Jezussirach 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1De wijsheid van Jesus Sirach. Eerste afdeling. De wijsheid in de practijk van het leven. Eerste reeks. De wijsheid en onze plichten jegens God en mensen. Inleiding. Het zedelijk karakter van de wijsheid. Alle wijsheid komt van den Heer, En bij Hem blijft zij tot in eeuwigheid.
1Toda sabedoria vem do Senhor e permanece com ele para sempre.
2Het zand van de zee, de druppels van de regen, En de dagen der eeuwen, wie kan ze tellen?
2Quem pode contar a areia dos mares, as gotas da chuva e os dias da eternidade?
3De hoogte des hemels, de breedte der aarde, En de diepte van de oceanen, wie zal ze doorgronden?
3Quem poderá sondar a altura do céu, a extensão da terra, as profundezas e a sabedoria?
4Maar vóór alle dingen werd de wijsheid geschapen, En van eeuwigheid bestaat de verstandige kennis.
4A sabedoria foi criada antes de todas as coisas, e o entendimento prudente existe desde a eternidade.
6De wortel der wijsheid, wien werd ze geopenbaard, En haar raadsbesluiten, wie kan ze kennen?
6A quem foi revelada a raiz da sabedoria? Quem conheceu seus planos perspicazes?
8Eén is er wijs, bovenmate vreeswekkend: De Heer, die op zijn troon is gezeten!
8Há um só que é sábio e muito temível, aquele que está sentado em seu trono: o Senhor.
9Hij heeft haar geschapen, gezien en geteld, Over al zijn werken haar uitgestort.
9Foi ele quem a criou. Ele a viu e a mediu. Derramou-a sobre todas as suas obras.
10Zij toeft dus bij allen, naar gelang Hij ze gaf; Hij deelt haar mee aan wie Hem beminnen.
10Ela está com toda a humanidade segundo o dom dele, e ele a concedeu generosamente aos que o amam.
11De vreze des Heren is eer en roem; Zij is blijdschap en een vreugdekrans.
11O temor do Senhor é glória e exultação, alegria e coroa de júbilo.
12De vreze des Heren verheugt het hart; Zij geeft blijdschap, vreugde en lengte van dagen.
12O temor do Senhor alegra o coração e dá contentamento, alegria e longa vida.
13Wie den Heer vreest, gaat het goed aan het einde; Op de dag van zijn dood zal hij genade vinden.
13Aquele que teme o Senhor terminará bem, e será abençoado no dia de sua morte.
14Het begin der wijsheid is den Heer te vrezen; Reeds vóór de geboorte wordt zij de vromen ingeschapen.
14Temer o Senhor é o princípio da sabedoria. Ela foi criada com os fiéis desde o ventre.
15Bij de mensen heeft zij een eeuwige woonstee gevestigd, En zich toevertrouwd aan hun geslacht.
15Ela estabeleceu entre os homens um fundamento eterno e será digna de confiança entre seus descendentes.
16De volheid der wijsheid is den Heer te vrezen, En dronken maakt zij met haar vruchten.
16Temer o Senhor é a plenitude da sabedoria. Ela os embriaga com seus frutos.
17Heel haar huis vult zij op met haar schatten, En haar voorraadschuren met haar vruchten.
17Encherá toda a casa deles de coisas desejáveis e seus depósitos com sua produção.
18De kroon der wijsheid is de vreze des Heren; Zij laat vrede bloeien en blakende welstand.
18O temor do Senhor é a coroa da sabedoria, fazendo florescer a paz e a saúde perfeita.
19Zij doet kennis en verstandig inzicht stromen, En brengt, die haar trouw blijven, hoog in ere.
19Ele a viu e a mediu. Fez chover habilidade e conhecimento de entendimento e exaltou a honra dos que se apegam a ela.
20De wortel der wijsheid is den Heer te vrezen, En haar takken zijn lengte van dagen.
20Temer o Senhor é a raiz da sabedoria. Seus ramos são longa vida.
21De vreze des Heren houdt de zonde verre; Wie daaraan vasthoudt, wendt de gramschap af.
no verse 21 in this text
22Wie ten onrechte toornig wordt, krijgt geen gelijk; Want de onstuimigheid van zijn toorn brengt hem ten val.
22A ira injusta jamais pode ser justificada, pois sua própria ira faz pender a balança para sua queda.
23Maar de lankmoedige wacht, tot zijn tijd is gekomen; En daarna wordt blijdschap zijn deel.
23O homem paciente resistirá por algum tempo, e depois a alegria brotará para ele.
24Tot het goede ogenblik houdt hij zijn woorden in; Daarom loven de lippen der braven zijn doorzicht.
24Ele guardará suas palavras até o momento oportuno, e os lábios de muitos falarão de seu entendimento.
25In de schatten der wijsheid zijn wijze spreuken; Maar voor den zondaar is godsvrucht een gruwel.
25Um provérbio sábio está entre os tesouros da sabedoria, mas a piedade é abominação para o pecador.
26Begeert ge dus wijsheid, onderhoud de geboden; En de Heer zal ze u schenken.
26Se você deseja sabedoria, guarde os mandamentos, e o Senhor a dará generosamente a você.
27Want wijsheid en tucht zijn de vreze des Heren; Trouw en deemoed vinden zijn welbehagen.
27Pois o temor do Senhor é sabedoria e instrução, e a fé e a humildade são agradáveis a ele.
28Wees dus niet ongehoorzaam aan de vreze des Heren, En treed haar niet tegen met een weifelend hart.
28Não desobedeça ao temor do Senhor nem se aproxime dele com o coração dividido.
29Huichel ook niet tegenover de mensen, Maar geef acht op uw lippen;
29Não seja hipócrita diante das pessoas e vigie seus lábios.
30Verhef u niet, opdat ge niet valt, En geen schande brengt over uzelf. Want de Heer zal uw geheimen onthullen, En in de kring der gemeente u doen vallen, Omdat ge niet wandelt naar de vreze des Heren, En uw hart vol bedrog is.
30Não se exalte, para que não caia e traga desonra sobre si mesmo. O Senhor revelará seus segredos e o derrubará no meio da assembleia, porque você não se aproximou com temor do Senhor e seu coração estava cheio de engano.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.