Joden is komen vast te staan, dat zij broeders zijn en beiden van Abraham afstammen.
21Foi encontrado por escrito a respeito dos espartanos e dos judeus que são irmãos e descendem de Abraão.
22Nu ons dit bekend is geworden, zoudt gij ons zeer verplichten, ons te berichten, hoe het u gaat.
22Agora que isso chegou ao nosso conhecimento, farão bem em nos escrever a respeito de sua prosperidade.
23Wij van onze kant stellen u voor: Uw vee en uw have is als van ons, en het onze van u. Wij hebben opdracht gegeven u hiervan in kennis te stellen.
23Nós também lhes escrevemos declarando que seu gado e seus bens são nossos, e os nossos são de vocês. Por isso ordenamos que lhes seja feita esta comunicação.”
24Toen Jonatan hoorde, dat de aanvoerders van Demétrius met een veel groter leger dan vroeger waren teruggekomen, om hem te bestrijden,
24Jônatas soube que os príncipes de Demétrio haviam voltado para lutar contra ele com um exército maior do que antes.
25verliet hij Jerusalem en trok hun in het gebied van Chamat tegemoet; want hij wilde hun de kans niet geven, zijn land binnen te rukken.
25Então partiu de Jerusalém e foi ao encontro deles na região de Hamate, pois não lhes deu oportunidade de entrar em seu território.
26Hij zond spionnen naar hun kamp, die met het bericht terugkwamen, dat men voorbereidingen trof, om hen des nachts te overvallen.
26Enviou espiões ao acampamento deles. Os espiões voltaram e informaram que os inimigos se preparavam para atacá-los durante a noite.
27Daarom gaf Jonatan bij zonsondergang zijn mannen bevel, wakker en gewapend te blijven, en de hele nacht klaar te staan voor het gevecht; tevens zette hij rondom het kamp wachtposten uit.
27Assim que o sol se pôs, Jônatas ordenou a seus homens que ficassem de vigia e permanecessem armados, prontos para a batalha durante toda a noite. Também colocou sentinelas ao redor do acampamento.
28Maar toen de vijanden hoorden, dat Jonatan en zijn mannen strijdvaardig stonden, werden zij door vrees overmand en verloren de moed; zij trokken weg, maar staken eerst in hun kamp de wachtvuren aan.
28Os adversários souberam que Jônatas e seus homens estavam preparados para a batalha. Ficaram com medo e tremeram no coração. Acenderam fogueiras no acampamento e se retiraram.
29Jonatan en zijn mannen, die deze vuren zagen branden, bemerkten er dus niets van, vóór het morgen werd.
29Jônatas e seus homens, porém, só perceberam isso pela manhã, porque viam as fogueiras acesas.
30Toen zette Jonatan ze wel achterna, maar kon ze niet meer inhalen, omdat zij reeds de rivier de Eleúterus waren overgetrokken.
30Jônatas os perseguiu, mas não conseguiu alcançá-los, pois já haviam atravessado o rio Eleutero.
31Nu trok Jonatan naar de Arabieren, die men Zabadeërs noemde; hij versloeg hen en plunderde ze uit.
31Então Jônatas voltou-se contra os árabes chamados zabadeus, atacou-os e tomou seus despojos.
32Vandaar rukte hij verder, ging naar Damascus en doorkruiste het hele gebied.
32Dali partiu, chegou a Damasco e percorreu toda a região.
33Ook Sjimon was uitgerukt en tot Asjkalon en de naastbijgelegen vestingen doorgedrongen. Vandaar trok hij naar Jóppe en nam de stad in,
33Simão também saiu e avançou até Ascalom e as fortalezas próximas. Depois voltou-se para Jope e tomou posse da cidade,
34omdat hij gehoord had, dat men de vesting aan de aanhangers van Demétrius wilde uitleveren. Hij liet er ter bewaking een bezetting achter.
34pois ouvira que seus habitantes planejavam entregar a fortaleza aos homens de Demétrio. Colocou ali uma guarnição para protegê-la.
35Toen Jonatan was teruggekeerd, riep hij de oudsten van het volk bijeen, en maakte met hen het besluit, vestingen in Judea te bouwen,
35Jônatas voltou e reuniu os anciãos do povo. Planejou com eles construir fortalezas na Judeia,
36de muren van Jerusalem te verhogen en tussen de burcht en de stad een hoge muur op te trekken, om de burcht volslagen van de stad af te sluiten, en hem zó te versperren, dat alle koop en verkoop zou worden afgesneden.
36aumentar a altura dos muros de Jerusalém e levantar um grande aterro entre a cidadela e a cidade, separando-a da cidade, para que ficasse isolada e sua guarnição não pudesse comprar nem vender.
37Zij sloegen dus de handen ineen voor de bouw van de stad; en daar een gedeelte van de muur bij de beek in het oosten was ingestort, herstelden zij die en noemden hem Kafenáta.
37O povo se reuniu para reconstruir a cidade. Uma parte do muro junto ao riacho, no lado leste, havia caído, e Jônatas reparou a seção chamada Cafenata.
38Sjimon werkte intussen aan de bouw en de versterking van Chadid in de Sjefela, en voorzag het van poorten en grendels.
38Simão também construiu Adida na planície, fortificou-a e colocou portões e trancas.
39Intussen had Trúfon plannen beraamd, om koning van Azië te worden, zich de kroon op het hoofd te zetten en Antiochus uit de weg te ruimen.
39Trifão procurava reinar sobre a Ásia, colocar a coroa sobre si e estender a mão contra o rei Antíoco.
40Daar hij echter vreesde dat Jonatan dit niet zou toelaten en hem zou tegenwerken, zocht hij naar een middel, om hem gevangen te nemen en te doden. Hij rukte dus uit, en ging naar Bet-Sjan.
40Temia, porém, que Jônatas não permitisse isso e lutasse contra ele. Por isso procurou uma maneira de prendê-lo e matá-lo. Então partiu e foi a Bete-Seã.
41Maar Jonatan trok met veertigduizend krijgshaftige soldaten tegen hem op, en bereikte Bet-Sjan eveneens.
41Jônatas saiu ao encontro dele com quarenta mil homens escolhidos para a batalha e chegou a Bete-Seã.
42Toen Trúfon zag, dat hij met een groot leger gekomen was, schrok hij ervoor terug, zich aan hem te vergrijpen.
42Quando Trifão viu que ele havia chegado com um grande exército, teve medo de estender a mão contra ele.
43Daarna ontving hij hem met hoge eerbewijzen, stelde hem voor aan al zijn vertrouwelingen, gaf hem geschenken, en beval zijn vertrouwelingen en zijn troepen, Jonatan te gehoorzamen juist als hemzelf.
43Recebeu-o com honra, apresentou-o a todos os seus amigos, deu-lhe presentes e ordenou às suas tropas que lhe obedecessem como obedeciam a ele próprio.
44Daarna sprak hij tot Jonatan: Waarom hebt ge heel dit leger afgetobd, daar we toch geen van beiden het plan hebben, oorlog te maken?
44Disse a Jônatas: “Por que você fez todo este povo passar por tamanho trabalho, se não há guerra entre nós?
45Stuur ze naar huis terug en kies u een paar mannen uit, om u te begeleiden, en ga met mij mee naar Ptolemáis. Daar zal ik de stad met de andere vestingen, de overige troepen en alle ambtenaren aan u overdragen. Dan trek ik mij terug en ga weg; want daarvoor alleen ben ik gekomen.
45Agora mande-os de volta para suas casas. Escolha apenas alguns homens para acompanhá-lo e venha comigo a Ptolemaida. Eu lhe entregarei a cidade, as demais fortalezas, as outras tropas e todos os oficiais do rei. Depois voltarei e partirei, pois foi para isso que vim.”
46Jonatan vertrouwde hem en deed, wat hij hem had gezegd. Hij zond de troepen weg, die naar het land Juda teruggingen.
46Jônatas confiou nele e fez conforme ele disse. Dispensou suas tropas, e elas voltaram para a terra de Judá.
47Slechts drieduizend man hield hij bij zich, waarvan hij er nog tweeduizend naar Galilea zond, zodat er slechts duizend met hem meegingen.
47Conservou consigo três mil homens, dos quais deixou dois mil na Galileia; mil seguiram com ele.
48Maar nauwelijks was Jonatan in Ptolemáis aangekomen, of de inwoners sloten de poorten, namen hem gevangen en joegen al zijn begeleiders over de kling.
48Assim que Jônatas entrou em Ptolemaida, os habitantes da cidade fecharam os portões e o prenderam. Todos os que entraram com ele foram mortos pela espada.
49Bovendien zond Trúfon voetvolk en ruiters naar Galilea en naar de grote vlakte, om de gehele aanhang van Jonatan uit de weg te ruimen.
49Trifão enviou tropas e cavalaria à Galileia e à Grande Planície para destruir todos os homens de Jônatas.
50Daar dezen echter hadden vernomen dat Jonatan en de zijnen zouden gevangen genomen zijn en vermoord, hitsten zij elkander op, en rukten in gesloten gelederen vooruit, gereed om te vechten.
50Estes perceberam que Jônatas havia sido preso e que ele e os que estavam com ele tinham perecido. Encorajaram-se uns aos outros e continuaram avançando juntos, muito próximos uns dos outros, preparados para lutar.
51Toen de achtervolgers dus zagen, dat zij op leven en dood wilden strijden, keerden ze terug.
51Quando os que os perseguiam viram que estavam prontos para lutar por sua vida, recuaram.
52Zo konden zij allen behouden het land Juda bereiken, waar zij, met grote angst in het hart, Jonatan en zijn mannen beweenden. Ook Israël hield een grote dodenklacht.
52Todos chegaram em paz à terra de Judá. Fizeram luto por Jônatas e pelos que estavam com ele e ficaram com muito medo. Todo Israel fez grande lamentação.
53Maar alle heidenen uit de omtrek stelden nu pogingen in het werk, om hen te verdelgen. Want ze zeiden: Ze hebben geen enkelen aanvoerder meer, die hen helpt. Nu moeten wij hen bestrijden, en zelfs hun nagedachtenis bij de mensen verdelgen.
53Então todos os gentios ao redor procuraram destruí-los completamente, pois diziam: “Eles não têm líder nem quem os ajude. Agora vamos lutar contra eles e apagar sua memória dentre os homens.”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.