Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Wie barmhartig is, leent zijn naaste; En wie hem steunt, onderhoudt de geboden.
1Ο ΠΟΙΩΝ ἔλεος δανειεῖ τῷ πλησίον, καὶ ὁ ἐπισχύων τῇ χειρὶ αὐτοῦ τηρεῖ ἐντολάς.
2Leen den naaste, als hij in nood is; Maar van uw kant, geef het den naaste op tijd ook terug.
2δάνεισον τῷ πλησίον ἐν καιρῷ χρείας αὐτοῦ, καὶ πάλιν ἀπόδος τῷ πλησίον εἰς τὸν καιρόν·
3Houd uw woord, en behandel hem eerlijk; En steeds zult ge krijgen, wat ge nodig hebt.
3στερέωσον λόγον καὶ πιστώθητι μετ᾿ αὐτοῦ, καὶ ἐν παντὶ καιρῷ εὑρήσεις τὴν χρείαν σου.
4Velen beschouwen het geleende als een vondst; Zo brengen ze hun helpers in last.
4πολλοὶ ὡς εὕρεμα ἐνόμισαν δάνος καὶ παρέσχον πόνον τοῖς βοηθήσασιν αὐτοῖς.
5Men kust iemands hand, totdat men ontvangt, En wegens zijn geld spreekt men heel bescheiden; Maar als men moet teruggeven, stelt men uit, Betaalt met klachten en geeft de schuld aan de tijd.
5ἕως οὗ λάβῃ, καταφιλήσει χεῖρα αὐτοῦ, καὶ ἐπὶ τῶν χρημάτων τοῦ πλησίον ταπεινώσει φωνήν· καὶ ἐν καιρῷ ἀποδόσεως παρελκύσει χρόνον καὶ ἀποδώσει λόγους ἀκηδίας καὶ τὸν καιρὸν αἰτιάσεται.
6Kan men betalen, men geeft nauwelijks de helft, En beschouwt dat nog als een vondst; Kan men het niet, dan berooft men hem van zijn geld, En wordt hem vijandig zonder enige grond. Met vloeken en schelden betaalt men hem terug, Met schimpen inplaats van te eren;
6ἐὰν ἰσχύσῃ, μόλις κομίσεται τὸ ἥμισυ καὶ λογιεῖται αὐτὸ ὡς εὕρεμα· εἰ δὲ μή, ἀπεστέρησεν αὐτὸν τῶν χρημάτων αὐτοῦ, καὶ ἐκτήσατο αὐτὸν ἐχθρὸν δωρεάν· κατάρας καὶ λοιδορίας ἀποδώσει αὐτῷ καὶ ἀντὶ δόξης ἀποδώσει αὐτῷ ἀτιμίαν.
7Juist om die boosheid keren velen zich af: Zij duchten, zo maar te worden beroofd.
7πολλοὶ οὖν χάριν πονηρίας ἀπέστρεψαν, ἀποστερηθῆναι δωρεὰν εὐλαβήθησαν.
8Toch moet ge grootmoedig zijn jegens den arme, En hem niet laten wachten op hulp.
8πλὴν ἐπὶ ταπεινῷ μακροθύμησον καὶ ἐπ᾿ ἐλεημοσύνην μὴ παρελκύσῃς αὐτόν.
9Ontferm u over den naaste, want het is u geboden; Zend hem niet ledig weg in zijn nood.
9χάριν ἐντολῆς ἀντιλαβοῦ πένητος καὶ κατὰ τὴν ἔνδειαν αὐτοῦ μὴ ἀποστρέψῃς αὐτὸν κενόν.
10Besteed liever uw geld voor een broer of een vriend, Dan het onder een steen te verstoppen en te verliezen.
10ἀπόλεσον ἀργύριον δι᾿ ἀδελφὸν καὶ φίλον, καὶ μὴ ἰωθήτω ὑπὸ τὸν λίθον εἰς ἀπώλειαν.
11Beleg uw schat, zoals de Allerhoogste het beveelt, En hij zal u meer baten dan goud.
11θὲς τὸν θησαυρόν σου κατ᾿ ἐντολὰς Ὑψίστου, καὶ λυσιτελήσει σοι μᾶλλον ἢ τὸ χρυσίον.
12Sluit werken van naastenliefde in uw schatkamers op, Want ze zullen u bevrijden van alle kwaad;
12σύγκλεισον ἐλεημοσύνην ἐν τοῖς ταμείοις σου, καὶ αὕτη ἐξελεῖταί σε ἐκ πάσης κακώσεως·
13Beter dan een machtig schild en een sterke lans Zullen ze voor u strijden tegen den vijand.
13ὑπὲρ ἀσπίδα κράτους καὶ ὑπὲρ δόρυ ἀλκῆς κατέναντι ἐχθροῦ πολεμήσει ὑπὲρ σοῦ.
14Een goed mens blijft borg voor zijn naaste; Slechts wie geen schaamte kent, laat hem in de steek.
14ἀνὴρ ἀγαθὸς ἐγγυήσεται τὸν πλησίον, καὶ ὁ ἀπολωλεκὼς αἰσχύνην καταλήψει αὐτόν.
15Vergeet niet de weldaad van uw borg; Want hij zette zichzelf voor u op het spel.
15Χάριτας ἐγγύου μὴ ἐπιλάθῃ, ἔδωκε γὰρ τὴν ψυχὴν αὐτοῦ ὑπὲρ σοῦ.
16De zondaar vergeet de goedheid van zijn borg; Ondankbaar laat hij zijn redder in de steek.
16ἀγαθὰ ἐγγύου ἀνατρέψει ἁμαρτωλός, καὶ ἀχάριστος ἐν διανοίᾳ ἐγκαταλείψει ρυσάμενον.
17Het borgen heeft vele welgestelden te gronde gericht, Ze heen en weer geslingerd als de golven der zee;
17ἐγγύη πολλοὺς ἀπώλεσε κατευθύνοντας καὶ ἐσάλευσεν αὐτοὺς ὡς κῦμα θαλάσσης· ἄνδρας δυνατοὺς ἀπῴκισε καὶ ἐπλανήθησαν ἐν ἔθνεσιν ἀλλοτρίοις.
18Het heeft mannen van aanzien uit hun bezit verdreven, En ze tot zwervers gemaakt onder vreemde volken.
no verse 18 in this text
19De zondaar komt door borgstelling ten val, En wie zich met alles bemoeit, vervalt in processen.
19ἁμαρτωλὸς ἐμπεσὼν εἰς ἐγγύην καὶ διώκων ἐργολαβίας ἐμπεσεῖται εἰς κρίσεις.
20Help dus den naaste naar uw vermogen; Maar let op uzelf, dat ge er niet inloopt.
20ἀντιλαβοῦ τοῦ πλησίον κατὰ δύναμίν σου καὶ πρόσεχε σεαυτῷ μὴ ἐμπέσῃς.
21De eerste behoefte van het leven is water en brood, En kleding en woning tot bedekking der schaamte.
21Ἀρχὴ ζωῆς ὕδωρ καὶ ἄρτος καὶ ἱμάτιον καὶ οἶκος καλύπτων ἀσχημοσύνην.
22Beter arm te leven onder de schutse van zijn dak, Dan heerlijke spijzen bij vreemden.
22κρείσσων βίος πτωχοῦ ὑπὸ σκέπην δοκῶν ἢ ἐδέσματα λαμπρὰ ἐν ἀλλοτρίοις.
23Met weinig of veel, blijf tevreden; Dan verwijt men u niet, dat ge vreemdeling zijt.
23ἐπὶ μικρῷ καὶ μεγάλῳ εὐδοκίαν ἔχε, καὶ ὀνειδισμὸν παροικίας οὐ μὴ ἀκούσῃς.
24Een ellendig leven: van huis tot huis; Want waar ge gast zijt, kunt ge niet vrijuit spreken.
24ζωὴ πονηρὰ ἐξ οἰκίας εἰς οἰκίαν, καὶ οὗ παροικήσεις, οὐκ ἀνοίξει στόμα.
25Ge geeft te eten en te drinken in ondank, En daarbij moet ge nog beledigingen horen:
25ξενιεῖς καὶ ποτιεῖς εἰς ἀχάριστα καὶ πρὸς ἐπὶ τούτοις πικρὰ ἀκούσῃ·
26“Kom binnen, vreemdeling; bereid de dis, Hebt ge iets meegebracht, geef mij te eten.”
26πάρελθε, πάροικε, κόσμησον τράπεζαν, καὶ εἴτι ἐν τῇ χειρί σου, ψώμισόν με.
27“Ga heen, vreemdeling, ik kan u niet hebben; Mijn broeder komt bij me; ik heb de ontvangkamer nodig.”
27ἔξελθε, πάροικε, ἀπὸ προσώπου δόξης, ἐπεξένωταί μοι ὁ ἀδελφός, χρεία τῆς οἰκίας.
28Hard zijn die dingen voor een man met verstand: Men verwijt u uw afkomst en scheldt u woekeraar.
28βαρέα ταῦτα ἀνθρώπῳ ἔχοντι φρόνησιν, ἐπιτίμησις οἰκίας καὶ ὀνειδισμὸς δανειστοῦ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.