Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1In drie dingen vindt mijn ziel behagen; Want lieflijk zijn ze voor God en de mensen: Eendracht onder broeders, liefde voor den evenmens, En man en vrouw, die bij elkander goed passen.
1ΕΝ τρισὶν ὡραΐσθην καὶ ἀνέστην ὡραία ἔναντι Κυρίου καὶ ἀνθρώπων· ὁμόνοια ἀδελφῶν, καὶ φιλία τῶν πλησίον, καὶ γυνὴ καὶ ἀνὴρ ἑαυτοῖς συμπεριφερόμενοι.
2Maar drie soorten mensen haat mijn ziel; Een diepe afschuw heb ik van hun leven: Een trotsen arme, een rijken bedrieger, En een overspeligen grijsaard, zonder verstand.
2τρία δὲ εἴδη ἐμίσησεν ἡ ψυχή μου καὶ προσώχθισα σφόδρα τῇ ζωῇ αὐτῶν· πτωχὸν ὑπερήφανον, καὶ πλούσιον ψεύστην, γέροντα μοιχὸν ἐλαττούμενον συνέσει.
3Als ge niet opspaart in uw jeugd, Hebt ge niets in voorraad, als ge oud zijt!
3Ἐν νεότητι οὐ συναγήοχας, καὶ πῶς ἂν εὕροις ἐν τῷ γήρᾳ σου;
4Hoe schoon staat de grijze haren het oordeel, De ouden, goede raad te weten.
4ὡς ὡραῖον πολιαῖς κρίσις καὶ πρεσβυτέροις ἐπιγνῶναι βουλήν.
5Hoe schoon past wijsheid bij grijsaards, Overleg en raad bij mannen van aanzien.
5ὡς ὡραία γερόντων σοφία καὶ δεδοξασμένοις διανόημα καὶ βουλή.
6Rijke ervaring is de kroon der bejaarden, Maar hun roem is de vreze des Heren.
6στέφανος γερόντων πολυπειρία, καὶ τὸ καύχημα αὐτῶν φόβος Κυρίου.
7Negen dingen ken ik, die ik prijs in het hart, En het tiende neem ik op de tong: Een man, die vreugde ondervindt van zijn kinderen, En hij, die de val van zijn vijanden beleeft.
7Ἐννέα ὑπονοήματα ἐμακάρισα ἐν καρδίᾳ καὶ τὸ δέκατον ἐρῶ ἐπὶ γλώσσης· ἄνθρωπος εὐφραινόμενος ἐπὶ τέκνοις, ζῶν καὶ βλέπων ἐπὶ πτώσει ἐχθρῶν·
8Gelukkig, wie samenwoont met een verstandige vrouw, En hij, die niet ploegt met os en ezel tezamen; Gelukkig, wie niet struikelt door de tong, En hij, die niet zijn mindere hoeft te dienen.
8μακάριος ὁ συνοικῶν γυναικὶ συνετῇ, καὶ ὃς ἐν γλώσσῃ οὐκ ὠλίσθησε, καὶ ὃς οὐκ ἐδούλευσεν ἀναξίῳ αὐτοῦ·
9Gelukkig, wie een vriend mocht vinden, En hij, die spreekt voor luisterende oren.
9μακάριος ὃς εὗρε φρόνησιν, καὶ ὁ διηγούμενος εἰς ὦτα ἀκουόντων·
10Hoe groot is hij, die wijsheid vond; Maar niemand gaat hem te boven, die Jahweh vreest!
10ὡς μέγας ὁ εὑρὼν σοφίαν· ἀλλ᾿ οὐκ ἔστιν ὑπὲρ τὸν φοβούμενον τὸν Κύριον·
11De vreze des Heren gaat alles te boven; Wie haar bezit, met wien zal men hem vergelijken?
11φόβος Κυρίου ὑπὲρ πᾶν ὑπερέβαλεν, ὁ κρατῶν αὐτοῦ τίνι ὁμοιωθήσεται; [12 φόβος Κυρίου ἀρχὴ ἀγαπήσεως αὐτοῦ, πίστις δὲ ἀρχὴ κολλήσεως αὐτοῦ].
12De vreze des Heren is het begin van de liefde; Maar het geloof is het begin van onze verbinding met Hem.
no verse 12 in this text
13Liever iedere wonde dan een hartewonde, Iedere boosheid dan vrouwenboosheid;
13Πᾶσαν πληγὴν καὶ μὴ πληγὴν καρδίας, καὶ πᾶσαν πονηρίαν καὶ μὴ πονηρίαν γυναικός·
14Iedere tegenkanting dan die van haters, Iedere wraak dan die van vijanden.
14πᾶσαν ἐπαγωγὴν καὶ μὴ ἐπαγωγὴν μισούντων, καὶ πᾶσαν ἐκδίκησιν καὶ μὴ ἐκδίκησιν ἐχθρῶν.
15Geen vergif is erger dan slangenvergif, Geen toorn heviger dan vrouwentoorn.
15οὐκ ἔστι κεφαλὴ ὑπὲρ κεφαλὴν ὄφεως, καὶ οὐκ ἔστι θυμὸς ὑπὲρ θυμὸν ἐχθροῦ.
16Ik wil liever wonen met een leeuw of een draak, Dan huizen bij een kwade vrouw.
16συνοικῆσαι λέοντι καὶ δράκοντι εὐδοκήσω ἢ ἐνοικῆσαι μετὰ γυναικὸς πονηρᾶς.
17Boosheid vertrekt het gelaat van een vrouw, En maakt haar uiterlijk nors als dat van een beer;
17πονηρία γυναικὸς ἀλλοιοῖ τὴν ὅρασιν αὐτῆς καὶ σκοτοῖ τὸ πρόσωπον αὐτῆς ὡς ἄρκος.
18Al zit haar man in de kring van zijn vrienden, Onwillekeurig moet hij zuchten.
18ἀνὰ μέσον τοῦ πλησίον αὐτοῦ ἀναπεσεῖται ὁ ἀνὴρ αὐτῆς, καὶ ἀκούσας ἀνεστέναξε πικρά.
19Geen kwelling is groter dan die van een vrouw; Moge het lot van de zondaars haar treffen!
19μικρὰ πᾶσα κακία πρὸς κακίαν γυναικός, κλῆρος ἁμαρτωλοῦ ἐπιπέσοι αὐτῇ.
20Als een zandige helling voor oude voeten, Is een praatzieke vrouw voor een rustig man.
20ἀνάβασις ἀμμώδης ἐν ποσὶ πρεσβυτέρου, οὕτως γυνὴ γλωσσώδης ἀνδρὶ ἡσύχῳ.
21Laat u niet verleiden door de schoonheid van een vrouw, en koester geen begeerten naar wat ze bezit;
21μὴ προσπέσῃς ἐπὶ κάλλος γυναικὸς καὶ γυναῖκα μὴ ἐπιποθήσῃς.
22Want het is een harde slavernij en een schande, Als een man wordt onderhouden door zijn vrouw.
22ὀργὴ καὶ ἀναίδεια καὶ αἰσχύνη μεγάλη γυνὴ ἐὰν ἐπιχορηγῇ τῷ ἀνδρὶ αὐτῆς.
23Een boze vrouw bezorgt een bedrukt gemoed, Een treurig gelaat en harteleed; Slappe handen en knikkende knieën, Al wie haar man niet gelukkig maakt.
23καρδία ταπεινὴ καὶ πρόσωπον σκυθρωπὸν καὶ πληγὴ καρδίας γυνὴ πονηρά· χεῖρες παρειμέναι καὶ γόνατα παραλελυμένα ἥτις οὐ μακαριεῖ τὸν ἄνδρα αὐτῆς.
24Van een vrouw kwam het begin van de zonde; Om haar moeten wij allen sterven.
24ἀπὸ γυναικὸς ἀρχὴ ἁμαρτίας, καὶ δι᾿ αὐτὴν ἀποθνήσκομεν πάντες.
25Geef geen vrije loop aan het water, Geen vrijheid aan een boze vrouw.
25μὴ δῷς ὕδατι διέξοδον μηδὲ γυναικὶ πονηρᾷ ἐξουσίαν.
26Als ze niet wandelt aan uw hand, Zal ze u beschamen tegenover uw vijanden. Snijd haar dan af van uw vlees, Opdat zij u niet blijve misbruiken.
26εἰ μὴ πορεύεται κατὰ χεῖρά σου, ἀπὸ τῶν σαρκῶν σου ἀπότεμε αὐτήν.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.