Jezussirach 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1De wijsheid van een arme verheft zijn hoofd, En geeft hem een plaats onder de vorsten.
1A sabedoria do humilde levantará sua cabeça e o fará sentar-se entre os grandes.
2Wil dus niemand prijzen om zijn schone gestalte, En niemand minachten om zijn uiterlijk.
2Não elogie alguém por sua boa aparência nem despreze uma pessoa por seu aspecto exterior.
3De bij is maar nietig onder al wat er vliegt, Maar wat zij voortbrengt, overtreft al het andere.
3A abelha é pequena entre as criaturas que voam, mas o que ela produz é o melhor dos doces.
4Spot dus niet met het kleed van een stakker, En lach niet om iemand in kwade doen; Want wonderbaar zijn de werken des Heren, En zijn beschikkingen zijn voor de mensen verborgen.
4Não se vanglorie das roupas que veste nem se exalte no dia em que for honrado, pois as obras do Senhor são maravilhosas, e suas obras permanecem ocultas entre os homens.
5Misdeelden bestegen dikwijls de troon, En aan wien niemand dacht, verwierf de kroon;
5Muitos reis já se sentaram no chão, mas alguém em quem ninguém pensava chegou a usar uma coroa.
6Maar vele aanzienlijken kwamen ten val, En machtigen vielen het ongeluk ten prooi.
6Muitos homens poderosos foram grandemente desonrados, e homens famosos foram entregues nas mãos de outros.
7Verwerp dus niet, eer ge hebt onderzocht: Eerst onderzoeken en dan verwerpen!
7Não condene antes de investigar. Primeiro compreenda; depois, repreenda.
8Mijn zoon, geef geen antwoord, vóór ge hebt geluisterd, En val den spreker niet in de rede;
8Não responda antes de ouvir nem interrompa enquanto outra pessoa estiver falando.
9Gaat de zaak u niet aan, twist er niet om, En bemoei u niet met de ruzie der bozen.
9Não discuta sobre assunto que não lhe diz respeito nem se sente com pecadores quando eles julgarem.
10Mijn zoon, waarom zoudt ge uw zaken vermeerderen; Want niet zonder schade breidt ge ze uit. Hoe meer ge u haast, hoe minder ge slaagt; En hoe meer ge zoekt, hoe minder ge vindt.
10Meu filho, não se ocupe com coisas demais, pois, se se intrometer em muitas, não ficará sem consequências. Se correr atrás delas, não as alcançará, e, se fugir, não escapará.
11Soms tobt men zich af, men zwoegt en men ijlt, En toch bereikt men geen doel.
11Há quem trabalhe, se esforce e tenha pressa e, mesmo assim, fique cada vez mais para trás.
12Daarnaast staat een tobber, een stakker, Zonder kracht, en door en door arm;
12Há quem seja lento e precise de ajuda, sem forças e cercado de pobreza; mas os olhos do Senhor o contemplam para o bem, e ele o levanta de sua condição humilde,
13Maar Jahweh ziet genadig hem aan, En schudt het stof en het vuil van hem af; Hij richt zijn hoofd op en heft hem omhoog, En velen staren met verbazing hem aan.
13ergue sua cabeça, e muitos ficam admirados com ele.
14Goed en kwaad, leven en dood, Armoe en rijkdom komen van Jahweh!.
14O bem e o mal, a vida e a morte, a pobreza e a riqueza vêm do Senhor.
16In duisternis dwalen is het lot van de zondaars, Wie kwaad doen, bij hen blijft het kwaad;
no verse 16 in this text
17Maar zegen des Heren blijft het deel der gerechten, Zijn genade geeft hun altijd geluk.
17O dom do Senhor permanece com o piedoso, e seu favor fará prosperar para sempre.
18Soms wordt iemand rijk door heel veel zwoegen, En dit is het loon, dat hij krijgt:
18Alguém enriquece por sua diligência e austeridade, e esta é a porção de sua recompensa:
19Eens denkt hij: Rust wil ik vinden; Nu ga ik genieten van mijn bezit. Maar hij weet niet, wat hem gaat overkomen; Hij laat het anderen achter, en sterft.
19quando diz: “Encontrei descanso, e agora desfrutarei de meus bens”, não sabe quanto tempo passará até que os deixe para outros e morra.
20Mijn zoon, volbreng standvastig uw plicht, Zodat ge vergrijst in uw werk.
20Permaneça firme em sua aliança e ocupe-se dela, e envelheça em seu trabalho.
21Verwonder u niet over de zondaars; Vertrouw op Jahweh en wacht op zijn licht! Want gemakkelijk is het in de ogen van Jahweh, Plotseling den arme rijk te maken.
21Não fique admirado com as obras de um pecador, mas confie no Senhor e permaneça em seu trabalho, pois é fácil aos olhos do Senhor enriquecer um pobre rápida e repentinamente.
22De zegen Gods is het loon van den rechtvaardige; Te zijner tijd ontluikt zijn hoop.
22A bênção do Senhor está na recompensa do piedoso, e ele faz sua bênção florescer numa hora repentina.
23Denk niet: Wat heb ik nog nodig; Ik doe, wat ik wil; wat wens ik nog meer?
23Não diga: “Que utilidade tenho? Que outros bens ainda posso receber?”
24Denk niet: Ik heb toch genoeg; Welk ongeluk kan mij nog treffen?
24Não diga: “Tenho o suficiente. Que mal poderia me acontecer agora?”
25Op de dag van geluk vergeet men het ongeluk; Op de dag van ongeluk denkt men niet meer aan geluk.
25No dia dos bens, os males são esquecidos; no dia dos males, ninguém se lembra dos bens.
26Want gemakkelijk is het voor Jahweh, Den mens nog op zijn sterfdag zijn gedrag te vergelden.
26Pois é fácil aos olhos do Senhor retribuir a uma pessoa no dia de sua morte conforme seus caminhos.
27De tijd van ongeluk doet de vreugde vergeten, En 's mensen einde openbaart, wat hij is.
27A aflição de uma hora faz esquecer os prazeres, e, no fim, as obras de uma pessoa são reveladas.
28Vóór de dood dus niemand gelukkig prijzen, Eerst aan zijn einde erkent men den mens.
28Não chame ninguém de feliz antes de sua morte. Uma pessoa será conhecida por seus filhos.
29Haal niet iedereen in uw huis; Want vaak wordt een misdaad gepleegd door zwervers.
29Não leve qualquer pessoa para dentro de sua casa, pois muitas são as artimanhas do enganador.
30Als een lokvogel in een kooi is het hart van den trotse, Als een spion, die het zwakke punt verkent;
30Como uma perdiz usada de chamariz numa gaiola, assim é o coração do orgulhoso; como um espião, ele procura sua fraqueza.
31Door laster verdraait hij het goede tot kwaad, En sticht hij tweespalt onder uw vrienden.
31Fica à espreita para transformar o bem em mal e atribui culpa até ao que é digno de louvor.
32Zoals uit een vonk veel vlammen laaien, Zo loert het Belialskind op bloed.
32De uma só faísca acende-se um monte de brasas, e o pecador fica à espreita para derramar sangue.
33Ontwijk dus den kwade, want kwaad brengt hij voort; Waarom zoudt ge een blijvende smet op u laden?
33Tenha cuidado com o malfeitor, pois ele planeja coisas perversas, para que não destrua sua reputação para sempre.
34Ga niet om met den boze, want hij bederft uw gedrag, En maakt u afkerig van uw plicht.
34Receba um estranho em sua casa, e ele o perturbará com discussões e o afastará de sua própria família.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.