Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Mijn zoon, zijt ge besloten, den Heer te dienen. Bereid u dan voor op beproeving.
1Meu filho, se você vier servir ao Senhor, prepare sua alma para a provação.
2Wees sterk en standvastig, En blijf kalm in tijd van tegenspoed;
2Mantenha seu coração firme, persevere constantemente e não se precipite no tempo da calamidade.
3Blijf Hem trouw en val niet af, Opdat ge groot moogt zijn bij uw einde.
3Apegue-se a ele e não se afaste, para que você seja exaltado no fim.
4Neem alles aan wat u overkomt; Blijf geduldig bij de verschillende rampen.
4Aceite tudo o que vier sobre você e seja paciente quando sofrer humilhação.
5Want het goud wordt beproefd in het vuur, Godgevallige mensen in de oven van het lijden.
5Pois o ouro é provado no fogo, e os homens aceitáveis, na fornalha da humilhação.
6Blijf vertrouwen op Hem, Hij neemt u weer aan; Houd het rechte pad en blijf op Hem hopen.
6Confie nele, e ele o ajudará. Endireite seus caminhos e ponha nele sua esperança.
7Gij, die den Heer vreest, verbeidt zijn erbarmen, En wijkt niet af, opdat gij niet valt.
7Todos vocês que temem o Senhor, esperem por sua misericórdia. Não se desviem, para que não caiam.
8Gij, die den Heer vreest, blijft op Hem vertrouwen; En uw loon zal u niet ontgaan.
8Todos vocês que temem o Senhor, confiem nele, e sua recompensa não falhará.
9Gij, die den Heer vreest, hoopt op geluk. Op eeuwige vreugde en ontferming.
9Todos vocês que temem o Senhor, esperem coisas boas, alegria eterna e misericórdia.
10Schouwt naar de vroegere geslachten en ziet: Wie vertrouwde er op den Heer. en is te schande geworden; Wie volhardde in zijn vreze, en werd verlaten, Of wie riep Hem aan. en vond geen verhoring?
10Olhem para as gerações antigas e vejam: Quem confiou no Senhor e ficou envergonhado? Quem permaneceu em seu temor e foi abandonado? Quem clamou a ele e foi desprezado?
11Want genadig is de Heer en barmhartig; Hij vergeeft de zonden en redt ten tijde van nood.
11Pois o Senhor é cheio de compaixão e misericórdia. Ele perdoa os pecados e salva no tempo da aflição.
12Maar wee de weifelende harten en slappe handen; Wee den zondaar, die op twee wegen gaat.
12Ai dos corações medrosos, das mãos enfraquecidas e do pecador que anda por dois caminhos!
13Wee het bange hart, dat geen vertrouwen meer heeft, En daarom geen beschutting zal vinden.
13Ai do coração covarde, porque não crê! Por isso não será protegido.
14Wee u, die het geduld hebt verloren; Want wat zult gij doen, als de Heer komt met bezoeking?
14Ai de vocês que perderam a perseverança! O que farão quando o Senhor os visitar?
15Die den Heer vrezen, onderhouden zijn geboden; En die Hem lief hebben, bewaren zijn wegen.
15Os que temem o Senhor não desobedecerão às suas palavras. Os que o amam guardarão seus caminhos.
16Die den Heer vrezen, zoeken zijn welbehagen; En die Hem beminnen, zijn vol van zijn Wet.
16Os que temem o Senhor procurarão aquilo que lhe agrada. Os que o amam serão cheios da Lei.
17Die den Heer vrezen, houden hun harten bereid, En vernederen zich voor zijn aanschijn.
17Os que temem o Senhor prepararão o coração e humilharão sua alma diante dele.
18Vallen we dus liever in de handen des Heren, Dan in de handen der mensen; Want zo groot zijn heerlijkheid is, Zo groot is ook zijn ontferming!
18Caiamos nas mãos do Senhor, e não nas mãos dos homens, pois, assim como é sua majestade, assim também é sua misericórdia.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.