Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Verblijd u niet om de schoonheid van knapen, die niet deugen, En verheug u niet over goddeloze kinderen;
1Não deseje ter muitos filhos inúteis nem se alegre com filhos ímpios.
2Al gedijen ze ook, schep er geen vreugde in, Als zij de vreze des Heren niet hebben.
2Ainda que se multipliquem, não se alegre com eles se não houver neles o temor do Senhor.
3Heb geen verwachtingen van hun leven, En stel geen vertrouwen in hun toekomst; Want één, die Gods wil doet, is meer waard dan duizend, Beter kinderloos sterven, dan veel slechte kinderen.
3Não confie na vida deles nem dependa de seu número, pois um só pode ser melhor que mil, e é melhor morrer sem filhos do que ter filhos ímpios.
4Door één godvrezende blijft een stad bewoond; Maar door een geslacht van zondaars gaat ze te gronde.
4Pois por meio de um homem de entendimento uma cidade será povoada, mas uma raça de perversos será devastada.
5Meer dergelijke dingen hebben mijn ogen gezien, Nog sterker gevallen vernamen mijn oren:
5Vi muitas coisas assim com meus próprios olhos, e meus ouvidos ouviram coisas ainda maiores.
6In de bende der bozen ontvlamde het vuur. In het goddeloze volk ontbrandde de toorn;
6Numa assembleia de pecadores, acende-se um fogo; numa nação desobediente, acende-se a ira.
7Hij schonk geen vergiffenis aan de reuzen der oudheid, Die de wereld beroerden door hun kracht.
7Ele não se deixou aplacar pelos antigos gigantes, que se rebelaram confiando em sua força.
8De medeburgers van Lot heeft Hij niet gespaard, Toen zij Hem tartten door hun overmoed;
8Não poupou os vizinhos de Ló, a quem detestou por causa de seu orgulho.
9Evenmin de volkeren, door de banvloek getroffen, Maar om hun zonden dreef Hij ze weg.
9Não teve pena do povo destinado à destruição, que foi levado por causa de seus pecados,
10Zo ook de zeshonderdduizend man voetvolk, Die werden verdelgd om de verstoktheid huns harten.
10nem dos seiscentos mil soldados de infantaria, que se reuniram na dureza de seu coração.
11Ja, al bleef er maar één hardnekkig, Wonder, als hij niet zou worden gestraft. Want bij Hem is erbarming, maar ook gramschap; Hij spaart en vergeeft, maar stort op de bozen zijn toorn.
11Ainda que exista uma só pessoa obstinada, seria surpreendente se permanecesse sem castigo, pois misericórdia e ira pertencem àquele que é poderoso para perdoar e também derrama ira.
12Zo groot zijn ontferming, zo groot ook zijn straffen; Hij oordeelt eenieder volgens zijn werken.
12Assim como sua misericórdia é grande, também é grande sua correção; ele julga cada pessoa segundo suas obras.
13De boze zal met zijn bezit niet ontkomen; Maar de hoop van de goeden zal Hij nimmer beschamen.
13O pecador não escapará com seu saque, e a perseverança do piedoso não será frustrada.
14Ieder, die gerechtigheid doet, zal worden beloond; Iedere mens ontvangt van Hem naar zijn werken.
14Ele dará lugar a toda obra de misericórdia, e cada pessoa receberá segundo suas obras.
17Denk niet: Ik ben voor God verborgen; Wie in den hoge denkt er aan mij? Onder zo'n grote massa word ik niet bemerkt; Wat ben ik onder zo vele mensen?
17Não diga: “Ficarei escondido do Senhor”, nem: “Quem se lembrará de mim lá do alto?” Não serei notado entre tanta gente; afinal, o que é minha alma numa criação sem limites?
18Zie, hemel en hemel der hemelen, afgrond en aarde, Zij beven, als Hij er op neerziet;
18Eis que o céu, o céu dos céus, as profundezas e a terra serão abalados quando ele os visitar.
19De grondslagen der bergen, de fundamenten der aarde, Zij sidderen, als Hij ze beschouwt.
19As montanhas e os fundamentos da terra tremem juntos quando ele olha para eles.
20En toch schenkt Hij geen aandacht aan mij; Wie zou er letten op mijn wegen?
20Nenhum coração refletirá plenamente sobre essas coisas. Quem poderia compreender seus caminhos?
21Als ik zondig, geen oog dat het ziet; Als ik lieg in het diepste geheim, wie weet het?
21Como uma tempestade que ninguém consegue ver, assim a maior parte de suas obras está escondida.
22Een goede daad, wie maakt ze bekend; Wat heb ik te hopen, al doe ik mijn plicht?
22Quem anunciará suas obras de justiça? Quem esperará por elas? Pois sua aliança está distante.
23Stompzinnigen zijn het, die zo denken; Alleen een dwaas kan zo spreken!
23Quem não tem entendimento pensa nessas coisas; o insensato e desviado pensa de maneira tola.
24Luistert naar mij en verneemt mijn wijsheid, Schenkt aandacht aan mijn woorden;
24Meu filho, ouça-me, aprenda conhecimento e dê atenção às minhas palavras com o coração.
25Na diep gepeins zal ik mijn geest laten sprankelen, Met bescheidenheid mijn kennis verkonden.
25Transmitirei instrução com precisão e apresentarei o conhecimento com exatidão.
26Toen God in den beginne zijn werken schiep, En volgens hun taak hun een plaats bereidde,
26Desde o princípio, as obras do Senhor existem segundo seu juízo; desde que as criou, ele determinou seus limites.
27Heeft Hij voor immer hun werk geordend, Voor altijd hun gebied vastgesteld. Ze worden niet hongerig en lijden geen dorst, En houden niet op met hun werk;
27Ordenou suas obras para todos os tempos e seus princípios para suas respectivas gerações. Elas não sentem fome nem cansaço e não cessam de cumprir sua tarefa.
28Er is er niet één, die den ander verdringt,
28Nenhuma empurra sua vizinha, e jamais desobedecem à sua palavra.
29Nooit zijn ze aan zijn woord ongehoorzaam.
29Depois disso, o Senhor olhou para a terra e a encheu de suas bênçãos.
30Toen blikte de Heer op de aarde neder, En vervulde haar met zijn gaven;
30Todo tipo de ser vivo cobriu sua superfície, e todos voltam para ela.
31Hij heeft haar met allerlei levende wezens bedekt, Die eens tot haar zullen terugkeren.
no verse 31 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.