Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Wie zijn zoon liefheeft, gewent hem aan de roede, Om ten slotte vreugde aan hem te beleven.
1Quem ama seu filho continuará a discipliná-lo com a vara, para no fim alegrar-se com ele.
2Wie zijn zoon goed opvoedt, wordt om hem geprezen, En in de kring van bekenden kan hij groot op hem gaan.
2Quem disciplina seu filho terá proveito dele e se orgulhará dele entre seus conhecidos.
3Wie zijn zoon onderricht, maakt zijn vijand jaloers, En kan zich bij zijn vrienden over hem verheugen.
3Quem ensina seu filho provocará inveja em seu inimigo e se alegrará por ele diante dos amigos.
4Sterft zijn vader, het is alsof hij niet dood is; Want hij laat zijn evenbeeld achter.
4Seu pai morre, mas é como se não tivesse morrido, pois deixou alguém semelhante a si mesmo.
5Bij zijn leven zag hij het met vreugde, En bij zijn einde heeft hij geen kommer;
5Enquanto vivia, viu seu filho e se alegrou; quando morreu, não teve pesar.
6Want den vijand laat hij een wreker na, En de vrienden een, die hun goedheid vergeldt.
6Deixou atrás de si alguém que se vingará de seus inimigos e retribuirá a bondade aos amigos.
7Wie zijn zoon vertroetelt, verdubbelt zijn smart; Want bij ieder geschrei wordt zijn hart ontsteld.
7Quem mima demais o filho acabará cuidando de suas feridas, e seu coração ficará perturbado a cada grito.
8Een ongebreideld paard slaat op hol; Zo gaat een teugelloze zoon er van door.
8Um cavalo não domado se torna teimoso, e um filho sem disciplina se torna obstinado.
9Vertroetel uw kind, en het maakt u benauwd; Scherts er mee, en het doet u pijn.
9Mime seu filho, e ele fará você ter medo; brinque demais com ele, e ele lhe causará tristeza.
10Lach het niet toe, anders doet het u wenen, En ge maakt ten slotte uw tanden stomp.
10Não ria com ele, para que depois você não chore por causa dele e no fim tenha de ranger os dentes.
11Laat het geen baas zijn in zijn jeugd, En duld zijn gebreken niet; Zoals ge een adder de kop verplet, Breek het de ribben, als het nog klein is.
11Não lhe dê liberdade na juventude nem ignore suas tolices.
12Buig zijn nek in zijn jeugd, En kastijd het, zolang het nog klein is; Anders komt het in opstand en verzet tegen u, En berokkent u hartzeer.
12Curve seu pescoço enquanto ele é jovem e bata em seus lados enquanto ainda é criança, para que não se torne obstinado e desobediente a você e traga tristeza à sua alma.
13Tuchtig uw kind en verzwaar zijn juk; Anders wordt het u in zijn dwaasheid de baas.
13Discipline seu filho e dê-lhe trabalho, para que seu comportamento sem vergonha não seja motivo de ofensa para você.
14Beter een arme, die gezond is van leden, Dan een rijke, geslagen met ziekte;
14Melhor é o pobre saudável e forte do que o rico afligido no corpo.
15Gezondheid van lichaam is mij liever dan goud, En opgewektheid van geest is beter dan paarlen.
15Saúde e vigor valem mais do que todo o ouro, e um corpo forte, mais do que riqueza sem medida.
16Geen schat is groter dan een sterke gezondheid, Geen goed meer waard dan blijheid van hart;
16Não há riqueza melhor do que a saúde do corpo nem alegria maior do que a alegria do coração.
17Beter de dood dan een bitter leven, Beter eeuwige rust dan voortdurend leed.
17A morte é melhor do que uma vida amarga, e o descanso eterno, melhor do que uma doença contínua.
18Lekkernijen, opgediend aan een gesloten mond, Zijn als spijzen, neergezet voor een afgodsbeeld.
18Coisas boas derramadas diante de uma boca fechada são como ofertas de alimento colocadas sobre um túmulo.
19Wat heeft een afgodsbeeld aan een offer; Het kan immers niet eten of ruiken. Zo is ook hij, die door den Heer wordt gestraft, En rijkdom bezit, zonder ervan te kunnen genieten:
19De que serve uma oferta a um ídolo? Ele não pode comer nem sentir cheiro. Assim é aquele que é castigado pelo Senhor,
20Hij ziet het met zijn ogen en steunt, Als een ontmande, die zuchtend een meisje omhelst.
20vendo com os olhos e gemendo, como um eunuco que abraça uma virgem e geme.
21Geef u niet over aan droefheid, Opdat ge door uw tobben niet te gronde gaat;
21Não entregue sua alma à tristeza nem aflija a si mesmo deliberadamente.
22Want blijheid van hart is 's mensen leven, En vreugde maakt zijn dagen lang.
22A alegria do coração é a vida de uma pessoa, e o bom ânimo prolonga seus dias.
23Houd kalm uw ziel en rustig uw hart, En jaag alle neerslachtigheid verre van u; Want droefheid is voor velen de dood geweest, En neerslachtigheid dient tot niets.
23Ame sua própria alma e console seu coração. Afaste de você a tristeza, pois ela destruiu muitos e não há proveito nela.
24Nijd en gramschap verkorten het leven, En zorg maakt oud voor de tijd; De slaap van een opgeruimd mens is als een lekkernij En zijn eten bekomt hem goed.
24A inveja e a ira encurtam a vida, e a ansiedade traz a velhice antes do tempo.
no verse 25 in this text
25Quem tem o coração alegre e bem disposto aproveitará melhor sua comida.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.