Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Houd den arts te vriend, voordat ge hem nodig hebt; Want ook hij is door God geschapen.
1ΤΙΜΑ ἰατρὸν πρὸς τὰς χρείας αὐτοῦ τιμαῖς αὐτοῦ, καὶ γὰρ αὐτὸν ἔκτισε Κύριος·
2Van God heeft de arts zijn kennis, Van den koning zelfs krijgt hij geschenken.
2παρὰ γὰρ Ὑψίστου ἐστὶν ἴασις, καὶ παρὰ βασιλέως λήψεται δόμα.
3De geneesheer wordt om zijn kennis geëerd, En staat voor vorsten als hun gelijke.
3ἐπιστήμη ἰατροῦ ἀνυψώσει κεφαλὴν αὐτοῦ, καὶ ἔναντι μεγιστάνων θαυμασθήσεται.
4God doet uit de aarde artsenijen ontspruiten; Een verstandig mens veracht ze dus niet.
4Κύριος ἔκτισεν ἐκ γῆς φάρμακα, καὶ ἀνὴρ φρόνιμος οὐ προσοχθιεῖ αὐτοῖς.
5Werd het water niet zoet door het hout, Opdat iedereen zijn kracht zou kennen?
5οὐκ ἀπὸ ξύλου ἐγλυκάνθη ὕδωρ εἰς τὸ γνωσθῆναι τὴν ἰσχὺν αὐτοῦ;
6Zo gaf Hij ook aan de mensen kennis, Om door haar kracht beroemd te worden.
6καὶ αὐτὸς ἔδωκεν ἀνθρώποις ἐπιστήμην ἐνδοξάζεσθαι ἐν τοῖς θαυμασίοις αὐτοῦ·
7Door haar stilt de geneesheer de smart, Bereidt de apotheker balsem;
7ἐν αὐτοῖς ἐθεράπευσε καὶ ἦρε τὸν πόνον αὐτοῦ,
8Opdat Gods werk niet zou verdwijnen, De genezing niet van het aanschijn der aarde.
8μυρεψὸς ἐν τούτοις ποιήσει μεῖγμα, καὶ οὐ μὴ συντελέσῃ ἔργα αὐτοῦ, καὶ εἰρήνη παρ᾿ αὐτοῦ ἐστιν ἐπὶ προσώπου τῆς γῆς.
9Mijn zoon, maak u bij ziekte niet ongerust; Maar bid tot God, want Hij geneest.
9Τέκνον, ἐν ἀρρωστήματί σου μὴ παράβλεπε, ἀλλ᾿ εὖξαι Κυρίῳ, καὶ αὐτὸς ἰάσεταί σε.
10Vlucht de zonde, volbreng het goede, En reinig uw hart van alle kwaad;
10ἀπόστησον πλημμέλειαν καὶ εὔθυνον χεῖρας, καὶ ἀπὸ πάσης ἁμαρτίας καθάρισον καρδίαν.
11Breng een wierookoffer van zoete geur, En offer vet, zoveel ge kunt.
11δὸς εὐωδίαν καὶ μνημόσυνον σεμιδάλεως καὶ λίπανον προσφορὰν ὡς μὴ ὑπάρχων.
12Doch maak ook plaats voor den arts, Stoot hem niet af, want ge hebt hem nodig;
12καὶ ἰατρῷ δὸς τόπον, καὶ γὰρ αὐτὸν ἔκτισε Κύριος, καὶ μὴ ἀποστήτω σου, καὶ γὰρ αὐτοῦ χρεία.
13Ja, er komt een tijd, dat zijn hand alleen nog kan redden.
13ἔστι καιρὸς ὅτε καὶ ἐν χερσὶν αὐτῶν εὐοδία·
14Want ook hij bidt tot God, Dat Hij zijn onderzoek doet slagen En de genezing, tot behoud van het leven.
14καὶ γὰρ αὐτοὶ Κυρίου δεηθήσονται, ἵνα εὐοδώσῃ αὐτοῖς ἀνάπαυσιν καὶ ἴασιν χάριν ἐμβιώσεως.
15Wie zondigt voor het aanschijn van zijn Schepper, Valt in de handen van den arts.
15ὁ ἁμαρτάνων ἔναντι τοῦ ποιήσαντος αὐτὸν ἐμπέσοι εἰς χεῖρας ἰατροῦ.
16Mijn zoon, stort tranen over een dode, Rouw en hef een klaagzang aan; Begraaf zijn lijk, zoals het betaamt, En trek u niet terug bij zijn dood.
16Τέκνον, ἐπὶ νεκρῷ κατάγαγε δάκρυα καὶ ὡς δεινὰ πάσχων ἔναρξαι θρήνου, κατὰ δὲ τὴν κρίσιν αὐτοῦ περίστειλον τὸ σῶμα αὐτοῦ καὶ μὴ ὑπερίδῃς τὴν ταφὴν αὐτοῦ.
17Treur, mijn zoon, zing uw klaagzang uit, En rouw over hem, zoals het behoort: Eén dag, twee dagen zelfs ter voorkoming van opspraak, Maar getroost u dan in uw smart.
17πίκρανον κλαυθμὸν καὶ θέρμανον κοπετὸν καὶ ποίησον τὸ πένθος κατὰ τὴν ἀξίαν αὐτοῦ ἡμέραν μίαν καὶ δύο χάριν διαβολῆς καὶ παρακλήθητι λύπης ἕνεκα·
18Droefheid immers kan slechts schaden, Want treurigheid ondermijnt de kracht.
18ἀπὸ λύπης γὰρ ἐκβαίνει θάνατος, καὶ λύπη καρδίας κάμψει ἰσχύν.
19Is de dode begraven, dan wijke de smart; Want het leven van een bedroefde is een vloek.
19ἐν ἐπαγωγῇ παραβαίνει καὶ λύπη, καὶ βίος πτωχοῦ κατὰ καρδίας.
20Laat uw hart zich niet langer aan hem hechten; Denk niet meer aan hem, maar denk aan uw einde.
20μὴ δῷς εἰς λύπην τὴν καρδίαν σου, ἀπόστησον αὐτὴν μνησθεὶς τὰ ἔσχατα·
21Gedenk hem niet meer, want voor hem geen hoop! Hem brengt ge geen nut, en uzelf doet ge schade.
21μὴ ἐπιλάθῃ, οὐ γάρ ἐστιν ἐπάνοδος, καὶ τοῦτον οὐκ ὠφελήσεις καὶ σεαυτὸν κακώσεις.
22Bedenk, dat zijn lot ook het uwe zal zijn: Gisteren hem en heden u.
22μνήσθητι τὸ κρίμα αὐτοῦ, ὅτι οὕτω καὶ τὸ σόν· ἐμοὶ ἐχθὲς καὶ σοὶ σήμερον.
23Als de dode rust, moet ook zijn aandenken rusten; Als zijn ziel is verscheiden, moet ge u troosten.
23ἐν ἀναπαύσει νεκροῦ κατάπαυσον τὸ μνημόσυνον αὐτοῦ καὶ παρακλήθητι ἐν αὐτῷ ἐν ἐξόδῳ πνεύματος αὐτοῦ.
24De wijsheid van den schriftgeleerde moet steeds groeien; Slechts wie vrij is van zaken, kan kennis verwerven.
24Σοφία γραμματέως ἐν εὐκαιρίᾳ σχολῆς, καὶ ὁ ἐλασσούμενος πράξει αὐτοῦ σοφισθήσεται.
25Hoe zou wijs kunnen worden, wie de ploeg hanteert, En trots de drijversstok zwaait als een lans; Die de koeien uitdrijft en schreeuwend ze terugleidt, En alleen maar kan praten met kalven:
25τί σοφισθήσεται ὁ κρατῶν ἀρότρου καὶ καυχώμενος ἐν δόρατι κέντρου, βόας ἐλαύνων καὶ ἀναστρεφόμενος ἐν ἔργοις αὐτῶν, καὶ ἡ διήγησις αὐτοῦ ἐν υἱοῖς ταύρων;
26Hij wijdt zijn hart aan het eggen der vorens. Zijn zorg aan het mesten van de stal.
26καρδίαν αὐτοῦ δώσει ἐκδοῦναι αὔλακας, καὶ ἡ ἀγρυπνία αὐτοῦ εἰς χορτάσματα δαμάλεων.
27Zo ook iedere arbeider en ambachtsman, Die dag en nacht hun werk verrichten,
27οὕτως πᾶς τέκτων καὶ ἀρχιτέκτων, ὅστις νύκτωρ ὡς ἡμέρας διάγει· οἱ γλύφοντες γλύμματα σφραγίδων, καὶ ἡ ὑπομονὴ αὐτοῦ ἀλλοιῶσαι ποικιλίαν· καρδίαν αὐτοῦ δώσει εἰς τὸ ὁμοιῶσαι ζωγραφίαν, καὶ ἡ ἀγρυπνία αὐτοῦ τελέσαι ἔργον.
28Zo ook de smid, die bij zijn aambeeld hurkt, En vol aandacht het ruwe ijzer bekijkt; De rook van het vuur verschrompelt zijn vlees, Hij vecht tegen de gloed van de oven; Het slaan van de hamer verdooft hem de oren, Zijn ogen zijn op het model gericht: Hij wijdt zijn hart aan de voltooiing van zijn werk, Zijn zorg aan het polijsten, als het gereed is.
28οὕτως χαλκεὺς καθήμενος ἐγγὺς ἄκμονος καὶ καταμανθάνων ἔργα σιδήρου· ἀτμὶς πυρὸς πήξει σάρκας αὐτοῦ, καὶ ἐν θέρμῃ καμίνου διαμαχήσεται· φωνὴ σφύρης καινιεῖ τὸ οὖς αὐτοῦ, καὶ κατέναντι ὁμοιώματος σκεύους οἱ ὀφθαλμοὶ αὐτοῦ· καρδίαν αὐτοῦ δώσει εἰς συντέλειαν ἔργων, καὶ ἡ ἀγρυπνία αὐτοῦ κοσμῆσαι ἐπὶ συντελείας.
29Zo ook de pottenbakker, die bij zijn werk gezeten, Met zijn voeten de draaischijf beweegt; Die steeds bekommerd is om zijn bedrijf, En altijd zwoegt om een groot getal.
29οὕτως κεραμεὺς καθήμενος ἐν ἔργῳ αὐτοῦ καὶ συστρέφων ἐν ποσὶν αὐτοῦ τροχόν, ὃς ἐν μερίμνῃ κεῖται διὰ παντὸς ἐπὶ τὸ ἔργον αὐτοῦ, καὶ ἐναρίθμιος πᾶσα ἡ ἐργασία αὐτοῦ.
30Hij geeft met zijn arm een vorm aan de klei, En kneedt met zijn voeten haar stugheid: Hij wijdt zijn hart aan het beste glazuur, Zijn zorg aan het bakken in de oven.
30ἐν βραχίονι αὐτοῦ τυπώσει πηλὸν καὶ πρὸ ποδῶν κάμψει ἰσχὺν αὐτοῦ· καρδίαν ἐπιδώσει συντελέσαι τὸ χρῖσμα, καὶ ἡ ἀγρυπνία αὐτοῦ καθαρίσαι κάμινον.
31Zij allen vertrouwen op hun handen, En ieder is wijs in zijn eigen werk;
31Πάντες οὗτοι εἰς χεῖρας αὐτῶν ἐνεπίστευσαν, καὶ ἕκαστος ἐν τῷ ἔργῳ αὐτοῦ σοφίζεται.
32Zonder hen wordt er geen stad gebouwd, En kan men wonen, noch reizen.
32ἄνευ αὐτῶν οὐκ οἰκισθήσεται πόλις, καὶ οὐ παροικήσουσιν οὐδὲ περιπατήσουσιν,
33Maar in de vergadering zijn ze niet in tel, En ze zitten niet op de stoel van den rechter; Want van wet en oordeel hebben ze geen verstand,
33ἀλλ᾿ εἰς βουλὴν λαοῦ οὐ ζητηθήσονται καὶ ἐν ἐκκλησίᾳ οὐχ ὑπεραλοῦνται· ἐπὶ δίφρον δικαστοῦ οὐ καθιοῦνται καὶ διαθήκην κρίματος οὐ διανοηθήσονται, οὐδὲ μὴ ἐκφάνωσι δικαιοσύνην καὶ κρίμα, καὶ ἐν παραβολαῖς οὐχ εὑρεθήσονται,
34En wijsheidsspreuken kennen ze niet. Maar enkel wereldse zaken verzorgen, En al hun aandacht besteden aan hun vak. Ze snijden figuren op zegelringen, En weven steeds maar wisselende kleuren: Hij wijdt zijn hart aan de gelijkenis der beelden, Zijn zorg aan het voltooien van zijn werk.
34ἀλλὰ κτίσμα αἰῶνος στηρίσουσι, καὶ ἡ δέησις αὐτῶν ἐν ἐργασίᾳ τέχνης.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.