Jezussirach 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Mijn zoon, zijt ge besloten, den Heer te dienen. Bereid u dan voor op beproeving.
1ΤΕΚΝΟΝ, εἰ προσέρχῃ δουλεύειν Κυρίῳ Θεῷ, ἑτοίμασον τὴν ψυχήν σου εἰς πειρασμόν·
2Wees sterk en standvastig, En blijf kalm in tijd van tegenspoed;
2εὔθυνον τὴν καρδίαν σου καὶ καρτέρησον καὶ μὴ σπεύσῃς ἐν καιρῷ ἐπαγωγῆς·
3Blijf Hem trouw en val niet af, Opdat ge groot moogt zijn bij uw einde.
3κολλήθητι αὐτῷ καὶ μὴ ἀποστῇς, ἵνα αὐξηθῇς ἐπ᾿ ἐσχάτων σου.
4Neem alles aan wat u overkomt; Blijf geduldig bij de verschillende rampen.
4πᾶν ὃ ἐὰν ἐπαχθῇ σοι, δέξαι καὶ ἐν ἀλλάγμασι ταπεινώσεώς σου μακροθύμησον·
5Want het goud wordt beproefd in het vuur, Godgevallige mensen in de oven van het lijden.
5ὅτι ἐν πυρὶ δοκιμάζεται χρυσὸς καὶ ἄνθρωποι δεκτοὶ ἐν καμίνῳ ταπεινώσεως.
6Blijf vertrouwen op Hem, Hij neemt u weer aan; Houd het rechte pad en blijf op Hem hopen.
6πίστευσον αὐτῷ, καὶ ἀντιλήψεταί σου· εὔθυνον τὰς ὁδούς σου καὶ ἔλπισον ἐπ᾿ αὐτόν.
7Gij, die den Heer vreest, verbeidt zijn erbarmen, En wijkt niet af, opdat gij niet valt.
7οἱ φοβούμενοι τὸν Κύριον ἀναμείνατε τὸ ἔλεος αὐτοῦ καὶ μὴ ἐκκλίνητε, ἵνα μὴ πέσητε.
8Gij, die den Heer vreest, blijft op Hem vertrouwen; En uw loon zal u niet ontgaan.
8οἱ φοβούμενοι Κύριον πιστεύσατε αὐτῷ, καὶ οὐ μὴ πταίσῃ ὁ μισθὸς ὑμῶν.
9Gij, die den Heer vreest, hoopt op geluk. Op eeuwige vreugde en ontferming.
9οἱ φοβούμενοι Κύριον ἐλπίσατε εἰς ἀγαθὰ καὶ εἰς εὐφροσύνην αἰῶνος καὶ ἐλέους.
10Schouwt naar de vroegere geslachten en ziet: Wie vertrouwde er op den Heer. en is te schande geworden; Wie volhardde in zijn vreze, en werd verlaten, Of wie riep Hem aan. en vond geen verhoring?
10ἐμβλέψατε εἰς ἀρχαίας γενεὰς καὶ ἴδετε· τίς ἐνεπίστευσε Κυρίῳ καὶ κατῃσχύνθη; ἢ τίς ἐνέμεινε τῷ φόβῳ αὐτοῦ καὶ ἐγκατελείφθη; ἢ τίς ἐπεκαλέσατο αὐτόν, καὶ ὑπερεῖδεν αὐτόν;
11Want genadig is de Heer en barmhartig; Hij vergeeft de zonden en redt ten tijde van nood.
11διότι οἰκτίρμων καὶ ἐλεήμων ὁ Κύριος καὶ ἀφίησιν ἁμαρτίας καὶ σώζει ἐν καιρῷ θλίψεως.
12Maar wee de weifelende harten en slappe handen; Wee den zondaar, die op twee wegen gaat.
12οὐαὶ καρδίαις δειλαῖς καὶ χερσὶ παρειμέναις καὶ ἁμαρτωλῷ ἐπιβαίνοντι ἐπὶ δύο τρίβους.
13Wee het bange hart, dat geen vertrouwen meer heeft, En daarom geen beschutting zal vinden.
13οὐαὶ καρδίᾳ παρειμένῃ, ὅτι οὐ πιστεύει· διὰ τοῦτο οὐ σκεπασθήσεται.
14Wee u, die het geduld hebt verloren; Want wat zult gij doen, als de Heer komt met bezoeking?
14οὐαὶ ὑμῖν τοῖς ἀπολωλεκόσι τὴν ὑπομονήν· καὶ τί ποιήσετε ὅταν ἐπισκέπτηται ὁ Κύριος;
15Die den Heer vrezen, onderhouden zijn geboden; En die Hem lief hebben, bewaren zijn wegen.
15οἱ φοβούμενοι Κύριον οὐκ ἀπειθήσουσι ρημάτων αὐτοῦ, καὶ οἱ ἀγαπῶντες αὐτὸν συντηρήσουσι τὰς ὁδοὺς αὐτοῦ.
16Die den Heer vrezen, zoeken zijn welbehagen; En die Hem beminnen, zijn vol van zijn Wet.
16οἱ φοβούμενοι κύριον ζητήσουσιν εὐδοκίαν αὐτοῦ, καὶ οἱ ἀγαπῶντες αὐτὸν ἐμπλησθήσονται τοῦ νόμου.
17Die den Heer vrezen, houden hun harten bereid, En vernederen zich voor zijn aanschijn.
17οἱ φοβούμενοι Κύριον ἑτοιμάσουσι καρδίας αὐτῶν καὶ ἐνώπιον αὐτοῦ ταπεινώσουσι τὰς ψυχὰς αὐτῶν.
18Vallen we dus liever in de handen des Heren, Dan in de handen der mensen; Want zo groot zijn heerlijkheid is, Zo groot is ook zijn ontferming!
18ἐμπεσούμεθα εἰς χεῖρας Κυρίου καὶ οὐκ εἰς χεῖρας ἀνθρώπων· ὡς γὰρ ἡ μεγαλωσύνη αὐτοῦ, οὕτως καὶ τὸ ἔλεος αὐτοῦ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.