Jezussirach 43
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1De grootste luister is het firmament in zijn klaarheid, De gedaante des hemels verkondigt zijn glorie.
1O orgulho das alturas celestes é o céu límpido, e a aparência do céu é um espetáculo de glória.
2De zon straalt haar gloed uit bij haar opgang; Hoe wonderbaar is het werk van Jahweh!
2O sol, quando aparece, anuncia ao nascer que é um instrumento maravilhoso, obra do Altíssimo.
3's Middags doet zij de aardkorst branden; Wie is er dan tegen haar hitte bestand?
3Ao meio-dia, resseca a terra. Quem pode resistir ao seu calor abrasador?
4Zoals de laaiende oven het erts doet gloeien, Zet de zon op haar tocht de bergen in brand; De stralen der zon verzengen het land, En door haar licht wordt het oog verblind.
4O homem que cuida de uma fornalha trabalha sob calor intenso, mas o sol aquece três vezes mais, queimando as montanhas, exalando vapores de fogo e emitindo raios brilhantes que cegam os olhos.
5Hoe groot is Jahweh, die dat schiep, En door zijn woord zijn helden leidt!
5Grande é o Senhor que o fez; por sua palavra, ele acelera seu curso.
6Ook de maan straalt haar licht op geregelde tijden, Als een blijvend teken geeft zij de tijdsduur aan;
6A lua marca a mudança das estações, anuncia os tempos e serve de sinal para o mundo.
7Zij bepaalt de feesten en vaste dagen, Als een lieflijk licht doorloopt zij haar baan.
7Pela lua se determina o sinal das festas; sua luz diminui depois de completar seu ciclo.
8Iedere maand begint zij opnieuw; Hoe indrukwekkend haar wisseling! Een legerstandaard in de wolken daarboven; Zij overdekt het firmament met haar glans.
8O mês recebe seu nome dela, que cresce maravilhosamente em suas fases: instrumento do exército nas alturas, brilhando na estrutura do céu,
9De sterren zijn de pracht en de luister des hemels, Haar licht glanst in de hoogten Gods;
9beleza do céu, glória das estrelas, ornamento luminoso nas alturas do Senhor.
10Op Gods woord staan zij pal, En worden niet moe op hun post.
10À palavra do Santo, elas permanecem em sua ordem e não se cansam em suas vigílias.
11Beschouw de regenboog en loof zijn Schepper, Want heerlijk is hij in zijn luister;
11Olhe para o arco-íris e louve aquele que o fez; ele é extraordinariamente belo em seu brilho.
12Hij omvademt het hemelgewelf met zijn pracht, Het is Gods eigen hand, die hem spant.
12Circunda o céu com seu arco glorioso; as mãos do Altíssimo o estenderam.
13Zijn almacht slingert de bliksem, En schiet zijn straffende pijlen;
13Por sua ordem, ele faz cair a neve e envia rapidamente os relâmpagos de seu julgamento.
14Zijn bevel heeft de voorraadkamers geschapen, Waaruit de wolken vliegen als vogels.
14Por isso os depósitos se abrem, e as nuvens voam como pássaros.
15Door zijn grootheid maakt Hij de wolken hard, En brokkelen de hagelstenen zich er van af;
15Por seu grande poder, ele fortalece as nuvens, e as pedras de granizo são despedaçadas.
16De bergen sidderen door zijn kracht. De zuidenwind vliegt vol schrik voor Hem heen,
16Quando ele aparece, as montanhas tremem; por sua vontade, sopra o vento sul.
17De stem van zijn donder doet de aarde beven, Met de noordenwind, met storm en orkaan.
17A voz de seu trovão repreende a terra, assim como a tempestade do norte e o redemoinho. Como pássaros que descem voando, ele espalha a neve; ela cai como gafanhotos que pousam.
18Hij stuurt zijn sneeuw als een vogelzwerm, Als neerstrijkende sprinkhanen valt ze omlaag; Haar witte pracht verblindt het oog, En voor haar jachten beeft het hart.
18Os olhos ficam deslumbrados com a beleza de sua brancura, e o coração se admira enquanto ela cai.
19Ook strooit Hij de rijp uit, als was het zout, Zodat bloemen ontluiken als van saffier.
19Ele também derrama geada sobre a terra como sal; quando congela, forma pontas como espinhos.
20Hij laat de koude noordenwind blazen, Die het ijs doet stollen door zijn vorst; Elk watervlak wordt er mee bedekt, De vijver bekleed als met een pantser.
20Sopra o frio vento norte, e o gelo se forma sobre a água. Ele se assenta sobre cada reservatório de água, e a água o veste como uma couraça.
21Door droogte verbrandt Hij het gras op de bergen, En de groene landouwen als een vlam;
21Ele devora as montanhas, queima o deserto e consome a relva como fogo.
22Maar het druppelen der wolken brengt voor alles genezing, De dauw weer verkwikking na de brand.
22Uma neblina que chega depressa cura todas as coisas, e o orvalho que vem depois do calor traz alívio.
23Hij liet op zijn woord de zeespiegel dalen, En plaatste de eilanden in de oceaan.
23Por seu conselho, ele acalmou o abismo e nele plantou ilhas.
24Die de zee bezeilen, kunnen haar gevaren vertellen; Onze oren tuiten, als wij het horen:
24Os que navegam pelo mar contam seus perigos, e ficamos maravilhados quando ouvimos falar deles.
25Daar zijn gewrochten, de wonderbaarste onder zijn schepsels, Allerlei soort dieren en geweldige monsters;
25Ali também existem obras estranhas e maravilhosas: toda variedade de seres vivos e enormes criaturas do mar.
26Door Hem worden ze uitgezonden als boden, Die zijn wil volbrengen naar zijn bestel.
26Por causa dele, seus mensageiros têm êxito, e por sua palavra todas as coisas permanecem unidas.
27Wij willen er niets meer aan toevoegen; Want kort gezegd: Hij is alles!
27Poderíamos dizer muitas coisas e ainda não seria suficiente. O resumo de nossas palavras é: “Ele é tudo!”
28Prijzen wij Hem, wij doorgronden Hem niet; Want Hij gaat al zijn werken te boven.
28Como teríamos força para glorificá-lo? Pois ele é maior que todas as suas obras.
29Ontzagwekkend is Jahweh boven alle begrip, En wonderbaar zijn zijn daden.
29O Senhor é temível e extraordinariamente grande! Seu poder é maravilhoso!
30Wilt gij Jahweh loven, verheft dan uw stem, Zoveel gij kunt, want het is nooit genoeg! Schept steeds nieuwe kracht om te prijzen, En wordt niet moede, want gij benadert Hem niet.
30Glorifiquem o Senhor e exaltem-no tanto quanto puderem, pois ainda assim ele estará acima de tudo isso. Quando o exaltarem, empreguem toda a sua força. Não se cansem, pois jamais poderão louvá-lo suficientemente.
31Wie heeft Hem aanschouwd en kan Hem beschrijven; Wie zal Hem loven, zoals Hij is?
31Quem o viu para poder descrevê-lo? Quem pode engrandecê-lo como ele realmente é?
32Meer nog is er verborgen, dan wat ik noemde; Slechts weinig heb ik van zijn werken gezien.
32Muitas coisas maiores do que estas permanecem ocultas, pois vimos apenas poucas de suas obras.
33Jahweh heeft dit alles geschapen, En heeft aan de vromen wijsheid verleend.
33Pois o Senhor fez todas as coisas e deu sabedoria aos piedosos.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.