Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Om geld hebben velen gezondigd, Want wie rijk wil worden, doet een oogje toe.
1ΧΑΡΙΝ διαφόρου πολλοὶ ἥμαρτον, καὶ ὁ ζητῶν πληθῦναι ἀποστρέψει ὀφθαλμόν.
2Zoals men een pin slaat tussen de voegen der stenen, Zo wringt de zonde zich vast tussen koop en verkoop.
2ἀναμέσον ἁρμῶν λίθων παγήσεται πάσσαλος, καὶ ἀναμέσον πράσεως καὶ ἀγορασμοῦ συντριβήσεται ἁμαρτία.
3Houdt iemand zich niet nauwgezet aan de vreze des Heren, Dan gaat zijn huis weldra te gronde.
3ἐὰν μὴ ἐν φόβῳ Κυρίου κρατήσῃ κατὰ σπουδήν, ἐν τάχει καταστραφήσεται αὐτοῦ ὁ οἶκος.
4Schudt men de zeef, dan blijft het kaf; Zo 's mensen fouten, als men hem nader beschouwt.
4Ἐν σείσματι κοσκίνου διαμένει κοπρία, οὕτως σκύβαλα ἀνθρώπου ἐν λογισμῷ αὐτοῦ.
5Het werk van den pottenbakker wordt beproefd in de oven; Zo beproeft men een mens door een gesprek.
5σκεύη κεραμέως δοκιμάζει κάμινος, καὶ πειρασμὸς ἀνθρώπου ἐν διαλογισμῷ αὐτοῦ.
6Aan de vrucht erkent men, hoe een boom is gekweekt, Het hart van den mens aan wat hij zegt.
6γεώργιον ξύλου ἐκφαίνει ὁ καρπὸς αὐτοῦ, οὕτως λόγος ἐνθυμήματος καρδίας ἀνθρώπου.
7Prijs daarom niemand, vóór ge hem hoort spreken; Want dat is de toetssteen voor den mens.
7πρὸ λογισμοῦ μὴ ἐπαινέσῃς ἄνδρα, οὗτος γὰρ πειρασμὸς ἀνθρώπων.
8Jaagt ge de gerechtigheid na, ge zult haar bereiken, En ge trekt haar aan als een erekleed.
8Ἐὰν διώκῃς τὸ δίκαιον, καταλήψῃ καὶ ἐνδύσῃ αὐτὸ ὡς ποδήρη δόξης.
9Zoals de vogels zich neerzetten bij hun soort, Zo blijft de trouw bij die haar beoefenen;
9πετεινὰ πρὸς τὰ ὅμοια αὐτοῖς καταλύσει, καὶ ἀλήθεια πρὸς τοὺς ἐργαζομένους αὐτὴν ἐπανήξει.
10Maar zoals de leeuw loert op buit, Zo loert de zonde op wie onrecht doet.
10λέων θήραν ἐνεδρεύει, οὕτως ἁμαρτίαι ἐργαζομένους ἄδικα.
11Het spreken van den rechtvaardige is altijd wijs, Maar de dwaas is veranderlijk als de maan.
11διήγησις εὐσεβοῦς διαπαντὸς σοφία, ὁ δὲ ἄφρων ὡς σελήνη ἀλλοιοῦται.
12Zijt ge bij dwazen, let op uw tijd; Maar in de kring van verstandigen kunt ge altijd vertoeven.
12εἰς μέσον ἀσυνέτων συντήρησον καιρόν, εἰς μέσον δὲ διανοουμένων ἐνδελέχιζε.
13De gesprekken van dwazen geven maar aanstoot, Hun lachen gaat met zondige uitspatting gepaard.
13διήγησις μωρῶν προσόχθισμα, καὶ ὁ γέλως αὐτῶν ἐν σπατάλῃ ἁμαρτίας.
14Wie onophoudelijk zweren, doen de haren te berge rijzen, En hun kijven maakt iemand de oren doof.
14λαλιὰ πολυόρκου ὀρθώσει τρίχας, καὶ ἡ μάχη αὐτῶν ἐμφραγμὸς ὠτίων.
15De twist van gelijkhebbers loopt uit op bloedvergieten, En hun kijven is niet aan te horen.
15ἔκχυσις αἵματος μάχη ὑπερηφάνων, καὶ ἡ διαλοιδόρησις αὐτῶν ἀκοὴ μοχθηρά.
16Wie geheimen verraadt, verliest het vertrouwen, En vindt geen vriend meer naar zijn hart,
16Ὁ ἀποκαλύπτων μυστήρια ἀπώλεσε πίστιν, καὶ οὐ μὴ εὕρῃ φίλον πρὸς τὴν ψυχὴν αὐτοῦ.
17Heb uw vriend lief en blijf hem trouw, Maar loop hem niet meer na, als ge zijn geheim hebt verklapt.
17στέρξον φίλον καὶ πιστώθητι μετ᾿ αὐτοῦ· ἐὰν δὲ ἀποκαλύψῃς τὰ μυστήρια αὐτοῦ, οὐ μὴ καταδιώξῃς ὀπίσω αὐτοῦ.
18Want zoals iemand zijn vermogen verliest, Zo hebt ge de vriendschap van uw vriend verbeurd;
18καθὼς γὰρ ἀπώλεσεν ἄνθρωπος τὸν ἐχθρὸν αὐτοῦ, οὕτως ἀπώλεσας τὴν φιλίαν τοῦ πλησίον·
19En zoals ge een vogel uit uw hand laat vliegen, Hebt ge uw vriend laten gaan, en ge krijgt hem niet terug.
19καὶ ὡς πετεινὸν ἐκ χειρός σου ἀπέλυσας, οὕτως ἀφῆκας τὸν πλησίον καὶ οὐ θηρεύσεις αὐτόν.
20Loop hem niet na, want hij is reeds ver; Hij is gevlucht als een ree uit de strik.
20μὴ αὐτὸν διώξῃς, ὅτι μακρὰν ἀπέστη καὶ ἐξέφυγεν ὡς δορκὰς ἐκ παγίδος.
21Een wonde kan men verbinden, een belediging vergeven, Maar wie geheimen verklapt, heeft niets meer te hopen.
21ὅτι τραῦμά ἐστι καταδῆσαι καὶ λοιδορίας ἐστὶ διαλλαγή, ὁ δὲ ἀποκαλύψας μυστήρια ἀπήλπισεν.
22Wie knipoogjes geeft, broedt op kwaad, En wie het bemerkt, trekt zich van hem terug.
22Διανεύων ὀφθαλμῷ τεκταίνει κακά, καὶ οὐδεὶς αὐτὸν ἀποστήσει ἀπ᾿ αὐτοῦ·
23In uw bijzijn spreekt hij mooie woorden, En staat verrukt over wat ge zegt. Maar later spreekt hij andere taal, En verwekt aanstoot met uw woorden.
23ἀπέναντι τῶν ὀφθαλμῶν σου γλυκανεῖ στόμα σου, καὶ ἐπὶ τῶν λόγων σου ἐκθαυμάσει, ὕστερον δὲ διαστρέψει τὸ στόμα αὐτοῦ καὶ ἐν τοῖς λόγοις σου δώσει σκάνδαλον.
24Veel dingen haat ik, maar niets zo zeer als hem; Ook voor Jahweh is hij een afschuw.
24πολλὰ ἐμίσησα καὶ οὐχ ὡμοίωσα αὐτῷ, καὶ ὁ Κύριος μισήσει αὐτόν.
25Wie een steen omhoog werpt, krijgt hem zelf op het hoofd; Een verraderlijke slag slaat diepe wonden.
25ὁ βάλλων λίθον εἰς ὕψος ἐπὶ κεφαλὴν αὐτοῦ βάλλει, καὶ πληγὴ δολία διελεῖ τραύματα.
26Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie strikken zet, wordt er zelf in gevangen.
26ὁ ὀρύσσων βόθρον εἰς αὐτὸν ἐμπεσεῖται, καὶ ὁ ἱστῶν παγίδα ἐν αὐτῇ ἁλώσεται.
27Wie kwaad beraamt, wordt er zelf door getroffen, Zonder dat hij weet, vanwaar het komt.
27ὁ ποιῶν πονηρὰ εἰς αὐτὸν κυλισθήσεται, καὶ οὐ μὴ ἐπιγνῷ πόθεν ἥκει αὐτῷ.
28Spot en hoon zijn het lot van de trotsen, Want de wraak loert op hem als een leeuw.
28ἐμπαιγμὸς καὶ ὀνειδισμὸς ὑπερηφάνων, καὶ ἡ ἐκδίκησις ὡς λέων ἐνεδρεύσει αὐτόν.
29Wie blij zijn met het ongeluk van gerechten, lopen zelf in de val, En smart verteert hen vóór hun dood.
29παγίδι ἁλώσονται οἱ εὐφραινόμενοι πτώσει εὐσεβῶν, καὶ ὀδύνη καταναλώσει αὐτοὺς πρὸ τοῦ θανάτου αὐτῶν.
30Wrok en toorn, ook die zijn afschuwelijk; Alleen een zondig mens loopt er mee rond.
30Μῆνις καὶ ὀργὴ καὶ ταῦτά ἐστι βδελύγματα καὶ ἀνὴρ ἁμαρτωλὸς ἐγκρατὴς ἔσται αὐτῶν.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.